interview met robin vermeersch


Met de trein van Gent naar Waregem. Het is eens iets anders. Op het station wacht beeldend kunstenaar Robin Vermeersch (°1977) me op met taart. Die wordt verorberd in zijn residentie in B-Part waar hij vier maand een ruim atelier tot zijn beschikking heeft.

Hallo Robin. Hoe ben je hier verzeild geraakt in je residentie in B-Part?
Robin Vermeersch: Een vriend van me, Hans Demeulenaere had hier twee jaar geleden een residentie en heeft me aanbevolen bij Patrick Ronse, de artistiek directeur en coördinator van Be-Part. Samen hebben we mijn werken bekeken en hij was ervoor te vinden me hier te gast te hebben. Ik heb het geluk hier vier maanden te mogen vertoeven in plaats van de gebruikelijke drie maanden.


We zijn nu aan het eind van die vier maanden. Wat heb je hier uiteindelijk allemaal verwezenlijkt?
Vermeersch: De opzet was een grote kijkdoos te maken. Ik ben altijd gefascineerd geweest door kijkdozen. Ik geef les in het DKO en daar geef ik ook altijd opdrachten met kijkdozen omdat je op die kleine ruimte een heel eigen wereld kan creëren. Vroeger had ik ook al eens een kijkdoos gemaakt van twee vierkante meter. Nu wou ik dat nog eens herhalen maar in plaats van met witte sculpturen zoals in mijn vorige box zijn het nu geschilderde beeld
en. Het zijn panelen uitgezaagd in triplex hout die je kan vergelijken met decorelementen van een klassiek theaterstuk. Deze zijn tweedimensionaal maar door het sterk licht-donker effect krijg je de illusie dat ze driedimensionaal zijn. Als ik die dan als in een toneeldecor achter elkaar zou zetten, creëer ik een voor- midden- en achterplan en krijg je een soort van eigen wereld. Ik wou herkenning creëren door bepaalde vormen, maar tegelijkertijd ontstaat er een eigen organisme. Dat was dus mijn opzet.
Normaal gezien ben ik niet goed in vooraf bepaalde concepten uit te werken en me dan daaraan vast te houden, ik hou niet van plannen. Het enige wat ik wist was welke sfeer ik wilde creëren. Deze residentie is een goed moment om vast te houden aan mijn uitgangspunt.

Je hebt die uitgesneden planken eerst willekeurig beschilderd en dan pas in de kijkdoos proberen in te passen?
Vermeersch: Ik heb inderdaad zonder rekening met de kijkkast te houden eerst die uitgesneden planken gesneden en beschilderd zoals ik het voelde. Die box staat hier al sinds september leeg te wezen. Ik overwoog zelfs om mijn box leeg te laten en mijn beschilderde planken los in de ruimte te laten staan. Dan ben ik met één plank begonnen en voor ik het wist stonden de meeste planken al puzzelend in de box. En daar horen ze ook vind ik nu. Hoewel ik het ook interessant vind mijn geschilderde panelen los in de ruimte te laten en de constructie van de achterzijde te laten zien, anders lijkt het of ik alleen de schone voorkant van de panelen wil laten zien. Maar uiteindelijk besef ik dat, als je start rond een duidelijk idee en daarnaar werkt, je dat toch moet volgen, want mijn geschilderde panelen werken blijkbaar niet als zelfstandige sculpturen. In de box werken ze beter omdat ik die panelen gemaakt heb om ze te laten samenvloeien tot een geheel en ze blijkbaar toch de geslotenheid van de box nodig hebben. Nu, na drie dagen mijn afgewerkte kijkbox te hebben bekeken, voel ik dat het werkt.

Was het een ander kunstwerk geworden als je van in het begin met je uitgesneden beschilderde planken stukje voor stukje naar je kijkdoos had toegewerkt?
Vermeersch: Ja, soms heb ik het nodig om tegendraads te zijn, tegen mezelf in en om mijn werken eerst helemaal uit elkaar te halen. Nu is het een sterker werk geworden, omdat ik niet bewust bezig was met de bouw van mijn kijkdoos en erna kon puzzelen en spelen met mijn panelen, zoals je een schilderij opbouwt.

Waarom schilderde je die planken in je typische organische vormentaal?
Vermeersch: Ik wou daar niet iets mee voorstellen, maar binnen mijn vormentaal herken je vormen die lijken op keien, planten, schelpen… Ik herwerk die vormen tot nieuwe organische beelden die ik dan schilder in een sterk licht-donker contrast met pastelachtige zachte kleuren. Het is niet de bedoeling dat je er concrete vormen kan in herkennen.

Hoe verschilt het werken hier in B-Part van werken in je eigen atelier? Een fris leeg atelier moet toch invloed uitoefenen? Een eigen atelier ligt toch meestal bomvol spullen, rommel en afleiding?
Vermeersch: Ik vond het inderdaad wel goed dat ik binnenkwam in een lege ruimte met alleen die kijkbox annex kubus die ik hier geplaatst had. In mijn eigen atelier ligt inderdaad alles in het rond en werk ik aan van alles tegelijkertijd. Hier was ik gedwongen ook eens iets af te werken. Ik wou hier bewust fysiek veel aanwezig zijn en het einde van die vier maanden zag ik als een deadline voor mezelf.

I
n Locuslux stond ik op een koude zondagmiddag helaas voor een gesloten deur, maar ik zag door het grote venster toch enkele werken van jou. Vertel eens wat ik van dichtbij gemist heb.
Vermeersch: Ik heb er een groepsexpo met Marc Nagtzaam en Boris Thibaut, gecureerd door Jan Denys. Ik toon er nieuwe kleurpotloodtekeningen, samen met een reeks wandsculpturen en een grotere sculptuur op een sokkel. Mijn nieuwe tekeningen zijn velden met allemaal kleine cellen die een bepaald ritme vormen, iedere cel is anders van vorm. Het organische en licht-donker contrast zijn echt voelbaar. Vroeger kon je in mijn tekeningen nog tunnels of landschappen ontdekken, nu wil ik er als een zoom nog dieper op ingaan, me in een vorm prangen. Je ziet nu ook meer herhaling van dezelfde structuren, maar alle structuren zijn anders. Ik heb mijn inspiratie uit de microscopie gehaald.
Aan de muur hangen een twintigtal wandsculpturen. Dat idee is gebaseerd op die vormpjes die je op een klimmuur ziet. Hoewel ik me minder schilder dan beeldhouwer voel, ben ik altijd enorm gefascineerd door wandsculpturen mét de muurschaduw die ze afgeven.
De grote sculptuur is een tunnel, ontstaan uit een tekening. Het idee van een binnenkant en een buitenkant van een vorm fascineerde mij. Als je binnenin kijkt zie je een soort grotstructuur en kom je in een andere wereld terecht, van buitenaf zie je een langwerpige abstracte vorm. Eerst had ik er een witte sokkel onder geplaatst, maar dat was te hard, de houten sokkel past beter bij dit werk, het is rudimentair en warm.

Als we op uw website naar uw zwart-wit tekeningen kijken, komen we terecht in een wereld van rasters, spiralen, kronkels, pijpen, gangen en doolhoven, veelal in evenwijdige zwart-wit lijnen. Vanwaar uw fascinatie voor die kronkels en co? Hoe ben je zo beginnen werken?
Vermeersch: Ik ben vertrokken van geabstraheerde portretten die ik via een arceertechniek met pen en inkt langzaam opbouwde en waar ik op zoek was naar de spanning van het portret binnen het blad. Ik wilde met het veelvuldige arceren een gelaagdheid creëren want ik wilde niet dat de tekeningen een vluchtig karakter hadden, er moet een hand in voelbaar zijn, ze moesten echt opgeladen zijn. Met deze reeks van tekeningen ben ik gestart in 2000 en gestopt in 2001.
In 2005 heb ik dan de techniek hernomen en ben ik vertrokken van één tekening in A4-formaat om wat structuur in mijn geest te brengen. De beelden die hier uitkwamen waren letterlijk hersenkronkels, later ben ik dan meer lineair gaan werken. Die A4-tekeningen zijn spontaan ontstaan uit bijvoorbeeld één bolletje, andere zijn op voorhand uitgedacht en uitgetekend met potlood. Door deze reeks tekeningen had ik weer meer voeling met mijn vormentaal, wat ik voorheen wat verloren was.

Hoe weet je dan waar zo’n beeld begint of eindigt?
Vermeersch: Dat groeit organisch, ik voel dat op een bepaald moment. Soms zie ik er een beeld in en ga ik daarop verder en begin ik er structuur in te steken.

Je tekeningen zijn niet echt vrolijk, ze hebben iets duisters.
Vermeersch: Ze zijn duister, maar niet zwartgallig, ze tonen een beetje de ‘onderkant’. Dat heb ik bij mezelf ook wel. Ik probeer dat laagje af te krabben en dat zie je bij die beelden ook, ik vertrek van binnenin mezelf en noem ze dan ook ‘beelden van de andere kant’. Maar er is ook altijd een ontsnapping mogelijk, alsof ik een stuk van een wereld wil tonen die er nog veel verder achter zit.

Je schilderijen zijn daarentegen eerder kleurrijk, hebben minder kronkels en lijken speelser. Is dat dan ook je ‘andere kant’?
Vermeersch: Ik denk het wel, ik wil nooit bewust diep en donker gaan. Soms is het letterlijk een tegenwicht dat ik dan met lichte vormen en kleuren werk. Maar zelfs in mijn kijkdoos met die lichte kleuren probeer ik er met mijn schaduwen een heimelijk donker kantje in te steken. Maar ik ben esthetisch van aard, de vormen moeten wel mooi zijn.

Naast je bas-reliëfs en je tunnel, heb je ook eens een epoxy stervormige sculptuur gemaakt, ‘Big sculpture’ geheten. We zien allemaal tunnels die naar elkaar toelopen en waar je als het ware ingezogen wordt. Vanwaar is dat idee ontstaan?
Vermeersch: Het is ontstaan uit een tekening van verschillende trechters. Er zijn verschillende trechters met verschillende in- en uitgangen, alle leiden ze naar hetzelfde middelpunt, alsof er geen andere weg is, waarbij alles samenkomt op een punt. Ik presenteer dit werk ook gewoon op de grond, alsof het daar gewoon ligt te liggen en de kijker zich moet bukken om erin te kijken en dan vast te stellen dat het toch nergens heengaat… Buiten zie je een ruwe vorm, maar binnenin een heel afgewerkte vorm. Opnieuw binnenkant versus buitenkant. Ik ben gefascineerd door tunnels en verbindingen, het kinderlijke idee van wat ligt er om de hoek?

