interview met nick ervinck





Niet dat ik er niet van droom Nick Ervinck’s beruchte atelier eens te gaan bezichtigen, maar helaas ligt Kortemark nogal ver van “het-beeldende-kunst-circuit”. Dus nodigde ik Nick dan maar bij mij thuis in Gent uit voor een gesprek. Met zijn 27 lentes heeft hij er al een ongelooflijk palmares opzitten. Voor niet ingewijden is het misschien interessant om eerst zijn indrukwekkende website te checken: www.nickervinck.com


Hallo Nick! Als iemand je naar je beroep vraagt, krijgt hij ongetwijfeld als antwoord te horen: ‘ik ben kunstenaar’. Hoe probeer je dan aan die persoon te omschrijven welke kunst je maakt?

Nick Ervinck: Dan zeg ik: ‘Ik maak sculpturen. Sculpturen die op de grens liggen tussen fysiek en digitaal, tussen beeldhouwkunst en architectuur.’


Je toont ons persoonlijk opgebouwde schijnwerelden die zowel tussen toekomst en verleden en tussen science fiction en surrealisme liggen. Wat wil je jezelf en ons daarmee laten inzien?

Ervinck: Ik wens de toeschouwer een andere wereld te laten zien, maar vooral onze wereld in vraag te stellen. Ik vertrek daarvoor vanuit mijn eigen fantasie en fascinatie, zoals voor sciencefiction en architectuur. Ik wil de toeschouwer op een andere manier laten waarnemen, hem dwingen op een andere manier te kijken. Mijn beelden zijn bewerkingen en verwerkingen van beelden uit mijn ervaringswereld. Al handelend ondervraag ik wat ik zie, hoor en lees, én mijn interpretatie daarvan. Ik ontdoe een ruimte van haar functie, van haar aard, om ze haar eigen realiteit te laten scheppen. Het gewone kijken is nog maar een begin. Niet alle beschavingen geven ‘de ruimte’ op dezelfde manier weer, om de eenvoudige reden dat ze haar niet op dezelfde manier zien.

Ik ben mijn eigen wereld aan het vormgeven, maar deze is en blijft utopisch. Ik kan alleen de verwarring vergroten. Deze cleane, virtuele wereld, waarin geen stofje, zaadje, huidschilfer of bacterie onderdak vindt, biedt een compleet ander gevoel. Hoezeer ik deze kleine details van onze maatschappij ook probeer na te bootsen, het blijft een nabootsen. Het blijft een onmogelijke poging. Maar die onnadrukkelijke sortering brengt bijna ongemerkt het idee van echtheid aan het wankelen. De voornaamste drijfveer van de creatie is de behoefte om te weten hoe de wereld te vatten. En hoe kan men daar beter vat op proberen te krijgen dan door zelf een eigen complexe wereld te creëren die zich op haar beurt ook nog voor anderen werelden kan openen.

In de geschiedenis zien we ook dat de beeldhouwkunst altijd geëvolueerd is dankzij de technologie, en dat zie ik nu ook in die architectuurwereld. Doordat architecten enkel nog met computers gaan ontwerpen, komt er een heel nieuwe vormentaal, en daar zie ik de nieuwe architectuurwereld als een voorloper van volgende stappen in de beeldhouwkunst.


Je wilt ‘werelden’ ontwerpen die niet bestaan en zelfs niet functioneel zijn, waar liggen je grenzen daarin?

Ervinck: Op een bepaalde manier zijn de enige grenzen je eigen fantasie en kunnen. Ik ben eigenlijk de computer beginnen te gebruiken als een virtueel schetsboek. In 2002 werd ik geselecteerd voor de Provinciale prijs voor beeldende kunst en kreeg ik een tentoonstellingsruimte in Knokke ter beschikking. Ik wilde hier één grote installatie in maken, maar ik had in mijn atelier niet de ruimte om dit uit te proberen. Voor mij was de stap naar de computer dan ook klein, want daar kon ik deze installatie virtueel uittekenen en op deze manier een voorstudie, een soort digitale maquette creëren. Vanuit die voorstudies voor tentoonstellingen zijn uiteindelijk de computerprints gegroeid en vervolgens ook de werktekeningen en animaties. Op die manier ben ik dan verder sculpturen virtueel gaan ontwerpen. Enerzijds omdat ik niet de ruimte of de financiële middelen had om die te bouwen. Via computerprints, computeranimatie en maquettes kan ik het publiek wel meenemen in mijn ideeën. Of die sculptuur er dan uiteindelijk komt of niet is een andere vraag. Zelfs al mijn grote sculpturen kan je ook als maquettes beschouwen.


The sky is the limit?

Ervinck: Inderdaad!


Maar om het te zeggen met de titel van de huidige expo van het HISK: ‘Waarom een werk realiseren als het zo mooi is er slechts van te dromen?’ (Uit Il Decamerone van P.P. Pasolini)

Ervinck: Ik heb er vaak van gedroomd dat je een paar draden aan je hoofd koppelt en dat alles dat je kan bedenken dan onmiddellijk gerealiseerd wordt. Misschien staan we daar ook niet zo ver meer vanaf dankzij de steeds verder evoluerende technologie, denk maar aan o.a. 3D prints. Maar naast het bedenken heb ik ook een enorme liefde voor techniek en ambacht en wens ik mijn gedachten ook fysiek te voelen.


Er is geen enkele droom die je niet wil uitwerken?

Ervinck: Niet alles hoeft gerealiseerd te worden. Je maakt uiteindelijk steeds bewust en intuïtief keuzes, gelukkig maar. Het ene werk zal beter functioneren in een fysieke wereld het andere dan weer beter in een virtuele wereld. Voor een kunstenaar als ik is één van de leukste momenten het bedenken zelf. Als ik 1/10e van de ideeën die ik bedenk effectief kan realiseren, zal dat al zeer veel zijn en ben ik een tevreden man.


Wil je ons de angst voor het onbekende doen inzien, zodat we, als we naar de materiële wereld om ons heen kijken, iets anders kunnen waarnemen?


Ervinck: Oorspronkelijk ben ik als abstracte beeldhouwer begonnen en ik had toen het idee dat ik nooit figuratief zou werken of bijvoorbeeld personages in mijn werk zou gebruiken. Toch is mijn werk zo geëvolueerd dat ik de behoefte kreeg een link te leggen naar onze realiteit. Uiteindelijk zijn vandaag mensen in die virtuele wereld binnengedrongen, deels omdat je via die personages perfect een schaalverhouding kan geven en de grens kleiner wordt voor het publiek om zichzelf daarin te projecteren. Door vanuit mijn eigen wereld referenties te leggen naar een bestaande realiteit wordt mijn werk alleen maar gelaagder en interessanter.

Mijn eigen fantasie dwing ik tot het uiterste, bijvoorbeeld door een gebouw op zijn kop te zetten. De meeste mensen zijn daar niet mee bezig, terwijl dat gebouw omgekeerd ook perfect zou kunnen functioneren. Op die manier ga je mensen dwingen op een andere manier te kijken. Vaak begrijpen mensen kunst niet, maar het zet hen wel tot nadenken, ze worden nieuwsgierig, willen er meer over weten. Voor mij moet je een kunstwerk altijd kunnen lezen op verschillende levels. En hoe meer je over een werk weet en erover leert, hoe interessanter het wordt.


Gebruik je ook je emoties als je aan het ontwerpen bent?

Ervinck: Ik heb bewust gekozen om mij niet bezig te houden met het emotionele, het politieke, of het sociaal-maatschappelijke aspect binnen de kunst. Ik voelde mij aanvankelijk zeer goed in het puur sculpturale discours, maar ook dat gaf me te weinig voldoening. Daarom ben ik meer de kruisbestuiving tussen beeldhouwkunst en architectuur gaan opzoeken. Vanaf het moment dat je met architectuur bezig bent, ben je natuurlijk opnieuw op een bepaalde manier maatschappelijk bezig; weliswaar eerder binnen een landelijke of stedelijke context.


Kan humor in je werk? Ik kan me voorstellen dat je soms in onverwacht grappige situaties verzeild geraakt als je je surrealistische wereld aan het ontwerpen bent achter je computer.


Ervinck: Ik heb daar vroeger zelf nooit veel bij stilgestaan, maar onbewust ben ik heel vaak met humor bezig. Zeker in mijn animaties, het is een intellectueel spelen.


Je hebt een waaier aan uitdrukkingsmiddelen zoals prints, sculpturen, animatiefilms… Hoe ben je daartoe gekomen?

Ervinck: Mijn digitale prints bieden een doorkijk naar een digitale wereld, maar evenzeer naar een andere realiteit. Deze doorkijken tonen mogelijkheden uit mijn onderzoek waarin sculpturale elementen zich in steeds nieuwe composities en betekenissen plaatsen. In die reëel uitziende kamers, rekken en podia bevinden zich polymorfe, synthetische vormen die als gemuteerde moleculen door middel van een artistieke computersimulatie tot leven zijn gewekt. Muren zijn plots geen muren meer en de zwaartekracht is onbestaande. Ik speel met sculpturale vormen en til in een oogwenk monumentale ‘gebouwen’ op en blaas ze opnieuw vol leven. Een huis verandert in een sculptuur en ontplooit zich in het niets. Het is een doortastend spel met beelden, materialen en ruimte en een evenwichtsoefening tussen middelen en doel, tussen nauwgezette berekening en geïnspireerde improvisatie.