Hoe bepaal je in welke materie je werkt als je zo’n sculptuur voor ogen hebt?
Vermeersch: Ik werk in epoxy omdat het een makkelijk materiaal is om mee te werken. Al zijn al mijn sculpturen eerst geboetseerd en maak ik er dan mallen op. Klei kan je sterk manipuleren en je kan gemakkelijk stukken opzetten en wegnemen. Op die manier kan ik er mijn denken vlug op toepassen. Maar zo wil ik ze niet in die materie exposeren, want als je klei bakt vind ik het te veel op keramiek lijken en dat soort gevoel wil ik niet weergeven in mijn grotere sculpturen.

Je hebt ook eens een kijkdoos ‘De barricade’ gemaakt. We zien wormachtige sculpturen die als het ware uit de grond komen. Tell me about it!
Vermeersch: Als je in het museum van Tervuren komt zie je oude kijkkasten met bijvoorbeeld opgezette tijgers die allemaal een eigen sfeer hebben. Het fascineerde me dat je iets kan inkapselen en erin kan kijken en gedwongen bent op één manier te kijken, zodat je de illusie hebt in die andere wereld te zitten. Van daaruit heb ik dat werk gemaakt. Die ‘wormachtige’ sculpturen komen uit een dubbele bodem omdat ik sculpturen wou suggereren die groeien. Alsof ze bij het volgende bezoek een stukje verder gegroeid zouden zijn en de sculptuur net als in het echte leven steeds in beweging is.

Bij je waxlandschap…
Vermeersch: …was hetzelfde idee. Stukken die ergens uitkomen… als een stuk uit een andere wereld, een andere planeet. Het beeld is gegroeid vanuit het beeld dat, als het sneeuwt en het begint wat te smelten, je soms ziet dat sommige stukken weer tevoorschijn komen. Dan heb je nog zo’n kleine stukjes die zichtbaar zijn in een groot wit veld.



Je hebt al enkele
keren aan ‘window’-art gedaan. Wat wil je daarmee teweeg brengen bij de passage-gangers?
Vermeersch: De eerste keer dat ik het gedaan heb was voor het Kunstencentrum Croxhapox. Ze stellen al een tijdje een ‘kunstraam’ ter beschikking aan kunstenaars in de Onderstraat in Gent. Ik heb dat altijd leuk gevonden om dingen binnen de stad te doen, buiten het kader van een tentoonstellingsruimte. Ik wilde twee kijkvitrines maken. In de stad is alles heel strak en op dat moment had ik nood aan natuur, vroeg ik me constant af wat ik eigenlijk in de stad deed. Ik wilde direct aanspreekbare vormen tonen die zowel overdag als ’s nachts onmiddellijk werken. Het idee van mensen die passeren en denken: ‘wat is dit?’ Het roept iets op maar je denkt ook niet spontaan: ‘dit is ‘kunst’, ik heb het niet voor dat afstandelijke in de kunst. Ik denk ook niet dat veel mensen dat van mijn werk gaan zeggen, omdat ze toch met die vormentaal een bepaalde voeling hebben, het niet onmiddellijk gaan verwerpen.
Aan de Overpoort in Kunstzicht had je ‘raam op de wereld’, een groot bord waar kunstenaars hun ding konden doen. Ik ben begonnen met elf stippen te plaatsen, als een soort opstelling van een voetbalploeg. Om de twee dagen ben ik er naartoe geweest, drie maanden aan een stuk en ik heb daar alle mogelijke looplijnen van de voetballers bijgeplaatst. Uiteindelijk heb je dan een soort van ruimtelijke structuur binnen een straat die daar eigenlijk niet hoort. Dat vond ik wel fascinerend, dat een student die dagelijks zijn maaltijd neemt in het restaurant van de Overpoort, het werk letterlijk dagelijks ziet veranderen.

Dan maak je ook graag kunst voor de man in de straat die niks van kunst kent?
Vermeersch: Ik merk wel dat er mensen zijn die niks van kunst kennen mijn werk appreciëren en ik vind dat fijn. Ik wil niet dat ze het niet begrijpen en moeten zeggen: leg het eens uit. Ik heb natuurlijk graag dat het van laag én hoog geapprecieerd wordt, al ga ik er mijn broek niet voor afsteken.

Uw werk behoeft inderdaad geen tekst en uitleg in tegenstelling tot veel andere hedendaagse kunstenaars.
Vermeersch: Het is een beeldend werk, dus ik vind dat het op zichzelf moet staan.

Vind je dat dit ook moet gelden voor het beeldend werk van je collega’s?
Vermeersch: Neen, ik denk dat sommige kunstenaars anders werken en daardoor moeilijker te begrijpen zijn voor de man in de straat. Maar dat is daarvoor geen hermetische kunst. Ik kan genieten van een werk van Donald Judd maar ik kan me inbeelden dat zijn werk minder onmiddellijk een kunstleek aanspreekt. Ik betracht tactiel werk te maken, dat mijn werk aanspreekt voor wat het is.

Je bent opgegroeid met een vader die kunstenaar was. Hoe moet ik me dat voorstellen? Vier broertjes die bij vader op de schoot ook aan het tekenen waren?
Vermeersch: Totaal niet! Maar wij zijn wel opgegroeid met kunst en schoonheid rondom ons. En niet alleen mijn vader, Rik Vermeersch, maar ook mijn moeder was en is heel creatief, altijd aan het schilderen. Al kan ik me geen moment voorstellen dat ons vader aan tafel een soort leermeester voor ons was. Hij was vooral op zijn eigen werk gefocust en vond dat wel tof dat wij allemaal tekenden, maar als kind was ik eigenlijk meer aan het voetballen dan aan het tekenen. Maar toch had ik al een eigen wereld in mijn hoofd, al was ik niet de grote tekenaar onder de broers. Ik herinner me wel toen we elke zondag naar mijn grootvader ,José Vermeersch, gingen en we samen aan het einde van de dag allemaal aan het tekenen waren aan een grote tafel. Mijn pa maakte ook hele grote sculpturen in kippengaas met gips en als kind maakten wij dat na in zijn atelier. Of onze ouders namen ons mee naar openingen en tentoonstellingen.
Maar specifiek heb ik veel van mijn vaders bibliotheekgenoten. Later waren wij ook vrij om te doen wat we wilden. Ik twijfelde tussen landbouwer of kunstenaar, maar door die kunstboeken was ik gebeten door alles wat kunstgeschiedenis was, ik was toen zo’n 15 jaar. Ik denk echt niet dat je de impulsen van thuis mag onderschatten.

Uw oudere broers Tinus en Pieter zijn ook geen onbekenden in de hedendaagse kunstwereld. Heb je als jongste nooit zin gehad je te verzetten tegen je oudere broers en je vader?
Vermeersch: Tijdens mijn middelbare studies heb ik dat nooit gevoeld, ik was me te veel aan het amuseren, maar later toch wel. Vooral tegenover mijn vader, niet echt tegenover mijn broers. Onze ouders zijn heel begaan met ons, en ze sparen geen kritiek. ‘Kunde’ is ook wel belangrijk in onze familie, maar daarin zijn mijn drie broers veel virtuozer. Ik heb het ook wel, maar had er gewoon minder interesse in. Ik wilde ook al vlug mijn eigen ding doen, dingen gaan vervormen. Ik heb weinig plezier in een portret maken, ik zou dat al gauw gaan versnijden en verplakken. Mijn vader heeft daar meer plezier in. Zijn realistische naakte tekeningen liggen verder af van mijn werk.

Vraag je raad aan je broers of is er een gezonde concurrentie?
Vermeersch: Er is een gezonde concurrentie. We hebben wel raakpunten in ons werk, maar op een andere manier zijn we toch allemaal heel verschillend. Soms is het vervelend: ‘broer van, zoon van, familie van…’

Denk je dat? Het kan ook een voordeel zijn toch?
Vermeersch: Misschien is het inderdaad wel een voordeel dat die naam bekend is en dat je daarom niet zo vlug vergeten wordt.

Heb je nooit zin gehad iets totaal anders te doen?
Vermeersch: Sowieso stel je dat af en toe in vraag. Kunsthistoricus had me ook wel gelegen. Ik organiseer ook graag dingen, zoals workshops of een rondreizende tentoonstelling. Ik hoef echt geen 7/7 in mijn atelier te zitten. Daarom geef ik ook graag les en doe ik veel andere dingen ertussen. Maar dé grootste voldoening blijft toch altijd een goed werk maken.
Voor de opening van de expo in Locuslux had ik een tekening met celletjes gemaakt waar ik wel màànden aan gewerkt had, en als dat aan de muur hing was ik echt wel tevreden en kon ik er mijn ogen niet vanaf houden, was ik eigenlijk verliefd op mijn eigen werk.

Waar haal jij je mosterd vandaan? Bij andere kunstenaars, in de natuur, in de liefde?
Vermeersch: Vooral uit het leven, uit het tastbare, uit de dingen die ik zie en voel. Niet uit het rationele, al werk ik ook niet vanuit de buik.

Werk je meer vanuit de buik of vanuit het hoofd?
Vermeersch: Ik denk dat ik gevoelsmatig sterk vanuit de buik werk, al leef ik zo niet, ik ga er wel tien maal over nadenken om over iets te beslissen. Het is niet omdat mijn vormentaal zo organisch lijkt dat alles zo maar vanuit de buik eruit gefloept is, ik ben net heel erg bezig hoe een beeld best werkt, dat is dan mijn rationele kant. Want in mijn atelier ga ik nooit in een urenlange roes op. In Lineart zag ik ook twee oudere schitterende schilderijen van Philippe Vandenberg, daar kan ik wel jaloers op zijn, dat directe, expressieve, maar zo zou ik nooit kunnen werken.

Je hebt ook geen behoefte om levende wezens in je werk te integreren?
Vermeersch: Neen, al wil ik wel dat mijn werk een levend wezen wordt, zonder dat er een hoofd of hand of been te zien is. Ik breng graag iets mentaal teweegbreng bij de toeschouwer. Ik wil dat je mijn aanwezigheid voelt in mijn werk. Al weet ik ook dat dat afstotend kan werken, dat het té wordt. Ik wil niet dat het opgegaan is in de ruimte, gewoon als product. Daarom doe ik nog veel dingen zelf, zoals schilderen, omdat ik wil dat je die ‘arbeid’ erin voelt. Als ik alleen een idee zou hebben, zou het me geen voldoening geven om het door iemand anders te laten uitvoeren. Als je naar een werk van mijn grootvader keek, had je ook het gevoel dat er een sterke aanwezigheid was.