Op een gegeven moment waren de prints niet meer geschikt om bepaalde ideeën weer te geven en begon ik met het ontwikkelen van ontwerpschetsen, werktekeningen om mijn sculpturen en archief te tonen, en aan te geven hoe ze eventueel in de fysieke wereld zouden plaatsvinden. Beter dan via print kun je via werktekeningen nog duidelijker maken hoe een sculptuur er zou uitzien, wat de afmetingen zijn, wat de materialen zijn en hoe het eventueel in onze reële wereld zou kunnen geplaatst worden. Dit liet me toe ontwerpen te maken voor een veel groter formaat, of voorstudies voor de publieke ruimte. Ook al liggen deze momenteel nog niet binnen mijn mogelijkheden, ik kan wel mijn idee al vastleggen en duidelijk maken. Uiteindelijk creëer ik een dialoog tussen de sculpturen en de werktekeningen, tussen de sculpturen en de animaties, tussen de prints en werktekeningen. Op die manier kan het publiek probleemloos de fysieke sculpturen omzetten naar de digitale wereld en zich de geanimeerde beelden voorstellen in de realiteit. Je kunt je ook inbeelden hoe zo’n sculptuur als animatie zou gaan werken.


Er is eigenlijk een constante wisselwerking tussen die virtuele en fysieke wereld in jouw werk.

Ervinck: Uiteindelijk zit die dualiteit virtueel/fysiek door heel mijn leven verweven. Tot mijn veertiende speelde ik met legoblokken, een leeftijd waarop dit niet echt meer te verantwoorden viel. Daarna liep ik een grote verslaving aan computergames op. Wel eerder de intelligente games, zoals Simcity, Tycoon Traffic, Simtower, Warcraft, Caesar, Red Alert etc., ook wel de godgames genoemd. Toen ik overschakelde naar de kunsthumaniora kreeg ik opnieuw een excuus om te ‘knutselen’. Toen ik de richting 3D ging volgen, stootte ik opnieuw op het sculpturale vlak en verzeilde ik in allerlei computereffecten. De computer nam een loopje met mij. Intussen heb ik geleerd om de computer voor mijn eigen doeleinden te gebruiken. In de opleiding Mixed Media kon ik dan wel weer ruimtelijk werken. Op die manier zit die dualiteit dus ook doorheen mijn leven verweven.

Tijdens mijn studie heeft men mij vaak gezegd dat ik moest kiezen tussen de virtuele of de fysieke wereld, maar ik ben ervan overtuigd dat mijn sterkte en rijkdom net in de combinatie van deze twee werelden zullen liggen. Een logisch gevolg op termijn is dan ook om in het atelier de zaken te onderzoeken die virtueel onmogelijk zijn, en virtueel de dingen te onderzoeken die onmogelijk in de fysieke werkelijkheid te realiseren zijn. Ik moet iedere wereld haar eigenheid laten en deze optimaal benutten. Spelen met de beperkingen en mogelijkheden van een bepaald medium, en daarin een uitdaging gaan zoeken om die te verbuigen.


Dus het ping-pong spel van het zoeken naar uitdrukkingsmiddelen voor uw ideeën zorgt ervoor dat het ene het andere aanvult en dat je het ambachtelijke niet teloor laat gaan?

Ervinck: Voor mij is het belangrijk één bepaalde sculptuur te gaan onderzoeken in verschillende media, want elk medium heeft een andere aanvoeling. Ik vind het boeiend te ontdekken hoe een werk gaat aanvoelen in een ander medium. Het warm water zal niemand meer uitvinden en vernieuwend zijn als kunstenaar is heel moeilijk, maar wat mij kan onderscheiden is het feit dat ik een poging doe de kennis van de digitale wereld mee te nemen naar de fysieke wereld en omgekeerd. Op die manier tracht ik een soort bevruchting te krijgen tussen die twee werelden.


Hoe verhouden uw uitdrukkingsmiddelen zich tegenover elkaar? Hoe ga je concreet te werk? Vanuit welke invalshoek?


Ervinck: Ik vind het interessant te werken door verschillende media tegenover elkaar in dialoog te plaatsen. Als de toeschouwer een print ziet en daarnaast de fysieke maquette kan hij het werk vlugger in het andere medium transporteren.


Wat is dan belangrijker voor je, de inhoud of de vorm?

Ervinck: Inhoud is van onmisbaar belang maar een goede vorm kan al een sterke inhoud op zich zijn. Maar niet iedereen ziet kunst op die manier.


Je werkt inderdaad altijd met duurzame materialen. Zet je je daarmee af tegen de wegwerpcultuur?

Ervinck: Enerzijds gebruik ik duurzame materialen uit respect voor mijn werken. Musea zitten nu met de handen in het haar voor hun collectie Hedendaagse Kunst, die constant om restauratie schreeuwt. Anderzijds zet ik me inderdaad af tegen een wegwerpcultuur. Dat is ook deels de reden waarom ik mijn prints nog steeds klassiek inkader achter glas of een sculptuur op een sokkel plaats.

Waar situeer jij je belangstelling voor materialen?

Ervinck: Mijn werk is in eerste instantie een uitdeinend archief van beelden en vormen, waarin ik op zoek ben naar de wisselwerking tussen virtuele constructies en handgemaakte sculpturen. Je zou het kunnen formuleren als een soort van wederzijdse bevruchting tussen de virtuele en de fysieke wereld. De digitale beelden besmetten voortdurend de driedimensionale vormen en omgekeerd. Ik hou ervan de tegenstelling tussen de cleane, egale, bijna industriële vormen en de eerder organische, brute materie zoals verfklonters, aardkorstachtige, betonachtige materie weer te geven. Op deze manier ga ik ook echt de dualiteit opzoeken tussen bepaalde vormen die onmogelijk virtueel te maken zijn en vormen die bijna onmogelijk in realiteit te realiseren zijn. Mijn werk maakt het net boeiend wanneer ik deze twee werelden tegenover elkaar kan plaatsen. Maar ik wil ook de eigenschappen van bepaalde materialen zoals hout, polyester of gips te leren kennen. Op deze manier ben ik mij ook bewust van de mogelijkheden en beperkingen van het materiaal, eenmaal ik met dit materiaal virtueel ga ontwerpen.

Hoe meer ik in de virtuele wereld bezig was, hoe meer de drang kwam om deze virtuele wereld opnieuw in de realiteit te plaatsen en fysiek te ervaren. Maar ook de drang om deze beelden in de realiteit zo perfect en clean mogelijk te maken, zoals ze virtueel ontworpen zijn. Op zoek gaan naar dat bijna onmenselijke, goddelijke, een object dat bijna niet meer van onze wereld is, iets buitenaards.


Je bent een ‘krak’ om een ruimte tot kunst te verheffen. Zo heb je dat ook gedaan bij ODETTE in Oostende, waar je de ruimte samen met Boy en Erik Stappaerts tot een ‘sociaal utopisch clubhuis’ ombouwde. Jouw sculptuur is bedacht als antwoord op de dansvloer. Hoe heb je dat aangepakt?

Ervinck: De plannen van een klassieke tentoonstelling werden tijdens een eerste gesprek reeds vlug verlaten. We wilden in dialoog gaan met de George Vantongerloo expo in het PMKK. Daarvoor vertrokken we van de Aubette van Straatsburg waar Theo Van Doesburg, Hans Arb en Sofie Tauber samen een danszaal hebben ontworpen, om zo onze eigen danszaal te ontwerpen. Boy ontwierp de dansvloer en ik een sculptuur die multifunctioneel was, gebaseerd op het alfabet van Theo Van Doesburg. Een sculptuur, bestaande uit 28 letters, die als bouwstenen dienden voor mijn sculptuur. Het ontwerp was niet zomaar een ingeving maar het resultaat van een zoektocht waar wel een 200-tal ontwerpen aan voorafgingen.


Je doet mee met de groepstentoonstelling ‘Een repliek’ in Galerij Kunstzicht. Niet toevallig dat je de ODETTE hebt nagebouwd op een kleinere schaal als een repliek op je expo daar. Waarom wou je die opnieuw maken? Vond je het niet vervelend met dezelfde sculptuur bezig te zijn, wat uiteindelijk hard manueel werken betekende?

Ervinck: De ODETTE van Oostende is helaas afgebroken, het was een tijdelijk project, dus met die maquette kan ik er een blijvend karakter aan geven. Hoe ik het opgesteld heb in kunstzicht geldt ook als een soort documentaire, een ode aan dat moment. Naast de maquette hing er een foto van de originele ODETTE en een foto van een plattegrond die bijna een abstract schilderij wordt. Bovendien hangt er een digitale print van hoe de sculptuur er zou kunnen uitzien in een park. Die maquette gaat terug leven in combinatie met die prints. Die maquette is gemaakt op een schaal van 1/10e, ook die schaalverhouding is belangrijk om te ervaren. Maar ODETTE krijgt in de toekomst zeker wel nog een staartje.


Je herwerkt soms je sculpturen en prints. Is dat omdat je vindt dat je product niet af is?

Ervinck: Ik wil eigenlijk nooit dingen herwerken en ik haat het als ik kunstenaars 500 keer hun werk zie herwerken, want ik hou ervan mezelf telkens opnieuw uit te dagen en nieuw werk te maken. Maar bepaalde vormen blijven hangen in mijn hoofd, ik voel dan dat het nog niet ‘af’ is en op die manier kan ik de noodzaak voelen om een bepaalde sculptuur te herwerken en nog scherper te plaatsen.


Je hebt ook nog een expo in Kunstverein Ahlen in Duitsland in het vooruitzicht. Wat ga je ons daar laten zien?

Ervinck: Deels door de niet evidente ruimte, plan ik hier, na vijf jaar, terug een solotentoonstelling met kleine sculpturen, objecten en maquettes. Nieuw werk in combinatie met nooit eerder vertoonde vroege sculpturen.


Van waar je terug grijpen naar kleine sculpturen?

Ervinck: Het is enerzijds een soort van geëvolueerde rust en ervaring. Ik kan nu meer geduld en een betere beheersing opbrengen om klein werk te maken. Bij maquettes kun je soms ideeën vlugger uittesten en klein werk heeft natuurlijk een heel andere aanvoeling. Mijn passie blijft grote sculpturen maar bij de kleine sculpturen probeer ik dan ook terug de extremen te gaan opzoeken. Niet onbelangrijk is natuurlijk dat deze ook handiger te stockeren zijn.


Slaap jij eigenlijk wel acht uur per nacht? Want naast je lesgeven heb je een ongelooflijk druk tentoonstellingsprogramma. Kan je trouwens niet rondkomen zonder dat lesgeven?

Ervinck: Soms doe ik een naïeve poging om minder te slapen maar uiteindelijk moet ik die tijd steeds terug inhalen. Ik heb helaas wel degelijk mijn 8 à 9u slaap nodig. Het is best grappig om te zien hoe mensen naar elkaar opkijken en zich afvragen wie al dan niet van zijn kunst kan ‘leven’. Het is allemaal zeer relatief. Mijn investeringen blijven nog steeds veel groter dan mijn inkomsten.


Hoe kan je dat alles bolwerken?

Als jonge kunstenaar moet je prioriteiten in het leven stellen, dus alles wat ik doe staat in functie van mijn kunstpraktijk. Alles is daarop geconcentreerd. Mijn tijd, mijn financiële middelen. Elke euro die ik verdien investeer ik weer in materialen voor sculpturen. Volgens mij is het enkel op die manier dat ik het kan bolwerken. Je moet veel opofferen om de vrijheid te kunnen verkrijgen om met kunst bezig te zijn. Soms ben ik daar wel extreem in.


Je won onlangs de Rodenbach Fonds Award en de publiekprijs Nieuwe Media van de stichting Liedts-Meessens . Hoe belangrijk vind je dat om een prijs te winnen en dat er gepraat wordt over je kunst?

Ervinck: Die wedstrijden zijn mooi meegenomen, want er hangt vaak veel aan vast zoals een expositie, prijzengeld en even ‘in the picture’ komen. Sommige kunstenaars willen niet aan wedstrijden deelnemen, maar voor mij is dat alvast een mooi platform geweest. En natuurlijk is het belangrijk dat mensen over je werk spreken.


Je hebt de kunst niet van thuis uit meegekregen, wanneer is die Kortemarkse kunstkriebel er dan toch gekomen?

Ervinck: Van zover ik kan denken ben ik met Legoblokken aan het spelen en kunst zie ik misschien ergens in het verlengde daarvan. Ik heb er trouwens nooit echt mee gespeeld, maar altijd gebouwd met die blokken.


Als je luidop mocht dromen, wat is het ultieme ‘Nick Ervinck orgasme’?

Ervinck: Toen ik voor het eerst begon tentoon te stellen, ergerde ik mij vaak aan de kleur van de muren of het plafond, aan de belichting of een bepaalde vloer, een muur die verkeerd stond. Kortom, ik had geen volledige controle over de ruimte. Daarom ontstond de droom, het idee en de behoefte om een eigen, volledig controleerbare ruimte te bouwen waarin ik plafond, vloer en binnenkant volledig zou beheersen. De sculptuur XOBBEKOPS was voor mij een voorstudie voor een eerste volledig controleerbare ruimte. XOBBEKPOS is eigenlijk een maquette van ongeveer 1 x 1 x 1 meter. Het is de bedoeling dit ooit op waar formaat te maken, zoals de werktekening al aangeeft. Dit zou dan een te betreden 'ruimte' van 2,5 x 2,5 x 2,5 meter worden. In reëel formaat zou je dit aan de zijkant kunnen betreden. Maar zoals bij al mijn werken kun je ook dit werk vanuit verschillende invalshoeken benaderen. XOBBEKOPS is voor mij zowel een ruimte, een maquette, een sculptuur als een voorstudie voor een monument/gebouw. Het zweeft tussen abstract en figuratief tegelijkertijd. Het is verbonden met architecturale en sculpturale theorieën. En op deze manier is het weer binnen een zeer breed kader te plaatsen. Maar natuurlijk merk je dat je stap voor stap naar een dergelijke uitdaging toe moet werken. Uiteindelijk droom ik ervan dat ik mijn eigen ruimte meebreng die bezoekers kunnen betreden.


Maar in feite leef je al in je eigen droom?

Ervinck: Eigenlijk wel. Ik droom van een bepaalde totaalruimte. En alles wat ik doe zijn stappen daar naartoe.


Je weet dan ook exact waar je naartoe wilt als kunstenaar?

Ervinck: Ik weet precies waar ik naartoe wil, maar dat ‘precies’ kun je natuurlijk zeer ruim en genuanceerd opvatten. Er zijn nog heel wat stappen die ik verder wil ontwikkelen en die op me liggen te wachten. Ik heb wel een bepaald doel waar ik naartoe werk, ook al is dat in het begin niet altijd even duidelijk. Ik probeer ook telkens als ik iets maak of doe er voor mezelf een nieuwe uitdaging in te zoeken en iets nieuws uit te proberen. Op deze manier kun je ook evolueren met je werk en blijf je niet ter plaatse trappelen.


Nick, waarom heb je vandaag uw gele sportschoenen niet aan?

Ervinck: Ik heb ze weggeschonken. In het voorjaar kreeg ik een telefoon: ‘mogen wij uw gele atelierschoenen hebben?’ Een verzamelaar uit Kruishoutem heeft er een permanent museum opgezet voor kunstenaarsschoenen, ‘Shoes or no shoes’ genaamd.


En je mist je gele schoenen niet?

Ervinck: Jawel! Als iemand een adres kan geven waar je mooie gele schoenen kan kopen, geef maar een seintje!


Dank je Nick voor het toffe en boeiende gesprek!

Hilde Van Canneyt, Gent, zat. 22 dec. ’08.

www.nickervinck.com


Agenda

Replikeer - Gent, B 13/11/2008 - 19/12/2008
Ware Liefde, 30 jaar Kunst in huis, De Markten - Brussel, B 14/11/2008 - 21/12/2008
G08+1, Verbeke foundation – Kemzeke, B 29/11/2008 – 24/05/2009
TAKE-OFF 2009, Koraalberg - Antwerpen, B 10/01/2009- 24/01/2009
GNI-RI jan2009, BerlinBerlin – Berlin, D 16/01/2009 – 22/02/2009
GNI-RI jan2009, Kunstverein Ahlen, D 18/01/2009 – 22/02/2009 (cat.)
SuperStories, 2nd triennial of contemporary arts, fashion and design – Hasselt, B 07/02/2009 – 10/05/2009 (cat.)

interview met stijn cole



Ik ontmoet de veelzijdige kunstenaar Stijn Cole (°78) in zijn gezellig atelier te Sint-Amandsberg.

Hallo Stijn. Je maakt zowel video’s, sculpturen, maquettes, installaties, mixed media en schilderijen. Hoe ben je ertoe gekomen zo breed te gaan in uw media om uw verhaal te vertellen?

Stijn Cole: Ik ben afgestudeerd in de reclame en vervolgens in de beeldhouwkunst. De keuze voor verschillende media is omdat ik het beperkend vind me vast te pinnen op één medium om mijn verhaal te vertellen. De inhoud van mijn werk draait allemaal om eenzelfde horizon. Ik kies in functie van het werk welk medium er op dat moment bij past. Voor mij is het een belemmering alleen maar op doek te denken of in 3D te werken. Sinds 2005 heb ik bijvoorbeeld geen enkele sculptuur gemaakt. Als het er weer eens van komt, is dat omdat dat nodig zal zijn voor het werk in kwestie, maar nu heb ik er geen behoefte aan. De werken in de Witte Zaal kregen een meerwaarde door ze te schilderen, dus heb ik met dat medium gewerkt. Een medium moet een conceptuele keuze zijn denk ik.

Je vertrekt dus altijd uit dat denken van waaruit je dan je medium bepaalt? Denk je er dan nooit eens aan rond een ander thema te werken?

Cole: Tja,...het is niet dat ik daar niet open voor sta, maar ik kom steeds bij een verlengde van mijn eerder werk terecht.

Wanneer ben je begonnen met dat thema landschap, de horizon? Was je daar al lang mee bezig? Wat fascineert je daar zo aan?