Voel je schilderen en met je handen bezig zijn als een noodzakelijke drang? Als je enige tijd niet geverfd hebt zou je dat voelen aan iets? Voel je dan een Sturm und Drang?
Vermeersch: Ik voel dat als ik een periode te veel les aan het geven ben en voel dat ik dingen zelf wil doen. Dat evenwicht moet er altijd zijn, al adem ik ook geen 7/7 kunst. Alhoewel, als ik wandel heb ik wel een eigen manier van kijken en bemerk ik dat ik de dingen voortdurend observeer en laat binnensijpelen. Al heb ik niet het gevoel dat ik moet presteren en dat ik dit of dat binnen een week afgewerkt moet hebben. Ik vind dat zelfs al een rare zin: ‘ik ben kunstenaar’. Ik zeg altijd dat ik met beeldende kunst bezig ben.

Als je ambetant loopt, is het dan mogelijk je 100% uit te drukken in je kunst?
Vermeersch: Dat heeft niks te zien met elkaar. Wat ik wel kan, is na een drukke dag alles loslaten door te tekenen, maar ook in voetbal kan ik de stress van me kwijt, dat is nog agressiever, kan ik nog eens roepen. (lacht)

Vraagt het veel inspanning van je om kunst te maken? Gebeurt het soms dat je met tegenzin naar je atelier gaat? Of kan je een hele dag op een terrasje zitten zonder je schuldig te voelen?
Vermeersch: Ik heb wel een groot schuldgevoel. Een dag niks doen kan eigenlijk niet. Het is zowel in- als ontspanning. Soms moet men zich gewoon inwerken en voor je het weet rol je in een tekening en krijg je een werkrush. Maar het is niet zo dat ik van 9 to 5 naar mijn atelier ga.

Is je atelier de plaats waar je je het gelukkigst voelt?
Vermeersch: Ik kan wel zeggen dat ik me in mijn atelier al veel gelukkig gevoeld heb tussen al mijn rommel.

Je hebt het waarschijnlijk dan wel in je dat zelfs, al zou je geen expo’s hebben, je toch zou tekenen en schilderen. Maar ik vermoed dat je werk maar bestaat door de toeschouwer?
Vermeersch: Ja, dat is de bevestiging die ik nodig heb. Ik werk niet naar een expo toe, maar het is wel een feit dat ik dan doelgerichter en geconcentreerder werk dan. Je vormt je tentoonstelling in je hoofd en dat geeft je extra motivatie.

Stoppen met tekenen en schilderen is geen optie?
Vermeersch: Neen. Sowieso zal ik altijd iets doen in de creatieve sfeer, zal ik altijd nood hebben zelf iets te doen, zelf iets te presteren. Ik heb nood iets te maken dat van mezelf komt. Ik kijk wel op naar de Sturm und Drang van een Fred Bervoets voor wie schilderen iets levensbelangrijk is. Voor mezelf is dat ook wel zo, al ervaar ik het niet zo extreem.

Aan het einde van je leven wil je dus dat er honderden werken rondhangen van Robin Vermeersch? Of zou je ze liever bij jezelf houden?
Vermeersch: Daar ben ik niet echt mee bezig. Maar sommige werken zou ik liever bij mezelf houden omdat ik ze zo graag heb. Maar hoe meer mijn werk bij de mensen terechtkomt, hoe beter. Ik wil niet dat ze in dozen op mijn zolder terechtkomen. De goede werken mogen gezien worden. Ik werk gewoon naar een volgende expo toe en dan doe ik het ook voor de contacten en de reacties van de mensen. Maar mijn ego is niet groot genoeg om mijn naam overal te zien staan.

Als je mocht terugkeren als kunstenaar, als wie zou je willen incarneren?
Vermeersch: Ik ben vooral gefascineerd door het romantische, zoals het leventje van de impressionisten. Het idee dat ze elkaar ’s avonds in de cafés ontmoetten. Ik heb het gevoel dat het toen allemaal vatbaarder was. Ik zou wel graag in zo’n beweging zitten. Misschien ben ik die zin heel romantisch. We leven nu in een heel individuele maatschappij en als kunstenaar ben je bijna een bedrijfje dat zich via catalogi moet verkopen, daar moet je enorm mee bezig zijn, maar zelf voel ik me daar niet in thuis. Je moet er ook voor vechten dat je werk op de beste plaatsen komt, maar ik vind dat allemaal zo pragmatisch. Dat is van alle tijden, maar met een romantische blik kan je het leven van vroege kunstenaars wel verheerlijken. Ik ben deels in de beeldende kunst gestapt voor het romantische idee. De boeken van Picasso, de briefwisseling tussen de broers van Gogh… Zoals ik met mijn ouders overal meeging naar expo’s, fascineert het me ook op allerlei plaatsen te komen met mijn werken.

Blijven kunst maken dus!

Hilde Van Canneyt, Waregem, do 18 dec ‘08

Robin Vermeersch, Marc Nagtzaam en Boris Thiebaut stellen nog tot 5 januari ’09 tentoon in gallery LOCUSLUX, Oude Graanmarkt 57, Brussel. www.locuslux.com

Op 3 januari is er een toonmoment in Be-Part Waregem van 11 tot 18u in de Westerlaan.


www.robinvermeersch.be

interview met klaas van der linden


Omdat Klaas Van der Linden zijn atelier ‘a mess’ is, ontvangt de 22-jarige kunstschilder me op een regenachtige ochtend in zijn salon in hartje Gent.


Goedemorgen Klaas. Dit wordt een hele boterham op onze nuchtere maag. Vertel eens: hoe zou je zelf je schilderijen in het kort omschrijven aan de lezers?

Klaas Van der Linden: Krachtige duidelijke scherpe beelden met een optimaal contrast. Dit contrast wil ik soms nog meer benadrukken door fluokleuren aan te maken op een zwarte achtergrond. Net zoals je bij grafitti duidelijke scherpe vlakken tegenkomt. Beelden die heel vlug heel duidelijk zijn. Voor mij is een flou, wazig beeld iets dat ik niet zo graag zie.


Op je website lezen we: mijn werken zijn een crossover tussen schilderkunst en grafitti op doek = postgrafitti. Leg eens uit.

Van der Linden: Vanaf mijn twaalf jaar ben ik al in de weer met spuitbussen. Eerst spoot ik letters op de muren, later waren dat figuratieve beelden die ik haalde uit magazines, van internet… Na een tijdje vond ik die niet meer goed onderbouwd en wou ik persoonlijk beeldmateriaal maken. Dus alles wat na mijn grafittitijd komt is postgrafitti. Nu gebruik ik verf in combinatie met spuitbus op doek. Het is ook belangrijk dat ik die doeken nu kan ‘meenemen’ en ze niet vaststaan op een muur, dat ze ‘eeuwigbestaand’ zijn.


Uw schilderijen lijken vooraf uitgedacht en aan een bepaald concept verbonden, het is geen spontaan ontstaan beeld.

Van der Linden: Het uiteindelijke resultaat is wel een spontaan ontstaan beeld, ik weet nooit het uiteindelijke resultaat. Het zijn allemaal beelden uit mijn persoonlijke omgeving. Ik werk op verschillende sporen: zelfportret, 'people I know' en ‘overuren’. Die drie heb ik nodig om wat afwisseling te scheppen.


Doorheen je expo in Artifex heb je inderdaad drie ‘rode draden’. Werk je daar ook bewust zo aan in je atelier of werk je meer in losse flodders?

Van der Linden: Die reeksen vormen zich niet bewust. Ik heb die afwisseling gewoon nodig om met de juiste ‘drive’ te werken aan mijn doeken.


Ben je dan altijd met verschillende werken tegelijkertijd bezig in je atelier?

Van der Linden: Soms gebeurt het dat ik aan meerdere schilderijen tegelijkertijd werk, maar over het algemeen concentreer ik me op één werk. Vroeger werkte ik zo’n twee à drie dagen aan een portret, maar nu durf ik er al twee à drie weken aan te schilderen.


Waarom is je beeldkeuze zo realistisch? Heb je geen zin je beelden te vervormen?

Van der Linden: Wel, sowieso vervorm ik de realiteit, al lijkt het figuratief realistisch. Ik breng altijd subtiele vervormingen en effecten aan in mijn portretten, zoals gouden tanden bijvoorbeeld, of de nadruk leggen op bepaalde vormen waardoor het portret meer begint te leven. Zo heb ik bij mijn laatste werk de nadruk gelegd op het hoofd. Ook komen vaak verschillende beelden samen. Die dingen heb ik uit de grafitti geleerd.


Vanwaar die nood zelfportretten te maken? Als spiegel van de ziel?

Van der Linden: Die nood is een klein beetje aan het veranderen, omdat ik nu ook rond andere thema’s werk, maar dat is wel een startpunt geweest. Ik ben begonnen met een reeks zelfportretten op muren -ook in het buitenland- en de reacties waren heel positief. Tijdens mijn studies Vrije Grafiek in Sint-Lucas heb ik dan ook gekozen voor zelfportret. Het blijft een manier om me uit te drukken. Ook de verwijzing naar de geschiedenis van de schilderkunst boeit me. Zowel Egon Schiele als Rembrandt zijn namen waar ik mee ben opgegroeid en die kunstenaars hebben me enorm geïnspireerd.


Je vindt het dus als jonge schilder ook belangrijk je klassiekers in de schilderkunst te kennen en die traditie te bewaren?

Van der Linden: Zeker! Vroeger werden edellieden of mensen uit de godsdienst geportretteerd en nu kies ik voor mijn eigen omgeving om mensen weer te geven. Ik gebruik ook invloeden uit het verleden om portretten te maken, zoals bijvoorbeeld een gouden achtergrond.


Vind je het belangrijk dat de kijker je schilderijen hedendaags vindt?




Van der Linden:

Laat ik ze voorstellen als schilderijen met een eigentijdse visie met daarbij verwijzingen naar het verleden. Sowieso is het medium spuitbus eigentijds. Qua thema kan ik mijn zelfportret met een rood doek voor mijn gezicht eigentijds genoemd worden, want het is de vermomming van grafittispuiters. We kijken door de opening van de nek van een t-shirt en binden dan de twee mouwen samen. Dit is dan een verwijzing naar een werk van Jan Van Eyck met een schilderij van een man met een tulband.


In je expo lijken je portretten allemaal gevangen of ingesnoerd te zitten en lijken ze sterk verinnerlijkt…

Van der Linden: Die opmerking heb ik nog gekregen. Het zijn vaak mensen die ik ’s nachts gefotografeerd heb, soms na het uitgaan, en veelal roepen die een bepaalde sfeer op. Met die beelden wil ik ook iets vertellen over hun innerlijke ‘zijn’. Sowieso schilder ik mensen die ik boeiend vind en een daarom wil ik dat het beeld ook boeiend is.


Uw serie overuren’ is ook gebaseerd op foto’s die je zelf ’s nachts van die treinwerkers hebt genomen. Ik las in de Zone09/ dat je gefascineerd bent door de nacht, het kille, koude, het grauwe…heb je dat al altijd in je of hoe is dat gekomen?

Van der Linden: De reden waarom ik mensen met fluo-pakken schilder is omdat ik die vaak tegenkwam op stations, op stelplaatsen en langs sporen waar we grafitti spoten. Het zijn vaak mensen die werken aan de treinen, de sporen of de grafitti’s verwijderen… Die werkers met fluovesten vallen op in de nacht. Zo ben ik de dialoog met die mensen aangegaan, beginnen foto’s nemen van hen. Ze beginnen schilderen...


Zijn er nog andere hedendaagse schilders waar je naar opkijkt?

Van der Linden: Neo Rauch, Sam Dillemans en Michaël Borremans vind ik wel heel interessant. Maar ik heb het eigenlijk meer voor schilders uit het verleden. Hedendaagse schilderkunst vind ik niet altijd zo goed, ik hou echt van duidelijke scherpe beelden. Bij Egon Schiele hou ik van de bitterheid van de gezichten en wrange karakters. Bij Rembrandt dan weer van de clair obscur en het werken vanuit een donker vlak. Ook Rogier Van Der Weyden en Van Dijck zijn twee schilders waar ik enorm naar opkijk vanwege hun goede weergave van textuur en materie.


Francis Bacon? Lucian Freud?

Van der Linden: Bacon vind ik als figuur interessant, maar daar heb ik geen invloed van. Ik vind het wel heel bizar hoe hij een figuur opbouwt. Hij maakt eigenlijk vanuit een abstractie een herkenbaar beeld. Zijn tijdsgenoot Lucian Freud vind ik veel interessanter door zijn koloriet en vormen, daar heb ik wel meer invloed van.


Als je aan een doek begint, begin je met potlood aan een tekening of val je onmiddellijk aan met verf?

Van der Linden: Ik vertrek altijd vanuit een zwart vlak. Ik heb vlekken op mijn ogen en zie niet goed op een wit vlak. Maar ik voel me veel rustiger als ik vanuit een zwart vlak vertrek. Daarbij heb je ook onmiddellijk het clair-obscur effect natuurlijk en kan ik de figuur in het licht al schilderend uit dat zwarte vlak halen.


Als je aan het schilderen bent in je atelier, ben je dan meer bezig met je techniek of voel je je in een soort trance?

Van der Linden: Die trance is wel heel belangrijk, maar die was vroeger nog veel groter dan nu. Nu ben ik afgestudeerd en moet ik iets rationeler beginnen denken. Twee jaar geleden begon ik om zes uur ’s avonds te schilderen en ging ik door tot zes uur ’s ochtends. Als er mensen aan mijn deur stonden wimpelde ik die af, want ik wou echt doorschilderen tussen die uren. Nu sluit ik me niet meer zo op, heb ik een vriendin en dat verandert de kwestie ook wat.


Je vriendin beïnvloedt dus je ‘schilderkunsttijd’?

Van der Linden: Ja, toch… Je moet gewoon ook aan haar en aan andere mensen denken. Vroeger dacht ik niet aan andere mensen in de zin van onmiddellijk contact. Ik deed gewoon mijn ding, schilderen dus, en de rest kon mij gestolen worden.


Vroeger kon je je er meer in vinden alles voor het schilderen op te geven zoals een Sam Dillemans?

Van der Linden: Ik werkte inderdaad in één beweging door. Nu heb ik een agenda, begint het leven serieuzer te worden.


Wat wil je eigenlijk dat je schilderijen losweken bij het publiek?

Van der Linden: Aangezien ik sta voor een duidelijk herkenbaar beeld wil ik bij de mensen iets opwekken. Het beeld zelf is belangrijk, ik wil dat het de mensen aanspreekt. Het hoeft daarom niet mooi bevonden te worden, want soms zijn mijn beelden bitter of zelfs gruwlijk, maar ik wil wel dat ze gevoelens opwekken. Ik zou het fijn vinden als mensen beginnen nadenken als ze naar mijn werk kijken.


En over wat zouden ze dan moeten nadenken?

Van der Linden: Moeilijke vraag… Ze kunnen over zichzelf denken, over mij, mijn vrienden… Ze kunnen zich kunnen afvragen wie die kerels zijn. Als ik een portret voorstel van iemand met een blauw oog, gaan mensen zich toch beginnen zich vragen stellen en zal dat een gevoel opwekken… maar dat gebeurt onbewust.


Schilder je vooral voor jezelf?

Van der Linden: In oorsprong is dat zeker voor mezelf geweest.


Als je jong was was, schilderde je dan meer als therapy?

Van der Linden: Als kind kon ik me al een hele dag met stiften en papier bezighouden, ik had niks méér nodig. Zo ben ik verder blijven tekenen en schilderen. Het is pas achteraf dat mensen appreciatie zijn beginnen tonen voor de dingen die ik maak. Het zijn dié mensen die zijn beginnen zeggen dat mijn beelden iets bij hen losweken.


Zag je, toen je vroeger een 12 uur per nacht schilderde, het schilderen als een surrogaat voor het echte leven?

Van der Linden: Ja, ik had en heb dat nodig, dat deed gewoon deugd en dat was op dat moment de beste oplossing. De eerste drie jaar in Gent ging ik trouwens ook niet uit. Ik was gewoon niet bezig met vrienden of meisjes.


En je voelde je gelukkig met alleen je doeken in je atelier?

Van der Linden: Toch wel. Het is pas in mijn vierde jaar Vrije Grafiek dat ik doorhad dat de studentijd eigenlijk de beste tijd van je leven is en ik eigenlijk constant had geschilderd. Toen ben ik wat meer sociaal contact beginnen opzoeken en ben ik communicatiever geworden. Ik denk dat ervoor de meesten mij ‘nen raren’ vonden, al had ik natuurlijk wel altijd enkele goede vrienden in mijn omgeving. En in de grafittiwereld respecteren ze je voor wat je maakt, je kan er iemand zijn door je goede grafitti-tekeningen.


Zie je je altijd blijven schilderen? Ben je op zoek naar dat ene absolute beeld?

Van der Linden: Als ik kijk naar schilders uit de kunstgeschiedenis en de manier waarop ze hun leven leidden, spreekt me dat heel erg aan. Al klinkt dat naïef of utopisch. Maar ik zie me toch altijd creatief bezig blijven.


Hoe zit het met muziek? Hoort dat erbij als je aan het schilderen bent? Of wil je alleen je penseel op het canvas horen?

Van der Linden: Muziek is voor mij heel belangrijk. Mijn beste schilderijen heb ik dan ook al gemaakt op de muziek van Depeche Mode. Soms zit ik zelfs te wenen als de muziek en het schilderen perfect samengaan.


Zie je je dan binnen 40 jaar als een Fred Bervoets die nog moedig blijft doorschilderen of eerder als een ‘artifarti’ artiest die in het MOMA hangt?

Van der Linden: Ik wil zeker hedendaagse beelden blijven maken en openstaan voor frisse invloeden, het schilderen heel vlot houden, waardoor ik ook denk dat ik niet ergens zal wegkwijnen in één of ander atelier. Ik wil altijd een trapje hoger klimmen. op de ladder. Sowieso moet je stap per stap werken en er heel hard voor werken.


Wil je rijk worden met je schilderen?

Van der Linden: Ik zie dat als een gevolg van de situatie, maar ik zou er wel graag van leven. Ik denk toch dat ik best een banale job helemaal buiten het schilderen kies –in tegenstelling met de meesten die voor het lesgeven kiezen- om dan daarnaast te kunnnen schilderen. Ik ben bang dat je anders je job die verbonden is met het schilderen dan toch maar mee naar huis neemt en dan ben je niet meer fris in je atelier. Dit geldt voor mij, daarom niet voor andere schilders.


Je wilt naam maken. Wat zou je daar allemaal voor opgeven?

Van der Linden: Ik geef daar nu ook al alles voor op. Schilderen staat centraal in mijn leven, ik doe niks anders. Schilderen is mijn dagtaak.


Heeft de CANVASCOLLECTIE, waarvoor een werk geselecteerd was, je windeieren gelegd?

Van der Linden: Jazeker, veel mensen hebben hierdoor mijn werk leren kennen en ik heb er veel reactie op gekregen.


Waarom kiest een jonge gast als jij voor het klassieke medium schilderkunst?

Van der Linden: Ik hou echt van het feit dat je een penseel vastneemt, daar verf aanhangt en je als schilder daarmee aan de slag gaat. Ook het prachtig koloriet waar je telkens mee werkt blijft me boeien en ik blijf me ermee amuseren. Een ‘never ending story’…


Het interesseert je niet op je laptop te zitten kunst maken?

Van der Linden: Totààl niet, ik vind dat een wrang idee. Programma’s op computers om beelden te verwerken zijn dingen die mensen ook kunnen maken in hun hoofd als ze genoeg fantasie en inlevingsvermogen hebben. Je handen en je medium zijn dan eigenlijk de printer, waar andere mensen dat van hun printer zouden afprinten. Ik zie mezelf als een zeer creatieve ‘machine’ met heel veel fantasie. Ik snap niet waarom mensen kiezen voor een machine, zoals de computer.


Zie je schilderen als een intellectuele discipline?

Van der Linden: Het is nogal moeilijk om van jezelf te zeggen dat je intellectueel bent. Het gaat om een bepaald denkniveau. Als je op een bepaalde manier nadenkt over beelden en je kan daarmee goed overweg, dan ben je wel op intellectueel niveau bezig. Het gaat om een bepaald punt in een beeld dat me aanspreekt. Ik vergelijk het met een gitaar stemmen tot de snaren goed staan, tot je de juiste toon hoort, zo zie ik het ook met beelden.


Wil je nog iets kwijt aan je lezers?

Van der Linden: Er zijn een paar zinnen in mijn leven die tot nu toe belangrijk geweest zijn. Een leraar zei me: ‘the important thing is to do’. In de grafittiwereld heb ik geleerd: ‘king for a day, fool for a lifetime?’ Daarom heb ik voor het canvas gekozen, het moet blijven interessant zijn, iets blijvend zijn. De laatste zin die ik in het achterhoofd houd is: if you don’t have a dream, how do you ever going to get a dream come true?

Die zinnen blijven me motiveren, elke dag opnieuw…


Dank je voor het frisse gesprek Klaas.

Hilde Van Canneyt, woe 10 dec. ’08.