Cole: Ik wil mijn werken eigenlijk niet zien in functie van het thema landschap. Het gaat meer over het licht. Hoe elk object of elke uiterlijke vorm afhankelijk is van het licht dat erop valt; kleur is afhankelijk van de intensiteit van het licht dat erop weerkaatst. Mijn werken gaan daar over. Hoe een beeld zich voordoet onder bepaalde omstandigheden en hoe dat afhankelijk is van het licht van buiten.
In de opleiding beeldhouwkunst werden we nogal conceptueel gestuurd. Er waren kunstenaars die hun toevlucht namen tot wat ze zelf meemaakten, maar in mijn geval vond ik dat niet heel boeiend. Anderen waren dan weer politiek of sociaal geëngageerd, maar dat zei me ook niks. Dus heb ik een onderwerp genomen dat iedereen ziet en waarmee men constant geconfronteerd wordt en waar elke vorm van kunst over gaat: hoe doet een voorwerp zich voor en hoe ervaar je dat? Ik wou dat uitzuiveren tot ik er een boodschap aan overhield. Mijn inbreng is zeer miniem, ik zuiver uit en ik puur uit totdat ik tot een goeie manier kom om een idee duidelijk te maken. Op die manier leg ik het vast. Die beslissing is mijn inbreng. Een voorbeeld zijn mijn tijdsbalken die fotografisch zijn uitgevoerd. Hier vertrek ik ook van een waarneming, een registratie en dan smijt ik alles over boord totdat ik bij de essentie beland.

Zo doe je dat ook met je werken in twee kleurdelen: we zien een blue key en een green key (een blauw vlak op een groen vlak) dat je tot een landschap herleidt.

Cole: Die compositie heb ik op verschillende plaatsen gebruikt. Zo heb ik in Duitsland in een verduisterde ruimte een volledige muur in het blauw en groen geschilderd met de grens op mijn ooghoogte. Daar werden dan lichtvlakken op geprojecteerd waardoor dat stuk van die muur weer zichtbaar werd. Ik had een selectie gemaakt van 84 landschappen van meesters uit de kunstgeschiedenis met een oneindige horizon. Daarop waren de lichtvlekken gebaseerd. De horizon is het punt waar een landschap subjectief wordt. Omdat je een landschap waarneemt vanuit je eigen perspectief. Dat vertaalt zich in de positie van de horizon.
Stel dat ik die geschilderde landschappen wil waarnemen op een manier dat ze weer vensters worden op de realiteit, dan moet ik die horizonlijn in die landschappen gaan aanpassen op mijn ooghoogte. Dat heb ik ook letterlijk gedaan in het museum Dhondt-Dhaenens. Daar heb ik enkele werken uit de collectie opgehangen met de horizon op mijn ooghoogte.

Waarom die confrontatie met die oude landschapsschilderijen?

Cole: Omdat de collectie van Dhondt-Dhaenens sterk geënt is op de Latemse school waar landschapsschilderkunst een belangrijke plaats had. Ik wou die schilderijen weer als waarnemingswerken zien, als vensters. Bij een waarnemingstekening dient de horizonlijn of de ooglijn als de basis waarop de rest is gebouwd. Je neemt een werk nadien eigenlijk nooit meer waar zoals het ontstaan is.
Door die horizonlijn terug op ooghoogte te plaatsen komen de werken mijns inziens dichter bij de realiteit. Dit wil ik laten zien aan de kijker. En met daartussen die green- en bleu keys, tevens ook gebruikt als achtergrondkleur in tv opnames, kan je daar dus elk mogelijk beeld mentaal inplaatsen. Op die manier kan het dus elk mogelijk ander landschap zijn.

Licht en kleur zijn de basisbestanddelen in je werk, kan je daar oneindig op doorgaan denk je?

Cole: Neen, elk werk is een voortzetting van het vorige, naar sommige pistes zal ik nog teruggrijpen als kapstokken in bepaalde werken of opstellingen zoals ik nu heb gedaan met het werkje in de hal van de Witte Zaal. Andere elementen zullen in de nieuwe werken binnensijpelen. Het is een beetje moeilijk om dit nu reeds te voorspellen. Ik denk wel dat op het einde van de rit een coherent geheel zal gevormd zijn. Al valt ook dat moeilijk te voorspellen.

Jouw werk wordt gelinkt aan de minimal art. Word je daardoor beïnvloed of wat heeft je daarin aangetrokken?

Cole: Het is zo dat het minimale denken absoluut geen uitgangspunt is en eigenlijk ben ik er zelfs niet door beïnvloed. Ik kom uit een familie waar de artistieke voorkeur naar een minimale vormgeving uitging, ik ben erin opgegroeid. Mijn voorkeur voor vormen en beeldtaal gaan wel uit naar vormen en beeldtaal die strak en minimaal zijn. Door het uitzuiveren en uitpuren, het overboord gooien van overbodige elementen kom ik nu eenmaal tot minimale beelden, maar ik worstel daarmee. Ik wil daar enerzijds van los komen en anderzijds ook niet.

Weet je altijd voor je aan een werk begint wat het eindresultaat zal zijn?

Cole: Ja, eigenlijk wel. Het is wel altijd een lange zoektocht naar wat het zal worden, maar het eindresultaat is vanaf een gegeven moment altijd heel duidelijk.

Voor spontaniteit is dus weinig plaats?

Cole: Wel, voor de schilderijen in de Witte Zaal was het de eerste keer dat het resultaat op voorhand ongekend was.


In de Witte Zaal zijn inderdaad voor het eerst twee schilderijen te zien. We zien vierkante vakjes in verschillende kleuren die afgeleid zijn van een landschap. Onderaan zijn tijd en datum aangegeven. Dezelfde datum met 1,5 uur verschil in tijd.

Cole: Mijn werken gaan altijd eerst door een digitale filter. Op de computer zet ik kleuren om. Ook bij die schilderijen. Mijn uitgangspunt was het hyperrealisme. Dat idee van het nabootsen van een beeld is iets dat me eigenlijk niet interesseert. Ik heb hier het vormelijke weggegooid en hield dus alleen de kleur over. Ik heb een filter doorgevoerd die op internet automatisch gebeurd. Elk beeld dat op internet geplaatst wordt en dat dient als venster op de wereld wordt gerenderd naar 256 kleuren.
Zo heb ik twee foto’s van eenzelfde landschap op verschillende momenten op die manier gerenderd. In plaats van de kleuren in een volgorde te zetten dat ze een beeld vormen, heb ik ze van licht naar donker geschakeerd. Die schilderijen zijn eigenlijk 256 vlakjes, bovenaan wit en onderaan komen we bij zwart uit met alle kleuren ertussenin. Onder invloed van de intensiteit van het licht zijn die twee landschappen helemaal anders.
Ik laat dus een doorgedreven abstrahering van het landschap zien vanuit een conceptueel gegeven, niet vanuit het uitgangspunt van het beeld.

Een soort analyseren van het landschap?

Cole: Inderdaad, als ik bijvoorbeeld gewoon twee foto’s had getoond van een landschap, hadden mensen blijven steken in dat beeld. Maar nu zie je alleen maar kleuren en geen overbodige formele informatie.

En van waar dan de keuze van het medium verf?

Cole: Eerst wou ik ze gewoon printen, maar die uitkomst was op dat formaat plat en vlak. Die handeling van het mengen van verf was eens iets dat ik niet kon overlaten aan de computer. Mijn andere werken zijn meer het uitvoeren van een idee zonder veel afwijkingsmogelijkheden. Bij die schilderijen was dat niet zo. Ik ben er aan begonnen met volle goesting en voelde al gauw dat het mijn ding is. Omdat je die schilderijen niet in de hand hebt, heb ik dan ook voor het eerst het gevoel dat ik in mijn atelier ‘gewerkt’ heb. Ik had geen ervaring met het medium, ik ben ook geen schilder en voor mij is het ook geen schilderkunst. Voor mij was die keuze voor verf een conceptuele keuze. Ik wou mijn beelden een soort kracht meegeven die ik in een ander medium voor dit werk niet vond.

Deze twee werken ogen dan ook veel warmer dan het koele werk dat we meestal van je zien. Is die koelte in je werken bewust?

Cole: Mijn werken zijn -denk ik- afstandelijk, omdat ik er tot nog toe elk persoonlijk element uit verbannen heb. Maar met mijn schilderijen ben ik dat voor de eerste keer te buiten gegaan. Ik heb het gevoel dat ik een scheve schaats heb gereden ten opzichte van mijn eigen uitgangspunt. Blijkbaar is dat eigen aan het medium. De handeling schilderen kan je niet los van jezelf zien. Mijn andere werken bleven tot aan het resultaat digitaal.

Maar kan je dan nog spreken van kunst als de meeste van je kunstwerken uit de computer rollen?

Cole: Ja, natuurlijk. Ik ben degene die de keuzes maakt en die de concepten bedenkt. De inbreng van mijn persoonlijke toets of schriftuur heeft eigenlijk geen meerwaarde, dus hoeft het er ook niet bij.

Wat wil je de kijker vertellen met je installatie in de Witte Zaal die bestaat uit twee lichtbakken gescheiden door een muur? In de ene ruimte zien we groen licht, Spring Green geheten, de andere ruimte baadt in roze licht en heeft als naam Tulip Pink.

Cole: Het is voor mij een andere manier om hetzelfde te vertellen. Je krijgt in die lichtbakken de basiskleur van een kleur, dit is het verlichte gedeelte. De andere kant is een onverlicht gedeelte, dus die kleur wordt bepaald door de lichtintensiteit die er op dat moment in de ruimte aanwezig is. Je ziet dus constant hoe die kleur zich op dat moment voordoet en hoe die kleur als basiskleur is. Als je dat werk in een heldere omgeving zou zien is er geen nuance tussen die twee.

Je wilt ons dus doen stilstaan bij die kleurintensiteit van het licht?

Cole: Inderdaad. Neem nu een beeldhouwwerk, uiteindelijk kijk je niet naar dat beeldhouwwerk maar wel naar de vorm van dat beeldhouwwerk onder invloed van het licht in die ruimte. Als je dat ziet in een catalogus is dat perfect uitgelicht, maar als je kijkt in de omstandigheden van dat moment moet je er de omstandigheden bij nemen. Je beseft dat meestal niet omdat ook de vloer, plafond en muren ook onder invloed van dat licht zijn.

Heeft je werk meer een esthetische of symbolische waarde voor jou?

Cole: Bij de subsidiecommissie hebben ze mijn werk beschreven als te formeel. Maar dat klopt niet, het is juist het tegenovergestelde. Het vormelijke is ondergeschikt. Het symbolische, conceptuele is belangrijk. Het esthetische resultaat is puur een gevolg van dat concept. Als je alles weggooit wat stoort krijg je sowieso een puur en mooi beeld.

Vind je als je werk ergens geëxposeerd wordt dat de kijker zelf moet invullen wat je wilt vertellen? Of vind je dat er duidende tekst bijhoort om ons te informeren over het wat en hoe van je werk?

Cole: Ik vind het een noodzakelijkheid in mijn werk. Mensen interpreteren mijn werken soms anders dan ik ze wil vertellen, op dat moment staan ze niet naar mijn werk te kijken vind ik. Er is plaats voor interpretatie: bijvoorbeeld bij de tijdsbalken ligt de sterkte van het werk in het naar eigen gevoel invullen van de kleuren door de toeschouwer. Maar het moet denk ik wel tussen de lijnen van mijn concept gebeuren.

Zonder tekst staat uw werk niet op zichzelf?

Cole: Het uitgangspunt dat een werk voor zich moet spreken vind ik zo achterhaald als maar kan. Met de bagage die ik meedraag versta ik maar 4% van wat ik zie. En die 4% zijn niet de interessantste.

Als je mocht luidop dromen, welke projecten zou je nog willen doen?

Cole: Ik heb een full-time job. Ik droom ervan constant tegen deadlines te moeten aanwerken en full-time in mijn atelier te kunnen zitten.

En dit kan je niet doen omdat je geen subsidies krijgt?

Cole: Ondermeer. Ik heb wel een vijftigtal projecten in de schuif liggen die ik wil uitvoeren, maar bepaalde zaken kan ik pas maken in functie van een ruimte. Dat is ook een reden waarom mijn schilderijen me zo bevallen. Ik kan ze voorbereiden en die dan afhankelijk van de ruimte ophangen. Maar bij mijn andere werken heb ik écht eerst die ruimte nodig om naar te werken en moet ik dus eerst uitgenodigd worden.

Hoe zie je jezelf ten opzichte van andere hedendaagse kunstenaars? Je werk kan je op het eerste zicht linken aan dat van Pieter Vermeersch.

Cole: Ik ken Pieter en diens werk, maar we zitten niet in elkaars vaarwater. Esthetisch kan je ons linken, maar daar houdt het ook op.
Tussen de andere kunstenaars weet ik niet hoe ik ertussen pas, want het is vier jaar geleden dat ik nog voor een groepstentoonstelling ben uitgenodigd. Misschien doe ik te weinig aan netwerking. Ik volg de expo’s wel, maar niet zoveel als zou moeten.

Wil je nog iets kwijt over de Belgische kunstscene?

Cole: Ik vind dat het idee van de subsidies totaal vierkant draait. Er zijn objectieve criteria maar ze tellen niet mee. Het systeem van 1000 dossiers waar men afgaat op de beelden is totaal achterhaald.

Hoe wil je dat ze je later herinneren als kunstenaar?

Cole: Ik weet nog niet hoe ik zelf zal evolueren, maar als ik morgen doodval wil ik wel herinnerd worden aan de expo’s die momenteel lopen.

Stijn, dank je voor het eerlijke gesprek.
Hilde Van Canneyt, zat 15 nov 2008

www.stijncole.com

www.wittezaal.be, expo loopt tot 7 dec '08.

www.ccknokke-heist.be, expo loopt tot 27 dec '08.



interview met Tinka Pittoors

Beeldend kunstenares Tinka Pittoors (°1977) ontvangt me in haar atelier in Gent. Tussen een kluwen aan materialen ondefinieerbare rommelobjecten kan je af en toe een klein sculpturaal pareltje aantreffen. Omdat ze deze maand aan drie groepsexpo’s deelneemt was het hoog tijd om deze jonge moedige kunstenares eens aan de tand te voelen!


Je hebt er een lange academische carrière van wel tien studiejaren opzitten. Zocht je die vertrouwde omgeving van leraars en schoolgebouwen bewust op?


Tinka Pittoors: Ik ben gestart met regentaat plastische kunsten, tot ik besefte dat lesgeven niks voor mij was, kunst wel. Daarna volgde ik vier jaar schilderkunst, maar besefte dat verf niet echt mijn medium was. Het ‘gevecht met de verf’ was niet mijn gevecht. Ik ben daar dan ook afgestudeerd met een tekenproject. Ik had een constante drang om met andere materialen dan met tekenpotloden te werken, zoals met hout en stof tekenen en mijn tekeningen zo naar het driedimensionale om te buigen. Alsof ik daar altijd een object in wou steken dat de tweedimensionale wereld tastbaar maakt. Ik wilde als het ware sculpt

uren tekenen, al wil dat niet zeggen dat ik al mijn sculpturen uitteken. Soms geeft een sculptuur aanleiding om te tekenen of een tekening aanleiding om een sculptuur te maken.

Nadien ben ik mixed media begonnen en dat was een echte revelatie! Vooral qua denken. In de schilderkunst lag de nadruk op een nogal afgevlakt denken, het oude romantische denken. In de mixed media lag de focus op het naar buiten kijken, terwijl in de schilderkunst de focus naar binnen gericht was.

Hier ben ik ook voor de eerste maal sculpturen en objecten beginnen maken. Ik ben constant op zoek naar materialen die aansluiting vinden bij de realiteit en dat heb je bij schilderkunst niet. Canvas en verf staan eigenlijk ver van de dagdagelijkse materialen.


Het visuele is voor jou erg belangrijk. Kleur, vorm en materie vormen één geheel,

met vormonderzoek als basis.


Als je naar mijn werk kijkt zie je goed die herkenbare basismaterialen. Ik voel daar een soort kwetsbaarheid in. Het werken vanuit die materialen noem ik ‘plastisch neologisme’: zoals je bij een neologisme in taal herkenbaarheid creëert, kan je dat ook doen door verschillende materialen uit de realiteit te combineren. Naast de realiteit organiseer ik een vrijplaats voor beeldend denken, die geënt is op de bestaande realiteit en voor mij daarom leesbaar. De evidenties en logica van het dagdagelijkse sluimeren daarin door maar krijgen een nieuwe betekenis of toevoeging. Ik wil een toevoeging maken op de werkelijkheid en die daardoor opentrekken, verrijken. Ik hou van de vertraging in kijken dat dit teweegbrengt.


Was je in de schilderkunst al bezig met dezelfde inhoudelijke draad als nu? Ik heb het dan over communicatie en netwerking versus identiteit.


Pittoors: Een werk is sowieso communicatie. Op het einde van mijn schilderkunstopleiding was ik bezig met de huid als communicatiemembraan. De afscheiding tussen mij en de buitenwereld: de vraag of de constructies die we om ons heen bouwen, afschermen of beschermen. Of het nu een huid, een huis, een stad of een landschap is, die vraag is toepasbaar op al mijn werk.

Een netwerk is vooral belangrijk in die communicatie want het refereert aan de steeds verschuivende verbanden en bewegingen binnen ieders omgeving. Een gigantische puzzel met een onnoemelijk aantal oplossingen. Zo schik en herschik ik ook constant mijn eigen werken binnen het geheel, waardoor het kan gebeuren dat een werk wordt gerecupereerd binnen een vernieuwd denkkader.

Identiteit valt terug op een soort vrijplaats om mijn sculpturen vorm te geven en dan terug te koppelen naar mijn omgeving. Dit noem ikzelf een ‘parallelle sculpturale realiteit’, een heterotopische omgeving van waaruit op de wereld kan gereflecteerd worden.


Je maakt sprookjesachtige, surrealistische mini-Tinka-universumpjes. Hoe belangrijk is dat voor jou door de ‘grote’ wereld begrepen te worden?


Pittoors: Zoals ik al zei is kunst communicatie, dus vind ik het belangrijk dat die dingen gelezen worden. De uitkomst van die lezing vind ik minder belangrijk.