Klaas Van der Linden stelt tot 2 januari nog tentoon in Artifex, Walpoortstraat 3, 9000 Gent.

www.klaasvanderlinden.com

interview met stijn van dorpe


Ik ontmoet kunstenaar Stijn Van Dorpe in mijn woonkamer. Omdat het vandaag zijn 38e verjaardag is heb ik een taart gehaald en is het de ideale dag om eens bij zijn kunstenaarschap stil te staan. Hij verwittigde me al op voorhand dat ik nooit een recht antwoord zal krijgen, dus dat belooft…


Hallo Stijn, proficiat met je verjaardag én je expo natuurlijk! Stel jezelf eens kort voor als kunstenaar.

Stijn Van Dorpe: Dit is eigenlijk al een ontzettend moeilijke vraag waar ik meestal geen antwoord op weet en eigenlijk ook niet op wil antwoorden. Maar dat is dan eigenlijk een slecht begin voor je interview… Om mijn praktijk te beschrijven zou ik zeggen dat ik iemand ben die acties onderneemt en als kunst beschouw.


Omdat je niet meer bevredigd werd door de traditionele technieken van het schilderen zocht je naar andere middelen om je beeldend uit te drukken. Leg eens uit.

Van Dorpe: Oeioei, dat is al oude koek, dat is allang geleden. Ik heb geen zin om daar nog over na te denken…


Leg me dan uit hoe je gekomen bent van de schilderkunst naar de actie. Waarom bevredigde schilderkunst je plots niet meer?

Van Dorpe: Dat heeft te maken met het procesmatige in mijn werk. Bij een schilderij is het eerste wat je ziet een beeld, een vorm, een resultaat, een product. Misschien wil ik ook werk maken dat op de één of andere manier meer in het leven staat.


Je stelt je ook altijd de vraag over het hoe en waarom van het tentoonstellen van kunst en hoe je je kunst voorstelt aan het publiek in de architecturale ruimte.

Van Dorpe: Dat is inderdaad een belangrijke vraag. Hoe ik iets tentoon stel is ongelooflijk belangrijk. Ik slaag er bijvoorbeeld niet in op mijn website mijn werk op een degelijke manier naar voor te brengen. De fysische en mentale ruimte is voor mij enorm belangrijk, hoe verhouden beiden zich tot elkaar?


Kernwoorden van je werk zijn actie, dynamiek, het procesmatige en herhaling.

Van Dorpe: Dat zijn voor mij helemaal geen kernwoorden, maar ok. Ik zal ze eens onder de loep nemen.

Acties ja, die performatieve gedachte vind ik heel belangrijk.


Dynamiek? Ik weet niet waar je dat uithaalt.


Om iets over dat procesmatige te zeggen zou je een theoretisch -en dus compleet idioot- onderscheid kunnen maken tussen kunst die bezig is met esthetiek en vorm, kunst die een soort sacraliteit, een waarheid die ergens om de hoek gluurt najaagt en werk dat het proces belangrijk vindt. Je moet je dat niet zo mei ‘68 voorstellen. Het gaat hier eerder om het werkelijke, het tonen, het niet verdoezelen, de gedachtegang ook van de kunstenaar als enige vorm. Een zeer relativerende houding dus.


Bij het woord herhaling heb ik nog nooit stilgestaan, dus herhaling is blijkbaar toch niet zo belangrijk voor mij. Om het misschien over een recent werk te hebben die nu ook in TRANSIT hangt: een poster met een ballon in een vuilbak die opgeblazen wordt. Daar zie je inderdaad een herhaling. En de functie daarvan is dat het eigenlijk gaat over alle vuilbakken van Gent. In iedere vuilbak wordt een ballon opgeblazen waardoor je een soort sculptuur krijgt. Een lege vuilbak, een ballon met lucht en mijn longen die leeg zijn. Je krijgt dus een aaneenschakeling van lege vormen die telkens anders zijn omdat het beginsel anders is: de vuilbakken.


Om het over die leegte te hebben, dat is ook een woord dat bij je past.

Van Dorpe: Dank u!


Je wilt die leegte bevestigen in haar bestaan. Vanwaar de fascinatie voor die leegte?

Van Dorpe: Om te beginnen heb ik helemaal geen fascinatie voor de leegte. Maar de wereld als lege vorm is gewoon de enige interessante invalshoek volgens mij. Dit staat haaks op een wereld die overbeladen is met betekenissen. Het heeft te maken met een vrijplaats die ontstaat. Maar ik heb niet veel zin om daar veel over te zeggen. Daarbij heb ik het gevoel dat dit door velen altijd slecht begrepen wordt. Velen kennen voor het woord leegte alleen maar een pejoratieve invulling. Je kan dat er met geen stokken uitkrijgen.


Vind je dat kunst de leegte van het bestaan opvult?

Van Dorpe: Zie je wel!

Maar ik wil wel op je totaal andere vraag antwoorden. Ik weet dat niet of kunst de leegte van het bestaan opvult. Al zou ik hier ook een pathetische zin kunnen toevoegen in de aard van: kunst laat de wereld subtieler zien, in al zijn mogelijkheden ook.


Maar is het niet zo dat hoe meer kunst je ziet en (her)kent, hoe meer je de schoonheid ervan ziet? Want als je iets niet kent loop je aan de schoonheid voorbij. Hoe meer je van kunst kent hoe minder je de leegheid van het bestaan ziet?

Van Dorpe: Dat weet ik niet. Ik durf dat zo maar niet doortrekken op het leven, dat zou wel iets zeer akeligs hebben. Trouwens ook hier weer, het komt er net op aan de leegheid van het bestaan te omarmen, daar het potentieel van te zien.


Nog een paar kernwoorden in je teksten zijn schoonheid, poëzie subtiliteit en traagheid. Toch woorden die anno 2008 in de kunst een vieze smaak achterlaten.

Van Dorpe: Als kunst niet over schoonheid gaat, dan is dat helemaal geen kunst! Mijn werk gaat in esthetische zin nooit over schoonheid, maar het zal altijd naar schoonheid leiden.

Ik heb mijn werk inderdaad al gelinkt aan poëzie. Mijn werk is poëtisch, maar ik kan me niet voorstellen dat er beeldend werk bestaat dat niet poëtisch is. Poëtisch werk wordt soms gelinkt aan karakterloze, ‘softe’ maar gevoelige werkjes. “‘t Is poëtisch” zeggen de mensen dan… Daar wil ik uiteraard niets met te maken hebben. Maar wat is poëzie? Dat heeft te maken met het feit dat een kunstwerk een zinloze -en in wezen ook talige- constructie is. Een constructie die dus haaks staat op functionele constructies.


Subtiliteit is ook bij elk goed werk belangrijk, het lijkt me een essentieel begrip in de kunst. Subtiliteit staat tegenover een statement. Kunst is per definitie iets dat zich van een hele hoop zaken moet weghouden. Het is een oefening om overal omheen te lopen. Kunst toont de wereld op een subtiele manier waardoor je hem op een ander manier ziet.


Traagheid link ik niet meer direct aan mijn werk -in tegenstelling tot mijn vroege filmpjes waar ik van de toeschouwer verwachtte dat ze 30 minuten keken hoe ik door een gebarricadeerd deurgat liep bijvoorbeeld-. Maar traagheid heeft tegelijkertijd een enorme hardheid omdat we dat niet meer gewoon zijn. Dus geen kwaad woord over traagheid.


Daarmee zijn we toegekomen aan nog twee kernwoorden in je werk: toeval en spontaniteit.

Van Dorpe: Ook dit zijn werkelijk woorden die ikzelf nooit op mijn werk zou plakken. Zeker spontaniteit is een ongelooflijk problematisch woord. Toeval, ja, ok… In een werk van mij waarin ik een fles al wandelend omverstoot gaat het om de enorme passiviteit van mezelf als kunstenaar. Ik loop dat baantje af en stamp heel onachtzaam die fles om. Het gaat hier om de enorme passiviteit van mezelf en mijn positie als kunstenaar.

Ik laat mijn spoor na door zo’n fles achteloos om te stampen en die fles gaat haar eigen verhaal vertellen. In die zin is er toeval aanwezig in mijn werk. Maar uiteraard speelt zich dat af binnen een sterke constructie, de beslissing deze actie te ondernemen en op een bepaalde manier in beeld te brengen.


Je houdt ervan te werken met banale gevonden dagdagelijkse voowerpen die op je weg komen…

Van Dorpe: Misschien is dat niet goed omschreven. Het zijn vooral ‘lage’ zaken zoals vuilbakken, onderbroeken… Misschien heb ik een voorliefde voor alles dat er zo weinig als kunst uitziet. Of dingen zonder pracht en praal. Of wie weet vanuit een underdogpositie? Ik kan er geen sluitend antwoord op geven.


Kunst met de grote ‘K’ interesseert je dan eigenlijk niet?

Van Dorpe: Dat heeft daar toch niets met te maken! En wat is kunst met de grote ‘K’? Uiteindelijk kan kunst niet zonder ‘de luchtbel Kunst’. Kunst is een taal en ik zie geen mogelijkheid om die dans te ontspringen. En zelfs al zou je je er willen tegen afzetten moet je toch een beroep doen op die taal.


Wat wil je met je kunst aantonen? Wat verwacht je van inspanning van de toeschouwer? Wat probeer je te doorbreken?

Van Dorpe: Oei, dat zijn drie vragen ineen die een genuanceerd antwoord willen… Maar ik wil niks aantonen met mijn kunst! Voor mij is kunst een manier om met het leven om te gaan en te overleven. Dat zeg ik nu, maar dit is veel te vrijblijvend, want wat zou ik hier morgen op antwoorden? Eigenlijk wil ik niks vertellen met mijn kunst en wil ik ook tonen dat ik niks wil vertellen daarmee. Zo heb ik nu in TRANSIT een diashow, ‘Farwest’ getiteld, die gemaakt is uit geplooide vormen met mijn kousen, broeken en onderbroeken’. En iedere vorm heeft ook een titel die of te maken heeft met de kunst, of met andere realiteiten,zoals western-termen. Er ontstaat een totaal ‘non verhaal’, flarden van taal en beelden, brokstukken of verbanden die al dan niet kunnen gelegd worden. Dus wat wil ik daarmee vertellen? De schoonheid tonen van doelloze materie?


Dan verwacht je toch die inspanning van ons?

Van Dorpe: Een goed werk beroept op de creativiteit en het potentieel van de toeschouwer. Want bij een goed werk zal er bij de kijker van alles geprikkeld worden waardoor hij zich bewust wordt van zijn vermogen om verbindingen te maken, te interpreteren en verhalen te maken. Het legt de vinger op het vermogen van de toeschouwer om andere constructies te maken dan degene hij gewoonlijk maakt.


Jouw werk blijft altijd ‘open’. Bewust?