Eens de kijker je werk gelezen heeft moet hij voor zichzelf dus gaan uitmaken wat hij ermee doet?


Pittoors: Hij moet daar inderdaad zelf een weg in vinden, het zichzelf toe-eigenen, dit is het engagement van de toeschouwer. Ik wil niet pamfletair zijn, geen lineair verhaal vertellen, niet op narratieve wijze iets verkondigen. Zeker geen waarheid of groot verhaal doen. Mijn werk sluit meer aan bij de kleine hoekjes van de wereld dan bij de grote golven die er doorheen gaan.


In je zelfgeschreven tekstfragmenten – denkoefeningen op papier - haalde je een citaat aan van Rauschenberg: ‘My paintings are an invitation to look someplace else’.


Pittoors: De ruimte die wij rondom onszelf hebben geconstrueerd - het ‘bonzai-culturalisme - is een zeer beperkte fysieke en mentale ruimte. Dit kader oefent desalniettemin een enorme invloed uit op het vervolg van onze gedachten en handelingen. Het publiek dan uitnodigen om verder – elders - te kijken vind ik een prachtig uitgangspunt.


Je vindt dus dat we verder moeten kijken dan ons huisje-tuintje? Of kan je begrijpen dat iedereen die bescherming rond zich bouwt?


Pittoors: Ik begrijp die drang naar bescherming, daar betrap ik mezelf op. Ik wil de functie van al die daden begrijpen, of die wel effectief noodzakelijk zijn. Van huid naar huis. Je bouwt een huis enerzijds ter bescherming, maar anderzijds houdt je dat ook gevangen. Ik hou van die wisselwerking, dat tweesnijdende zwaard. Het huis is op dat moment puur een metafoor, hoe wij echt onszelf en onze omgeving vormgeven. Is het beschermend of negatief afschermend? Protectionistisch of xenofoob? Dat gaat verder dan die letterlijkheid van die huid maar bevraagt het totaal van waarde- en normsystemen.


Samen met Nele Tas en Karen Vermeren stel je momenteel tentoon in Antwerpen. We zien van jou heerlijk speelse tekeningetjes hangen, je hebt ze de naam ‘symboolmoeheid’ gegeven. Vanwaar die naam?


Pittoors: Ik hou ervan met taal te spelen. Die reeks is mijn denken op papier. Ik heb daar een enorme vrijheid in. Het is een database van input en output. Het zijn geen dagboekfragmenten, ik werk eraan in vlagen. Het zijn ook geen voorstudies voor sculpturen, ze staan op zichzelf. Een gedachtestroom… Het belangrijke voor mij aan die reeks is om de overkill aan beelden aan te kaarten, als reflectie op de zapcultuur. Als een soort inkijk…


We zien in je tekeningen veel wortels, takken en verbindingen. Wat is de oorsprong daarvan?


Pittoors: Ik vind die takstructuur enorm belangrijk. Die structuur komt vaak terug op verschillende niveaus: bloedvaten, zenuwbanen, netwerkstructuren via internet…. Deze structuur is organisch en natuurlijk, maar wij gebruiken hem ook in een gecultiveerde versie. Computers zijn zo opgebouwd, taal, artificiële intelligentie, alsook mijn eigen denkstructuren waarbinnen ik mijn werk probeer te kaderen.


We zien in Antwerpen ook een lage sokkel met een vijftal kleine sculpturen in diverse materialen, o.a. een boomstructuur onder een stolp met als titel: Junkle.


Pittoors: Dit werk past binnen het landschapsdenken. Het is een parodie op ons verlangen naar een maakbare realiteit. Die reflecteert op de manipulaties van groenzones zoals stadsparken binnen een verstedelijkte context. Vermetele pogingen om de natuur in een keurslijf te dringen.


We zien ook nog een uit schijven opgebouwd ‘ding’ in legerpatroon. Vanwaar dat legermotief?


Pittoors: Naar aanleiding van het werken met handdoekmotieven ben ik op zoek gegaan naar een patroon dat universeel leesbaar is. Het is in zekere zin pijnlijk dat je op die zoektocht onvermijdelijk op het legerpatroon stuit, dat ook een sterke referentie naar het landschap geeft.


Blikvanger van de expo in Antwerpen is je monumentaal werk ‘Environmental behaviourism’.

Deze sculptuur is opgebouwd uit grote houten balken die met scharnieren zijn bevestigd en zich als het ware vanuit de kern ontvouwen. Wat wil je ons daarmee vertellen?


Pittoors: Deze sculptuur is ontstaan vanuit het idee om beweging in beeld om te zetten, als reflectie op een mogelijke interactie tussen een danser en een sculptuur.

De sculptuur nodigt dan wel uit tot manipulatie, maar die is door de zwaarte van het werk onmogelijk.Tijdens de tweede opstelling is de sculptuur beginnen leven en omgevormd tot een beweeglijk landschap, onder andere door de toevoeging van groene vlakken. Momenteel is de titel ‘Environmental behaviorism’ als grafisch beeldelement erbij gekomen in de vorm van oranje houten letters.


Terug méér communicatie met de toeschouwer. Je vindt dus dat de kijker recht heeft op meer uitleg?


Pittoors: Ja en nee. De titel is eerder een nieuwe betekenislaag dan een duiding.


Maar waarom wil je ons dit werk tonen? Waarom is het voor jou belangrijk dat wij dit werk zien?


Pittoors: Euch, uiteindelijk een heel evidente vraag…maar moeilijk om onmiddellijk antwoord te geven.


Je stelt ook tentoon in “De Markten” in Brussel naar aanleiding van 30 jaar “Kunst in Huis”, een vzw die kunst uitleent aan particulieren.



Pittoors: Hier toon ik de sculptuur ‘Lifestyle storage’. Het is de eerste maal dat ik een maquette op een zodanige letterlijke manier heb geïnterpreteerd. Met twee opstaande wanden, bezet met blinkende zwart-wit tegels in strak vierkantpatroon en daartussen

een groene vorm die eruit breekt. Bij deze sculptuur wil ik verwarring creëren over waar het zwaartepunt zich bevindt. Welk aspect domineert? Beschouw het als een gestolde beweging die alle kanten uit kan.


Op 29 november opent in de Verbeke Foundation de expo G58, waar jij ook aan deelneemt.


Pittoors: Het werk heet ‘Elementary domination’ en is opgebouwd uit schijven in legerpatroon. Het is belangrijk voor mij dat die zwevende sculptuur is geflankeerd door vier sterke spots op statief. De belichting is de efemere afbakening van die organisch gestructureerde vorm. Ik vind een verwijzing naar landschap ook hier heel belangrijk. Alsook het gevoel van mobiliteit en lichtheid, de fluïditeit van de vorm in tegenstelling tot de eerder dreigende connotatie van dat

legerpatroon.


Vind je het belangrijk om op zoveel plaatsen tentoon te stellen?


Pittoors: Ja, het is een zelfopgelegde reflectie. Naar aanleiding van expo’s ontwikkelt mijn werk zich. Ook de kijker geeft veel feedback. Je stelt jezelf telkens scherp.


Vanwaar je werkethos? Kan je je voorstellen dat je ooit iets anders zou doen?


Pittoors: Nee! Je zoekt een eindje en dan vind je wat je wilt doen en ik heb het gevonden!


Steek je een structuur in je dagdagelijks ‘kunst’ maken?


Sommige dagen is dat superduidelijk, vooral als ik aan grote sculpturen bezig ben. Het rode knopje op de wekker is daar ideaal voor...als de wekker afgaat en ik lig te snoezen maak ik een constructie van wat ik die dag zal doen.


Je legt jezelf dus elke dag die arbeidsethos op?


Pittoors: Ik wil iedere dag wel produceren, die regelmaat te hebben en minstens een zestal uur per dag ermee bezig zijn, maar dat kan evengoed ook lezen zijn. Ik heb wel een zekere traagheid in mij. Ik ben nu in een superinteressant boek bezig: ‘Landschap en herinnering’ van Simon Schama: hoe landschap in de loop der tijd veranderd is en hoe dit, variërend van land

tot land voor een andere filosofie staat.


Vind je het niet eenzaam om kunstenaar te zijn?


Pittoors: In het begin was dat moeilijk, maar meestal heb ik daar weinig moeite mee.


Hoe zie je jezelf evolueren in je kunst?


Pittoors: Dat is moeilijk te beantwoorden omdat ik dat vrijhoud. Ik ben momenteel bezig met een paar grotere installaties uit te werken. Monumentaal werken blijft een droom. Vroeger bleef het bij simulaties met photoshop. Het heeft natuurlijk ook te maken met budget en mogelijkheden die je via tentoonstellingen krijgt.

Sommige installaties krijgen een andere impact door de schaal te wijzigen, dat kan de hele ervaring van een werk bepalen. Het is ook altijd spannend naar de juiste materialen op zoek te

gaan om die uitvergrotingen te doen.


Hoe zie je jezelf binnen de scène van het hedendaags kunstveld? Wil je ook internationaal ook nog iets betekenen?