Van Dorpe: Maar een goed werk is altijd ‘open’! Een werk dat niets aan interpretatie overlaat of een werk dat enkel een statement is, is per definitie een slecht werk.


Voor jou is een interessant beeld een zwijgend vertellend beeld. Vanwaar heb je dan toch de nood altijd tekst en uitleg te geven bij je werk?

Van Dorpe: Ik heb die nood helemaal niet. Maar soms is de tekst bij een werk, een kader dat geschetst wordt waarbinnen een werk gelezen kan worden, essentieel.

Ik zou er hier trouwens ook willen op wijzen dat bijvoorbeeld sommige schilders die zeggen dat een werk voor zich spreekt vergeten dat zij, en de bewonderaars van deze werken, beroep doen op een voorkennis, namelijk die van de schilderkunst. Dat is uiteraard ook een taal en een kader waarbinnen je een werk een plaats geeft.

En in bredere zin spreekt een kunstwerk ook maar binnen en door een cultuur. Weliswaar is dit een in elkaar overlopende en elkaar beïnvloedende substantie en kan die dus niet als alleenstaande entiteit aanzien worden natuurlijk. Maar ook dat is een kader, een tekst, een context.


Hoe inspireren Mondriaan en Malevisch je? Want die namen komen me soms ter ore in je teksten.

Van Dorpe: De vraag zou moeten zijn: hoe verhoud jij je ertegen? Op het werk 'Perfect square' dat nu in TRANSIT tentoongesteld wordt zie je een kruis met in het midden een uitgespaarde ruit. Als je dit beeld op het eerste zicht ziet ga je inderdaad aan Malevisch denken. Maar op het tweede zicht krijg je een ontwapend beeld omdat je ziet dat de vormen gemaakt zijn met mijn broeken. Dit ook met een knipoog naar de verdwijntruck, maar dit geheel ter zijde. Hoe ik me verhoud tot de vernoemde kunstenaars spreekt uit dat werk, maar verder wens ik daar geen uitleg over te geven.


Hoe denk je over politiek in de kunst?

Van Dorpe: Per definitie is elk werk van mij, en elk werk tout court een politiek werk. Omdat een kunstenaar door zijn visie op de wereld ook al politiek gelinkt is. Ook de manier waarop je de toeschouwer dwingt met je werk om te gaan, spreekt een maatschappelijke visie. In de handeling van het maken zelf, in de syntaxis zitten politieke keuzes. Dat is iets anders dan het stellen van politieke statements, want dat kan nogal eens slecht aflopen.


Zie je jezelf ook als voorbeeld voor andere kunstenaars? Zou door je toedoen het kunstbeeld van België kunnen veranderen?

Van Dorpe: (lacht) Daar ben ik écht niet mee bezig.


Wil je je naam groter zien worden in de kustscene?

Van Dorpe: Kunstenaars zijn natuurlijk allemaal grote ego’s…


Ik zie je veel op vernissages. Ik vermoed dat naast de gezellige drukte en een lekker glas je daar vooral bent om te zien wat je collega’s ervan bakken.

Van Dorpe: Ik dacht niet dat ik zoveel op vernissages loop, maar wel wil ik zien wat er gebeurt in de kunstwereld.


We hebben het nog net iets te weinig gehad over je expo in TRANSIT, toch de reden waarvoor je hier bent…

Van Dorpe: In de tentoonstelling staan twee monitoren tegenover elkaar, zodanig dat ze de ruimte vullen. Je ziet mezelf tegen de muur staan terwijl ik ballonnetjes opblaas en tegen de muur rond mijn hoofd vastkleef zodanig dat je een aureool krijgt. Dan ga ik terug naar de camera en film ik de ruimte tussen mezelf en die muur. Vanaf de camera ga ik dat filmen, dan ben ik eigenlijk nog aanwezig tussen camera en de muur. Ik film ondertussen mensen die passeren tussen dat spanningsveld. Dit werk gaat onder andere over aanwezigheid én afwezigheid.


Op je expo ligt ook een koperen plaatje met een zelfgeschreven tekst in gegraveerd, kan je me hierover ook iets vertellen? Hoe ben je hiertoe gekomen?

Van Dorpe: Ik vroeg me af hoe iemand een liefde voor een object kan opvatten. Hier link ik het object aan een gedachte, een gedachte die op verschillende manieren kan begrepen worden en die bovendien ook een metafoor is voor mijn werk. De gedachte krijgt gewicht doordat ze op koper gegraveerd is. Het metaal wordt opgeladen met betekenislagen. Op het moment dat iemand zich gaat identificeren met dat verhaal, gaat hij dat object als iets persoonlijks herkennen en daarom wilt hij het ook hebben. Je mag dat natuurlijk ook allemaal niet zonder de nodige humor bekijken.


Hoe begin je aan zo’n werk?

Van Dorpe: Ik heb geen enkel systeem.


Wat wil je nog bereiken met je kunst?

Van Dorpe: Ik heb daar terug geen antwoord op, want daar ben ik niet mee bezig. Maar dat zal ook wel wat gelogen zijn. Het belangrijkste is eigenlijk met bepaalde mensen omgaan die met dingen bezig zijn die interessant zijn, net als op andere plaatsen komen ook.

Misschien zou ik eigenlijk een methode willen hebben om werk te maken, zodat ik er niet te veel hoef over na te denken, maar dan zou mijn werk heel saai worden.


Voel je jezelf een levensverbeteraar?

Van Dorpe: Neen. Er zitten zowel idealen als utopieën in mijn werk maar evenzeer ranzige kanten. Het is des levens.


Hebben uw kinderen invloed op uw kunst?

Van Dorpe: Niet rechtstreeks denk ik.


Ben je 24/24 met je kunst bezig?

Van Dorpe: Ja en neen. Ik ben er altijd en nooit mee bezig.


Heb je nog andere hobby’s buiten de kunst?

Van Dorpe: Niet direct dat ik weet. Trouwens kunst is bij mij ook geen hobby hé!


Als je jong was, wist je dan, ik word kunstenaar?

Van Dorpe: Op sommige momenten wel, want ik kon heel goed tekenen als kind.


Als je geen kunstenaar was geworden, wat dan wel?

Van Dorpe: Hilde wat een vreselijke vragen! En ik wist op voorhand dat je deze vraag ging stellen en toch heb ik er niet over nagedacht, omdat ik daar gewoon te lui voor ben... Maar dat kan ik toch niet weten. Misschien wel landloper!


Zie je jezelf als opa nog terug verf en penseel ter hand nemen?

Van Dorpe: (lacht) Ik denk het niet, maar ook dat kan ik toch niet weten?


Heb je nog rare trekken of rituelen voor je aan ‘kunst maken’ begint die je met de buitenwereld wilt delen?

Van Dorpe: Euch… neen hoor!


Stijn, bedankt om je interessante zielenroerselen bloot te leggen!


Hilde Van Canneyt, Gent, vrijdag 5 december ‘08


Stijn Van Dorpe stelt nog tot 14/12/08 tentoon in galerij TRANSIT in Mechelen.

WWW.TRANSIT.BE

interview met stief desmet


Ik voel Stief Desmet aan de tand op een blauwe maandagmorgen, terwijl buiten de sneeuw naar beneden dwarrelt en een gezamelijke vriendin een lekkere brunch voor ons bereidt. Stief zijn expressieve vormen-en kleurentaal gegoten in fantasierijke schilderijen, sculpturen en video's zijn momenteel te zien in Galerie Fortlaan 17 aan het Gentse Citadelpark.

Is het waarvan je gedroomd had toen je een jaar geleden aan de voorbereiding van je expo begon?

Stief Desmet: Ik heb nooit een uitgekiend idee waarmee ik begin, laat staan dat ik weet waar ik eindig. Ik werk maar door in het atelier en zie dan wat de ‘bruikbare vruchten’ zijn. Ik heb nooit een vooropgesteld beeld en werk ook niet in reeksen, ik had dus totaal geen idee welke kant mijn werken op gingen gaan. Maar elke tentoonstelling doet deugd omdat mijn werk eens in een andere, 'cleane' context te zien is, ontdaan van de geladen chaos in het atelier.

De titel van de expo heet: ‘In these woods tonite’. Deze titel had je in ’05 ook al gebruikt voor een schilderij. Vanwaar de nood met dezelfde woorden de inhoud van je expo weer te geven? Lag dat dichter bij je werk nu dan de titel van je vorige solo: ‘Phantasia’?
Desmet: Die titel is er pas achteraf gekomen omdat die sfeer van het nachtelijke woud de gehele lading dekt. Het was geen vooraf bepaalde werktitel, maar achteraf was het wel iets dat klopte bij het grotere verhaal. Ik heb die titel inderdaad vroeger al gebruikt, maar als je naar mijn schilderijen kijkt zie je ook hier en daar een beeldtaal die ik van vroeger recupereer. Tekst en beeld worden op die manier als het ware gerecycleerd binnen in mijn eigen oeuvre.

Ik las in de bijgevoegde tekst van je expo dat ‘recuperatie’ het centraal gegeven is in je werk. Leg eens uit?
Desmet: Zoals ik al zei vind ik het niet erg om reeds gebruikt beeldmateriaal nog eens opnieuw te gebruiken. In een ruimere context gaat mijn werk over recuperatie in die zin dat het veelal gaat over beelden die er niet meer zijn in hun oorspronkelijke zin, en nu maar gerecupereerd worden onder de vorm van logo's, tekenfilmfiguren, kitsch op grootmoeders schouw enzomeer.

Verklaar je nader.
Desmet: Ik kan dit best illustreren met ‘het hert’. In vroegere tijden waren herten overvloedig aanwezig in onze contreien. Ze zijn verdwenen door overbejaging, verstedelijking, enz... Nu wordt het hert op een artificiële manier gerecupereerd door bronzen in het park, logo's bij slagers en apothekers, porceleinen postuurtjes, hertenfarms,… Het hert is maar één voorbeeld. Maar het gaat veelal om een gemis van iets dat leeft onder de mensen, waarmee ze zich toch koste wat kost willen omringen. Een plant in de living is hier ook een voorbeeld van.

Je vertrekt altijd van figuratieve beelden, schrikt het zuiver abstracte je af?
Desmet: Die figuratieve beelden dienen vooral om een toegang of een houvast in het werk te creëren. Wat daarna gebeurt is veelal abstract expressionistisch, recht uit ‘den buik’. Maar er zijn al zoveel beelden aanwezig in onze omgeving en die zorgen voor een bepaalde onrust, dus wil ik daar iets mee doen. Ik vind het interessanter om bestaande beelden opnieuw te gebruiken in een nieuwe constellatie, al dan niet samen met een flard tekst, in plaats van zoals bijvoorbeeld de kubisten nieuwe beelden te creëren. Dat is die ‘sampling’, beelden uit ons collectief geheugen in een nieuwe context gebruiken waardoor ze een nieuwe lading krijgen.

Je neemt dus die beelden en geeft er zelf je verhaal aan?
Desmet
: Neen, want een hert is een hert en dat ik ga het niet met te lange poten afbeelden of de ogen groter maken. Een hert in Canada ziet er quasi hetzelfde uit als eentje in Frankrijk. Aan dat universele beeld raak ik niet. Als ik een
hert met grotere ogen wil, gebruik ik wel een bestaande figuur van Disney. Door dergelijke beelden te combineren met weer andere beelden en eventueel een flard tekst toe te voegen krijgt dat hert een andere connotatie. Dit gebeurt echter heel impulsief, op ‘het moment’.

Maar hoeveel invulwerk vraag je dan van de toeschouwer als je hen die herkenbare beelden voorschotelt? Gaan ze zich niet vastpinnen
op dat herkenbaar icoon?
Desmet: Ik ben mij bewust dat ‘Bambi’ of ‘Sneeuwwitje’ gevaarlijk is om mee te spelen omdat ze al duizenden keren gebruikt zijn geweest. Maar waarom zijn die al zoveel herbruikt geweest? Net omdat het zo’n sterke beelden zijn. Christus aan het kruis is ook al honderdduizend keer geschilderd en dat blijft ook een sterk beeld zonder dat het een cliché wordt. Als ‘beeld’ vind ik een piëta of de Coca-Cola wave qua kracht even sterk. Ik zie zo’n icoon als een soort voordeur van mijn schilderij, maar dan ligt het aan de toeschouwer om al dan niet dieper en dieper te graven. Trouwens achter elk van mijn werken zitten er letterlijk vier of vijf andere schilderijen die langzaam in lagen opgebouwd en weer weggeschilderd zijn.

Je schilderijen zijn opvallend grauwer dan in je vorige expo’s, alsof je nog meer wit gebruikt om beelden weer weg te vegen. Alsof je ons eerst iets wou vertellen en dan toch weer niet. Ook je vormentaal lijkt slordiger, bewust?
Desmet: Ik werk verre van bewust. Ik heb ook niet de behoefte om het medium verf te onderzoeken. Terwijl voor andere artiesten dat net de core-buisiness is: ‘welk effect kan ik daarmee krijgen, welke olieverf gebruik ik best?' Ik ben niet bezig met effecten, ik werk heel impulsief. Maar het is net dié impulsiviteit die een werk zo eerlijk maakt. Ik poog zo eerlijk mogelijk tegenover mezelf te zijn. In die optiek voel ik mij veel meer verwant met de duitse Neue Wilden dan met bijvoorbeeld de surrealisten die naar mijn goesting veel te analitisch werken. Daarom maak ik ook nooit voorstudies, die maken die hele boeiende zoektocht naar het einde van een schilderij dood. Hierdoor duurt het weliswaar heel lang voor een schilderij 'af' is.

Dat je schilderijen er deze keer ‘grauwer’ uitzien is dus toeva
l?
Desmet
: Ik heb daar eigenlijk niet bij stilgestaan. Misschien heeft
het te maken met een soort uitpuren, less is more. Alhoewel ik mij nooit een minimalist zie worden. (lacht) Omdat mijn beelden al zo druk zijn probeer ik ze rustiger te maken door het coloriet wat in te perken. Maar nogmaals, dat gebeurt onbewust en heel gevoelsmatig, door schilderijen om te draaien, ze een maand aan de kant te zetten, er een pot witte verf over te kieperen,...

Het destructieve neemt het volgens mij deze keer meer over van het idylische, alsof je een enorme strijd met dat doek en jezelf leverde.
Desmet
: Door mijn manier van werken, is elk
werk hoe dan ook een reflexie van mijn eigen psyche, zonder therapeutisch te willen zijn. Daar heb ik een bloedhekel aan. Je kan kunst niet misbruiken door ze als therapeut te gebruiken. Maar in mijn geval ben ik ook heel fysiek met dat werk bezig ben. Ik kan soms echt kwaad zijn op een doek tijdens het schilderen, en er een trap op geven of mijn koffie er op uit kwakken of erin schieten met een luchtkarabijn, of een sculptuurtje tegen de muur gooien. Zelden had ik al spijt van zo'n tornadosessie. Ook die is nodig om orde op zaken te stellen en om een extra laag aan het werk te geven. Ik heb ook geen familiale context die mij tegenhoudt, dus ik ben 24 uur per dag daarmee bezig. Op je levenspad gebeuren er dingen waardoor je een bepaalde naïeviteit kwijtgeraakt of een utopie een andere plaats krijgt. Misschien overkomt er mij volgende maand iets waardoor mijn werk er weer fleuriger zal uitzien. In die optiek is mijn werk wel autobiografisch. Een snoeppapiertje kan in mijn broekzak belanden, een jaar in mijn atelier liggen en uiteindelijk op mijn doek belanden. Of ik kan een lief tegenkomen dat mij overtuigt om schapen te gaan kweken in Nieuw Zeeland, waardoor ik misschien wollen truien begin te schilderen, of dat lief... (lacht)

Je schilderijen worden veel gelinkt met de Pop-Art. De Amerikaanse cultuur is nooit ver weg. Maar toch lijkt het of je ons de keerzijde van die sproo
kjes wil laten zien, het gedeelte dat het grote publiek wegmoffelt. Je harmoniseert op het eerste zich en laat ons dan met verwarring achter. Niets is wat het lijkt?
Desmet: Mijn werk moet één visuele en mentale trip zijn. Bij het neerzetten van het icoon gaat het puur om de visuele waarde van dat beeld. Wat daar rond gebeurt is inderdaad veelal de verborgen zijde van het verhaal, maar daar gaat de kijker zover in als hij zelf wil. En geef toe, ze spreken steeds over het gebrek aan geschiedenis in de States, maar als je bekijkt wat er de laatste 60 jaar in de States op muzikaal, literair, cinematografisch en artistiek vlak gebeurde... daar kunnen wij in Europa niet aan tippen. Geschiedenis is toch meer dan een gotische kathedraal? Geschiedenis kan gisteren zijn, of een uur geleden.

Je hebt een tijdje in Amerika verbleven om te schilderen. Heeft dat je schilderkunst beïnvloed?
Desmet: Neen. Maar wel mijn ‘goesting’ naar ruimte om te ‘bougeren’ om me heen. Letterlijk en figuurlijk. We zitten hier zo dicht op elkaar dat het soms verstikkend werkt.

Ook de wolf is een constante in je werk. Heeft je alter-ego ‘Wolfman’ daar iets mee te maken?
Desmet: Dit gaat meer over het overkoepelende gegeven waar ik mee bezig ben en waarover ook die herten gaan. De wolf is dan weer een sterk icoon als je dat doortrekt naar mijn Alpha-sculpturen, half wolf, half Duitse Scheper. Een wolf is een heel mooi voorbeeld van hoe we de natuur proberen naar onze hand te zetten. 10.000 jaar geleden is de eerste wolf gedomesticeerd geworden, vervolgens zijn we hem beginnen kweken en kruisen en hebben we een gigantisch scala honden naar onze noden gekneed. Dan is er ook het waanbeeld ‘lycantrophy’ genaamd, waarbij een 'patient' zich een wolf waant. Dat komt weer neer op die recuperatie, de mens die dat stukje dier in zich wil bewaren, maar hier op een behoorlijk extreme manier. In het verlengde daarvan is er het weerwolf verhaal. Ik deins er zelf ook niet voor terug om mijn wolvenmasker op te zetten en in ‘mijne puren’ in de woestijn te gaan lopen, wat ik in Arizona deed, of bij volle maan ergens in een bos naakt in een boom te kruipen. Als je echt dat beest in je toelaat zijn dat heel bevrijdende ervaringen. Hierover gaat ook de video ‘Lycantrophy’ die in de kelder van de galerie te zien is. Hier fiets ik als half naakte wolf door de straten van Parijs. En neen, ik ben niet rijp voor de psychiatrie, noch ben ik duivelsgebroed. Ik vind gewoon dat we zo nu en dan de ‘elementen’ in ons lijf en hoofd moeten binnenlaten. Ikzelf toch, anders hou ik het niet uit in de stad.

Het jachtthema laat je ook niet los. Waarom blijft je dat fascineren?

Desmet: Ik was vroeger enorm anti-jacht, maar nu zie ik dat hele gebeuren in een ruimer perspectief. Dit heeft terug te maken met dat contradictorische, de natuur die we willen beheersen. Zoals een tuinman zijn tuin ook in artificiële bochten wringt. Een échte natuurliefhebber laat zijn struiken en bomen hun vrije gang gaan. Maar dat is niet te doen,want dan kan je niet meer "genieten" van je tuin. Dus we willen de natuur bij ons, we willen allemaal een tuin, die hiervoor symbool staat, maar het moet toch proper blijven. Of Japanners die bonzaï-boompjes kweken, zodat ze een boom hebben... die in hun woonkamer past. Hallo?

Je gebruikt veel woorden of flarden van zinnen om je schilderijen kracht bij te zetten. We lezen: ‘fear no more’, ‘dirty Diana’, ‘lost kingdom’, ‘there is nothing I can do man’,… Waarom zijn die soms pessimistische woorden nodig?
Desmet: Ik wil op die manier de éénduidigheid van een beeld counteren. Omdat de kijker anders te veel in één richting denkt, en door een tekstflard kan ik de kijker op een zijspoor zetten, verwarring veroorzaken, een tweede denkpiste bewandelen en dingen openlaten.

Je ‘sampled’ ook verschillende vormstijlen door elkaar, vanwaar die behoefte?

Desmet
: Ik schilder voor mezelf stilleventjes en landschapjes, heb schetsboeken vol accurate tekeningen, maar dat zijn opwarmers, vingeroefeningen. Ik vind dat niet relevant om te tonen. Mijn gesampelde schilderijen zijn veel voller.


Dan ben je met die gesampelde schilderijen toch met je publiek bezig?

Desmet: Ik ben helemààl niet met ‘een publiek’ bezig. Trouwens dat publiek is zo gevarieerd, je kan toch niet voor iedereen goed doen. Je moet daar heel koppig in zijn en ‘het maken van een werk enkel voor jezelf boeiend houden. Ik ben geen entertainer die op een podium staat, eerder een kluizenaar in zijn atelier.