Dat is natuurlijk de droom! Je wilt op een bepaald moment je werken kunnen achterna reizen. Ik denk dat een tendens binnen de hedendaagse kunst terug naar sculpturaliteit grijpt. Ik situeer mijn werken op de scheidingslijn van abstract en figuratief denken. Niet enkel het concept is belangrijk, ook het zichtbare resultaat, de visuele impact en fysieke relatie met de toeschouwer, het kijken, het ervaren op zich. Ik hou van fouten in producten, die op een menselijkheid wijzen, geen strak afgewerkt resultaat. In details blijf je de menselijke handeling herkennen, blijf je de mens achter het werk voelen.


Bedankt voor het fijne gesprek!

Hilde Van Canneyt, Gent, zat 8 nov. ’08.


Tinka Pittoors, Nele Tas & Karen Vermeren

2 - 23 november ‘08

open zondag van 13u tot 18u

open dagelijks op afspraak: 0494 335841

Arte Falco

Fanconrui 33 - 47

Antwerpen

www.tinkapittoors.com

tentoonstellingsproject nav 30 jaar kunst in huis

van 14/11 tot 21/12

De Markten, oude graanmarkt 5, Brussel

http://www.demarkten.be/html/dmhoofd.htm


Verbeke Foundation: Expo G58

Van 29/11/08 tot 24/05/09

www.verbekefoundation.com

interview met kris martin

Kunstenaar Kris Martin (°1972) heeft me uitgenodigd in zijn stijlvolle werkkamer, annex 19e eeuws salon in hartje Gent. Rondom mij een gezellige mix van antiquiteiten en hedendaagse kunstobjecten. Op de vensterbank ligt een antiek bronzen beeldje van een gestorven vogeltje, alsof het nooit ergens anders gelegen heeft. Thee wordt me aangeboden op een zilveren plateau, in een antiek theekannetje, in mijn kopje blinkt een oud zilveren lepeltje. Zoveel is duidelijk, ik heb een echte heer voor me zitten.

Proficiat met je eerste solotentoonstelling in een Belgisch museum. Werd je al ongeduldig na al je grote projecten van Londen tot New York om eens in je eigen hometown tentoon te stellen?

Kris Martin: Ik ben altijd ongeduldig. Mijn slechtste eigenschap is ongeduld. En toen ik wist dat ik de expo in het Dhondt-Dhaenens had, kon ze niet snel genoeg af zijn. Ik was er niet op aan het wachten. Maar ik heb altijd gezegd, als ik iets doe in België is het in het Dhondt-Dhaenens met Joost De Clercq. Maar ik kan mezelf natuurlijk niet inviteren. Dus toen hij het me vroeg, heb ik zonder nadenken toegestemd.

Je wilt niet meedoen aan het populisme?

Martin: Populisme is een term van intellectuelen die ver van het volk willen staan. Ik heb daar een hekel aan. Ik ben een afstammeling van straatarme vlasboeren, ik kom uit het volk. Ik kan met een boer babbelen, maar ook met een koning. Ik ben een boer en koning tegelijkertijd. Ik heb een oprechte liefde voor alles wat volks is.

Maar uw kunst is eerlijkheidshalve toch niet voor het gewone volk bestemd?

Martin: Jawel. Het is alleen jammer dat sommigen zich mijn kunst niet kunnen permitteren.

Maar wel naar kijken en verstaan…

Martin: Absoluut.

Maar pretendeer je ook kunst voor het gewone volk te maken?

Martin: Jazeker. Lees er de zone09/ op na. Daar heb ik verteld dat de poetsvrouw in mijn kunstwerk exact begreep wat ik ermee bedoeld had en hoe een groot compliment ik dat vond. Je hoeft geen kunstgeschiedenis gestudeerd te hebben om te begrijpen wat ik doe. Je hoeft geen voorkennis te hebben. Ik pretendeer niks en wil niet pretentieus zijn. Een beeld is een beeld en moet zijn eigen leven kunnen leven. Mijn werken zijn soms heel cryptisch, maar toch verstaanbaar voor iedereen.
(Kris Martin haalt het voorbeeld aan van twee dobbelsteentjes
, nr. 1 en 6, begin en einde, leven en dood, die in die twee dobbelsteentjes worden belichaamd, voor Martin een gegeven dat voor iedereen verstaanbaar is.)

Nemen we nu als voorbeeld je Lacoöngroep, dé blikvanger van je tentoonstelling. Kunstkenners kennen dat beeld, anderen niet, dus die kunnen dat niet onmiddellijk linken.

Martin: Stel dat je de Lacoöngroep kent en je ziet mijn werk, dan kan je inderdaad het origineel in je hoofd vergelijken met mijn werk. Maar wat brengt dat beetje kunstgeschiedenis dat je kent bij aan dat beeld? Het essentiële is dat de toeschouwer drie figuren ziet, die een absurde dans uitvoeren in angst. Iedereen verstaat dat. Dus of dat nu die Lacoöngroep is of iets anders, maakt niks uit. Het gemis van de slangen is er alleen maar bij mensen die het werk kennen. Maar daar valt of staat het beeld niet mee. Angst is de essentie.

Een ander teder werk is dat kruisbeeldje dat als het ware zijn handen voor de ogen slaat. Is dat God die zich afkeert van de wereld of…?

Martin: Misschien wel. Het werk spreekt voor zichzelf. Een Christusbeeld dat zijn ogen sluit, dat zegt: ‘ik wil het niet meer zien’! Het heeft iets humaan, niet de Christus als superwezen die we gewoonlijk zien. Het is eigenlijk een superwezen dat zegt: ‘ik ben ook maar een mens’. Terwijl het meestal mensen zijn die zichzelf superwezens vinden. Deze Christus is mijn gast, ik roep hem niet aan om hulp te vragen. Hij is een gast die niet lastiggevallen wordt.

Aan de muur in Dhondt-Dhaenens hangt ook een omgekeerd trompetje. Het lijkt op een objet trouvé of een readymade. Of misschien zie jij dat meer als conceptuele kunst?

Martin: Ik probeer altijd de aandacht af te leiden. Het is niet meer dan een tutter die daar hangt. Ik was tijdens de opbouw van de expo naar mijn garagehouder gereden, zag die tutter daar tussen zijn afval en een uur later hing het aan de muur in Dhondt-Dhaenens. Het is een klaxon, een beetje een roep naar boven, zoals dat kruisbeeld, maar het is het zwijgen opgelegd, want er komt geen lucht meer uit.
Een werk leeft door te presenteren. Een werk in een huis, in het echte leven, lééft, terwijl een kunstwerk in een museum soms doodvalt. Alleen heb je dan wel de mogelijkheid je te focussen en te kijken. Maar ik heb nog altijd liefst een kunstwerk zelf in huis. In je peignoir naar beneden komen en naar een Picasso kunnen kijken, dat moet gewoon fantastisch zijn. Ik ben heel erg voor privébezit, ik ben zelf een enorme verzamelaar.

We zien in je expo een wit blad hangen met een subtiel rood bolletje. Wat wil je ons daarmee vertellen?

Martin: Dat is een zonsondergang. Een ‘evergreen’ in de kunstgeschiedenis. Al elfendertig miljoen kunstenaars hebben een zonsondergang geaquarelleerd of in olieverf geschilderd. En ik nu nog eens, daar zat écht niemand op te wachten.
Als je een zonsondergang in de zee bekijkt, dat is een bol die zakt in het water. Dus heb ik in een wateroplosbaar rood pigment een bolleke getekend, in water laten zakken, uit het water gehaald en gedroogd. Langs de ene kant heb ik hier controle over mijn handeling, maar wat het water met dat pigment doet heb ik niet onder controle. Zo heb ik er een stuk of dertig gemaakt en ze zijn allemaal compleet verschillend.

Wou je zo op je eigen manier een bijdrage leveren aan de kunstgeschiedenis?

Martin: Nee. Ik wou gewoon een zonsondergang maken. Maar ik ben geen schilder, dus heb ik heb dat gedaan op mijn manier. Mijn titel Sunset verwijst ernaar. Maar het is ook e en beetje een gevaarlijke titel, eigen aan het Westers denken. Iedereen die dit werkje ziet, denkt aan een zonsondergang, maar niet aan een zonsopgang. Wanneer ik dat presenteer in Azië, kunnen die mensen daar onmiddellijk een zonsopgang in zien. Dat witte vlak met die rode bol stelt trouwens ook de Japanse vlag voor... Bij ons is kadert dat beeld binnen het denken van het Avondland. Al de rest lijkt vreemd, en dat is gevaarlijk! Zo krijg je etnische, culturele en godsdienstige spanningen. Het is een andere visie op de wereld en het is heel grappig, want het is een val waar iedereen in loopt. Wij zijn romantici, bezig met wat kapot gaat, nostalgie. Wij zien dat beeld onmiddellijk als de zon die weggaat, terwijl de zon eigenlijk opkomt, maar wij zien dat zo niet omdat wij zo geconditioneerd zijn.

Op je tentoonstelling in Dhondt-Dhaenens zien we ook een print hangen met blauwpaarse kleurschakeringen die duidelijk verwijst naar verval, toch ook één van je stokpaardjes.

Martin: Dit werk hoeft absoluut geen uitleg, maar heeft natuurlijk wel een oorsprong. Maar ik onderschat mijn publiek niet. Je ziet er iets in of je ziet er niks in.

Is die oorsprong belangrijk voor de kijker om dit werk te begrijpen?