Nog nooit zag ik zoveel sculpturen op je expo. Hoe
komt dat?
Desmet: Ik ben altijd met sculpturen bezig geweest, maar nu klopte het volledig in de context van de tentoonstelling. Ik werk sowieso altijd aan verschillende dingen tegelijkertijd in mijn atelier. Die sculpturen zijn voor mij een verademing omdat je met een extra dimensie zit, maar toch is het veel gerichter. In een schilderij kan je zo ‘zot’ gaan als je wil, kan je alle kanten uit, terwijl je bij een scultpuur vast zit aan je dimensies. Wat een beetje gek is, want ondanks die extra dimensie voel ik me toch beperkter bij het beeldhouwen, wat heel aangenaam is.

In de tuin van Fortlaan17 staat een imposant realistisch beeldhouwwerk met drie trotse herten. Op het eerste zicht een mooi esthetisch beeld, maar op het tweede zicht ontdekken we dat er stukken uit de lichamen ontbreken. Zo ook bij je kleine sculpturen.
Desmet: Met die uitsnedes wil ik aantonen dat die herten of andere afbeeldingen ruïnes geworden zijn. Die herten zijn geen echte herten meer maar overblijfselen die we geromantiseerd hebben. Idem met mijn sculpturen van romantische koppeltjes, het lijken op het eerste zicht ideale plaatjes, maar dan zie je de stukken eruit. En ofwel vult de kijker zelf die uitsnedes in, ofwel laten ze het zoals ik ze aan jullie voorstel. Sowieso ben ik altijd met het visuele aspect bezig, ik ben dan ook beeldend kunstenaar. Ik wil dat het beeld steekhoudt, ook qua vorm en compositie, alhoewel die drastische uitsnijdingen ondoordacht en heel impulsief en direkt gebeurden, met de electrische zaag of slijpschijf.

Er hangen ook twee sculpturen die een ruwe zwarte realistische hand voorstellen. In de ene hand ligt een dood hermelijntje, in de andere hand prikt een vogeltje zaadjes uit de hand. Verklaar u nader…
Desmet: Ik had die opgezette beestjes staan in mijn atelier en die rubberen zwarte handen zijn weerwolfhandschoenen van een Halloweenpak die ik ‘opgezet’ heb en in zwart e verf gespoten heb. Die diertjes en handschoenen zijn samengekomen zoals ook mijn schilderijen ontstaan, ze slingerden beide rond in mijn atelier, en plots leken ze samen te horen en kregen ze zo een nieuwe gelaagdheid. Ik wil gewoon poëtische beelden scheppen en zeker niet pamfletair zijn, anders zou ik wel in de politiek gaan. Ik laat zoveel mogelijk open en wil het beeld niet kapotmaken door alles analytisch te gaan uitleggen.

Ik las dat voor jou schilderen puur escapisme is, maar geldt dat ook voor je beeldhouwwerken? Want het lijkt me dat je in je beeldhouwkunst minder gevoel steekt dan in je schilderijen, ze zijn veel koeler en cleaner.
Desmet
: Die beeldhouwerken zijn vooral en bijna exclusief gebouwd rond het icoon, zoals een hertje, een koppeltje,… op mijn schilderijen staan die iconen er ook clean op. Ik wil niet te veel veranderen aan een icoon zoals ik al zei en hier werk ik inderdaad niet zo gelaagd, maar het beeldhouwwerk is voor mij een medium dat evenwaardig naast mijn schilderijen, video’s, performances, installaties en fotomontages staat.


Inderdaad, murals, action-video’s en performances zijn je niet vreemd. In deze expo zien we de video van ‘Sur La Route’, waar we je met een wolfskop op en een bijna naakt lichaam door het Parijse landschap zien razen tot aan de Champs-Elysée. Vanwaar die uitdagingen telkens? Zie je dat als een aanvulling bij de beperking van het witte canvas?
Desmet: Het is een medium als een ander. Het dynamische van een wolfman op zijn fiets kan je nu eenmaal niet schilderen en kan ik maar beter weergeven met een bewegend beeld, dus maak ik er een video van. Hierbij kan ik gelukkig rekenen op de expertise van Benny Vandendriessche, die als het op video aankomt, onmisbaar is voor mij. Het is ook gewoon plezant om te doen, samen met maten 's nacht de stad intrekken en een video maken. Meer moet dat soms niet zijn hé! Trouwens, waarom zou ik me moeten beperken tot het canvas?

Uw kunstuitingen zijn ook heel sensitief, zijn ze allemaal een soort zelfportret?

Desmet
: Ze tonen waar ik op dat moment mee bezig ben. In dat opzicht zijn ze inderdaad zelfportretten of eerder autobiografieën, zonder dat ik daarvoor mijn eigen kop hoef te schilderen. Gelukkig maar! (lacht)


Je thema’s over de ‘American Dream’ lijken wat weggeëbt, Easy Rider en Jack Kerouac lijken van de horizon te verdwijnen. Ook het thema ‘sex’ is subtieler aanwezig. Is Stief Desmet volwassener aan het worden?
Desmet
: Zat er dan expliciete sex in mijn vroeger werk? (lacht) Ik was gewoon met andere dingen bezig afgelopen jaar. En ik hoop dat ik 'On the road' op mijn zeventigste nog steeds met hetzelfde enthousiasme zal lezen dan op mijn zeventiende, en dat ik als grootvader nog evenveel zal genieten van ‘Sneeuwwitje en de zeven dwergen’ als toen ik zes was. Laat me op die manier dan maar eeuwig jong blijven.


Je hebt je in interviews ook al laten ontvallen dat je wel houdt van het low-browgehalte in je werk. Je vindt dat kunst toegankelijk moet zijn voor iedereen. Uit zich dat ook naar andere kunstwerken, kunstenaars of galerijen?
Desmet
: Ik heb niks tegen conceptuelen ofzo, integendeel, ik kan er met volle teugen van genieten, maar als kunstenaar kan ik daar niet genoeg in bougeren. Daarvoor hou ik te veel van de expressionistische handeling van het schilderen, ik hou van dat fysieke element, de verrassing, het ongecontroleerde. Het moet vooruit gaan. Misschien lijkt mijn werk toegankelijker omdat ik vanuit herkenbare beelden vertrek. Maar kunst in het algemeen moet daarom niet perse voor iedereen toegankelijk of begrijpelijk zijn. Ik versta ook geen fluit van cricket, maar mocht ik dat echt willen, dan ga ik me er wel in verdiepen. Hetzelfde geldt voor hedendaagse kunstenaars. Niemand wordt verplicht een museum binnen te stappen, zoals niemand mij verplicht een cricketwedstrijd te volgen.

Hoe vergelijk je jezelf met andere buiten- of binnenlandse kunstenaars? Voel je je gerespecteerd door de andere beeldende kunstenaars of voel je je eerder een outsider?
Desmet: Ik vergelijk mezelf met niemand. Ik denk dat dat eerder verlammend dan stimulerend werkt.

Als je luidop mocht dromen, waar zou je graag je werk zien hangen?

Desmet: Daar heb ik nog niet over nagedacht, blijkbaar ben ik daar niet echt mee bezig. Dat maakt geen deel uit van mijn onderzoek, mijn onderzoek vindt plaats in mijn atelier, wat daarnaast gebeurt is mooi meegenomen, maar niet de essentie.

Je had vroeger een muze, ‘S’ gegeten, inspireert ze je nog altijd?
Desmet
: Neen. (lacht)


Vind je niet als kunstenaar dat je altijd een muze nodig hebt of verschillende muzes zelfs?
Desmet: Een muze is iets heel romantisch 19e eeuws. Een muze kan fijn en intens zijn en dat zal dan waarschijnlijk wel doorsijpelen in mijn werk, maar op het moment zit ik zonder. Tenzij je een edelhert ook als muze beschouwt. (lacht)

Presteer je beter in een relatie of als je vrijgezel bent?

Desmet: Dat hangt er vanaf wie de dame in kwestie is. Maar een kunstenaar is sowieso egoïstisch ingesteld en heeft geen 9 to 5 job, en dat kan wel botsen in een relatie natuurlijk.

Op je vernissage schalde rock- en popmuziek door de boxen wat voor mij een extra dimensie aan je werken gaf. Bij de voorbereiding van dit interview legde ik ook spontaan popmuziek op, terwijl ik bij Kris Martin eerder voor klassieke muziek koos. Vind je dat muziek past bij het bezichtigen van beeldende kunst of vind je dat er in volstrekte rust naar beeldende kunst moet gekeken worden?
Desmet: Ik had enkele dagen voor de vernissage aan een DJ gevraagd om mijn expo te bezichtigen en op basis van wat hij zag en voelde bij mijn werken muziek te kiezen voor de vernissage. Het is hele obscure en ‘weirde shit’ geworden die hij aan elkaar mixte. (lacht) Muziek is voor mij heel belangrijk terwijl ik werk. Maar ook daarin is mijn keuze heel eclectisch. Dat gaat van underground hip hop, naar renaissancemuziek van Marain Marais, tot free jazz en stoner rock of psychedelica uit de jaren 60. Maar eigenlijk is het beter om in alle stilte naar kunst te kijken want anders heb je nog een ‘input’ extra die in de weg kan staan en kan beperken om dingen anders te zien.
Je mag een vernissage ook niet vergelijken met de 'normale' kijkomstandigheden in een galerie of museum. Er moet vooral gedronken worden op die momenten, een soort bachanaal, een viering na hard werken aan een oeuvre dat nu wordt losgelaten. Ik voel ook letterlijk mijn nekspieren verslappen op zo'n avond. Ofwel komt dat door de alcohol… (lacht)


Hoe ziet een Stief Desmet werkdag eruit?
Desmet: Ik probeer daarin gediciplineerd te zijn en om tien uur in het atelier te zijn, maar dat lukt niet altijd. Zeker niet als ik de nacht ervoor tot het ochtendgloren doorwerkte of als er ergens een leuk feestje was natuurlijk.

Ik denk niet dat je een kunstenaar bent die na 18u zijn knop omdraait, maar eerder constant alles uit zijn omgeving opslorpt en er dus eigenlijk 24/24u mee bezig is, klopt dat?

Desmet: Ik ben er inderdaad altijd mee bezig, maar in feite is dat een ‘way of being’, ik zie dat niet als een job. Ik ken ook niets anders.

Welk offer wil je niet brengen voor het kunstenaarsschap?


Desmet: ‘Mijn beider handen’.

Als Stief Desmet geen kunstenaar was geworden, dan was hij…
Desmet: Gouverneur van een schaars bewoond eiland in de Stille Zuidzee...

Bedankt voor het toffe gesprek Stief!

Hilde Van Canneyt Gent, maandag 24 nov. 2008

de tentoonstelling van Stief Desmet 'in these woods tonite' loopt nog tot 31 januari 2009. alle info op www.fortlaan17.com