Martin: Ik wil het wel meedelen. Aan de Sint-Niklaaskerk was er jaren geleden een huis afgebrand en tussen het puin trof ik gesmolten lepeltjes aan, scherfjes en o.a. een diapositiefje, gedateerd augustus ’99. Dit kon een vakantiekiekje voorstellen, maar door de hitte en het water is die dia beginnen vervloeien. Alles was er dus nog: drager én pigment. Ik heb het beeld gescand en dit beeld toon ik ju llie nu.
Het is dus zuiver een objet trouvé, maar ik zet graag mensen op het verkeerde been. Want als de bezoeker dit werk ziet, denkt hij onmiddellijk: ‘aha, een abstract werk’. Als we hier nu een stukje marmer zouden nemen, noemen we dat dan een abstract werk? Het is gewoon een dia die een brand heeft doorstaan. Deze print past perfect binnen mijn oeuvre, ik had niet de intentie een abstract werk te maken.

In de witte ruimte hangt ook een ingekaderd bijgewerkt plakkaat met het woord ASSISTANCE op, tevens ook de titel van je tentoonstelling. Verwijs je hiermee ook naar de rest van je getoonde werken op de expo?

Martin: Dit plakkaat is ook een objet trouvé, gevonden op het strand in Portugal, maar ik heb het gecompleteerd met hetzelfde kleur- en lettertype. Waar is hulp? Waar is bijstand? Ik heb dat object geholpen. Maar heeft het daar baat bij?
We zien ook een pijl die naar nergens wijst. Je komt binnen als toeschouwer en in wezen ben ik het niet die dat werk moet ui t leggen. De tentoonstelling gaat erover dat ik vertrouw op het oog en de verbeelding van eender wie. Ik laat jullie zelf een beeld vormen. De toeschouwer moet zelf binnenstappen en op zichzelf terugvallen om uitspraken te doen of de expo nu interessant of ‘boring’ is.
Je hebt zelf je zintuigen om mijn expo te proeven. Waarom moet iemand naast u staan en zeggen wat goed of slecht is? Vandaar de titel Assistance, omdat je die in feite niet hebt. In een groter kader kan je het zien als –mijn werk is nogal doorspekt met religie- hoeveel hulp je ook vraagt, is die er of is die er niet?
Eigenlijk gaat het over het lot door de wereld te stappen met alle risico’s eraan verbonden. Weten we of ‘iets’ ons kan helpen of worden we sowieso geholpen of gestuurd? Dat is nogal onduidelijk. De expo is daarrond gebouwd, op de zelfstandigheid van én de mogelijkheden van de toeschouwer.
Ik ben gewoon op zoek naar contact met mijn toeschouwer, maar dit is een invitatie, geen verplichting. Dit is geen valse bescheidenheid van mijn kant, eerder een nogal ambitieus doel.

Vanwaar uw fascinatie met tijd, herinnering, geloof? Want opvallend is dat je altijd teruggrijpt naar objecten en thema’s uit het verleden. Heb je dat van thuis uit meegekregen?

Martin: Niet van thuis uit, neen. Ik ben gewoon gefascineerd door tijd. Tijd is alles. Alles is tijd. Maar tijd is een moeilijke dimensie in beeldende kunst.
In muziek is tijd een normaal gegeven, tijd is een conditie om een muziekstuk te doorlopen. Maar in de beeldende kunst heb je altijd een soort van bevroren tijd. De dimensie tijd is iets wat me enorm fascineert, als motief, niet als thema. Ik probeer alleen tijd als heel aanwezig te stellen.

Wil je de kijker laten stilstaan bij het gegeven tijd?

Martin: In het beste geval. En wat iemand er dan over denkt, zal ik ook nooit weten. Ik heb het gevoel dat ik nooit meer dan 50% toon van mijn werk, de andere helft wordt al dan niet gecompleteerd door de toeschouwer. Als die er wilt naar kijken tenminste.

In hoeverre vind je je zelfgekozen, soms bizarre titels belangrijk in je werk? Vind je dat je werken daardoor meer aan betekenis winnen?

Martin: Ik geef mijn werken titels zoals je kinderen een naam geeft. De titel wordt gevoed door het werk en niet omgekeerd. Het zou jammer zijn dat de existentie van een werk afhangt van een titel. Het heeft zeker te maken met wat ik wil vertellen en wat het werk is, maar mijn werk mag niet vallen of staan met de titel.
Mijn werk is sowieso al cryptisch, dat een titel veel kan verduidelijken. Alhoewel, wat is cryptisch? Wat je ziet is wat je hebt, je hebt niet meer en niet minder, je maakt zelf iets van je verbeelding of niet. Cryptisch kan duiden op gebrekkige informatie. Maar hebben we niet over alles te weinig informatie? Mysterie mag en moet er zijn! Ik wil niet alles blootleggen.
Al mijn werk komt voort uit mijn dagdagelijkse leven. Want ik ben gek van het alledaagse, het gewone, het normale. Alles wat ik maak komt uit mijn persoonlijk leven. Maar als ik persoonlijke zaken uit mijn dagelijkse leven vertel aan het grote publiek, is dat per definitie onbelangrijk.
De kunst is putten uit uw eigen particuliere ervaring om die in een beeld te transformeren naar iets universeels, waar iedereen iets aan heeft. Maar hoe til je uw klein particulier leventje op naar een universeel niveau? Dat is de moeilijkheid, want mijn persoonlijk leven is per definitie niet interessant voor een breder publiek.

Uw werk is doorgaans kwetsbaar en poëtisch, maar je daagt ons uit er een bepaalde symboliek in te zien. In hoeverre is dat een weerspiegeling van uzelf?Wil je ons doen stilstaan bij de fragiliteit van het leven. Ons doen inzien dat schoonheid in het kleine zit?

Martin: Als ik de kijker kan sensibiliseren ben ik al heel tevreden. Ik wil niemand in die richting sturen, maar als mijn werk een grotere gevoeligheid kan teweegbrengen bij bepaalde aspecten van het leven, zou ik al ongelooflijk tevreden zijn.

Hoe sta je tegenover Gent als verblijfplaats, werkplaats én uitvalsbasis?

Martin: Ik probeer zo weinig mogelijk te reizen, ik heb daar een hekel aan. Ik ben liefst thuis. Het is geen toeval dat mijn werkplaats thuis is. Ik laat mijn werk reizen en blijf zelf thuis. Een groot zwart informatiebord (mandi III) dat ik gemaakt heb is daar een goed voorbeeld van. Normaal reis je en kom je bord tegen in de vertrekhal van de luchthaven. Ik blijf thuis en laat dat bord rondreizen.

Achter iedere succesvolle man staat meestal een sterke vrouw. Wat is haar inbreng? Heeft de komst van uw piepjonge kinderen invloed gehad op uw werk?

Martin: Er gaat geen enkel werk buiten dat mijn vrouw niet is gepasseerd. Zij is de filter. Zij zegt ja of nee. Want zij heeft een ongelooflijk nuchtere en onbevangen kijk op de dingen.
Sinds mijn eerste kind ben ik driedubbel zoveel beginnen werken. Mijn kinderen motiveren me en confronteren mij duizend keer meer met het leven. Ze zorgen voor een onuitputtelijke voedingsbodem.

Een voedingsbodem als mens of als kunstenaar?

Martin: Als mens natuurlijk. Kunstenaar zijn is een toevalligheid, het kunstenaarschap is een aspect van mij. Ik ben niet 100% kunstenaar, totaal niet, dat is mijn job. In bed heeft mijn vrouw een man nodig, geen kunstenaar. Als ik kook ben ik geen kunstenaar, maar ben ik kok, ik maak geen ‘kunstenaarsspaghetti’. En bij mijn kinderen ben ik vader. Alleen als ik werk ben ik kunstenaar.

Waarom voelen de meeste kunstenaars zich dan 24/24 kunstenaar?

Martin: Zij hebben het recht om dat te voelen als zij dat voelen.

Wil dat dan zeggen dat je rationeel kunstenaar bent? Want op één of andere manier kan het toch niet dat je niet 24/24 bezig bent met je kunst?

Martin: In de genese van een werk speelt deels de ratio. Je maakt bepaalde keuzes op vlak van materialen en zo word je er ook aan verbonden en word je ook geconfronteerd met de beperkingen en de logica ervan. Als je een spetter verf op de muur zet dan weet je dat hij niet naar boven gaat druipen. Alles volgt de wetten van de natuur en de ene kunstenaar is daar iets meer mee bezig dan de andere.
Als ik mijn spaghetti ga maken als een kunstenaar, heeft niemand daar een lap aan als hij honger heeft. Ik ben nuchter in dat opzicht. Ik doe dat maar om één rede: overleving. Het is maar omdat ik bepaalde dingen noodgedwongen kan rationaliseren dat ik functioneer, dat ik overleef.

Voel je als kunstenaar de crisis-clash?

Martin: Neen.

Is het sowieso financieel haalbaar?

Martin: Ja.

Waarom doe je wat je doet?

Martin: Geen idee.

Dank u voor het warme hartelijke gesprek!

Hilde Van Canneyt, Gent, 31 okt. ’08.

KRIS MARTIN stelt zijn werken nog tentoon tot 30 november ‘08 onder de noemer Assistance in het museum Dhondt-Dhaenens, Museumlaan 14, 9831 Deurle. Info:http://www.museumdd.be/