interview werner mannaers

De wondere wereld van Werner Mannaers. Zo zou je zijn Antwerps schildersparadijs kunnen noemen. Gewapend met een doos pralines trok ik naar zijn atelier waar we het hadden over het leven, de liefde en de kunst. Een stukje van het ‘on the record’ gesprek volgt hieronder. De spreuk horen, zien en zwijgen eigen ik me toe als het om het ‘off the record’ gesprek gaat…

Hilde Van Canneyt: Gisteren keek ik in de S.M.A.K-bibliotheek je Cahier de brouillons-boek in en ik kreeg er onmiddellijk een warm gevoel van. De échtheid en het gevoel waarmee je die kleine pareltjes gemaakt hebt, druipen van elke bladzijde. Eén van de fijnste kunstboeken die ik de laatste tijd ingekeken had!


Werner Mannaers: Bij de eerste samenstelling van Cahier de Brouillons -schrift van kladjes - hebben we 8776 tekeningen geteld waarvan we er een 720 geselecteerd hebben. Sinds ’89 ben ik intensief beginnen tekenen in dagboeken. Die tekeningen noem ik mijn voorspel, al komt niet uit elke tekening als dusdanig een schilderij. Ik probeer mijn eigen werk te samplen en de synthese van sommige tekeningen komen soms in zijn halve hoedanigheid op het doek.


Deze week heb ik ‘I’m too sad to tell you’ gemaakt, maar zoals je ziet heb ik dat paardenhoofd niet helemaal juist geschilderd. Philippe Van Cauteren zou zeggen: het net niet kunnen. Maar daardoor ziet dit schilderij er echter uit, al had ik het in mijn schetsboek nog radicaler uitgetekend.









Als je dan begint te schilderen moet het ‘voor echt’ zijn, waardoor het soms misschien minder ‘echt’ is omdat je meer nadenkt.


Mannaers: Op het eerste zicht is het inderdaad gekunsteld, op het tweede zicht niet meer. Fouten die ontstaan zijn door praktische onhebbelijkheden, bijvoorbeeld slechte tape, laat ik wel. Ik noem dit emphatische fouten, een woord dat in het S.M.A.K. is ontstaan tijdens de accrochage van de expo. Ik laat alles aan het toeval over, terwijl toeval voor mij niet bestaat. Als mijn werkaf’ is, ga ik wat eten en een krant lezen, om dan na een paar uur later terug naar mijn atelier te gaan en mijn schilderij met de blik van een vreemde te bekijken.


Ik koester het verlangen om mijzelf te analyseren binnen het werk dat ik net gemaakt heb. Maar het schilderen als dusdanig is gewoon een handeling, ik gebruik toevallig verf, ik noem mezelf dan ook geen schilder, wel een beeldend kunstenaar die schildert. Ik heb bijvoorbeeld helemaal geen ruimtelijk inzicht om beeldhouwer te kunnen zijn. Het ligt mij in het platte vlak, je ziet dat er weinig of geen textuur aanwezig is. Ik wil dat de beeldinhoud letterlijk en figuurlijk verdwijnt in het platte vlak en via de mentale onderlagen terug naar buiten komt.


Laten we even nog naar je dagboekschetsen gaan in Cahier de brouillons. Je lijkt helemaal geen schaamte te hebben om je frustraties en verlangens op papier te zetten, maar je wist natuurlijk niet op voorhand dat die ooit gingen gepubliceerd worden. In die tekeningen smijt je letterlijk je gevoelens onbezonnen op het blad, in je schilderijen is er meer terughoudendheid.


Mannaers: Ik had inderdaad nooit gedacht dat die tekeningen ooit gingen gepubliceerd worden en heb tot de dag van de publicatie (oktober 2007) niet geweten welke van de meer dan 8000 werken men ging publiceren. Mijn nieuw tekendagboek heb ik ‘The Nadia-series’ genoemd en daar ga ik me tot het agressieve toe helemaal in uiten. Er is een uitspraak van mij, I’m not a monochrome, die nogal legendarisch is geworden, waarmee ik duidelijk maak dat ik niet in één mentaal vak te pakken ben. Meestal schrijf ik wel een bemerking bij mijn tekeningen, maar het echte schrijven gebeurt meestal in mijn schrijfboek erna, niet over mijn werken die ik net gemaakt heb, maar over het concept van mijn oeuvre.


Is alleen beeld of alleen woord te beperkend voor jou?


Mannaers: Op mijn schilderijen schrijf ik het laatste jaar minder. Ik schrijf de titel er onder op een blaadje papier. Mijn schilderijen worden esthetischer met de dag, ik wil ze ook niet handtekenen, dat maakt geen deel uit van het beeld.


Als ik zeg dat je Cahier de brouillons iets puberaals heeft, vind je dat een compliment of een belediging?


Mannaers: Puberaal vind ik een slecht woord, het is te zachtzinnig, te pejoratief, te weinig intens. Puberaal is oppervlakkig. Mijn humor is heel ernstig. Humor is een vorm van bewustzijn en ironie een houding.


Je kan toch niet zien aan je ‘brouillons’ dat ze gemaakt zijn door een man van 50 jaar?


Mannaers: Er staat geen leeftijd op, gevoelens zijn trouwens universeel. En ja, ik stel me kwetsbaar op. Mijn laatste opmerking hier in mijn schetsboek: ‘Thinking about not thinking’, tja, dat moet het dan maar zijn… Mijn leven en mijn werk zijn - soms tot groot drama van mijn omgeving - compleet één.


De laatste vijf jaar ben je bezig de liefde terug een plaats te geven in je leven door de relatieproblemen met je vrouw…


Mannaers: Aan de titels van mijn schilderijen kan je zien wanneer mijn vrouw weg was, wanneer ze er terug was en zelfs wanneer ze ‘van zinnens’ was terug te komen. In mijn tekeningen kan je heel die curve zelfs per datum volgen.


Wat tekende je dan in je ‘schrift der kladjes’ toen je liefdesleven nog koek en ei was?


Mannaers: Hoe groter het spanningsveld binnen mijn leven, hoe groter het spanningsveld binnen mijn oeuvre. Van ’89 zet ik er data op, werk ik op hetzelfde formaat - altijd horizontaal - en dat geeft me structuur en veiligheid. Vroeger tekende ik maar in het wilde weg op alle formaten, totaal niet geclasseerd.


Tekenen als therapie?


Mannaers: Mijn neuropsychiater vind me een vette kluif natuurlijk. (lacht) Hij vraagt me ook altijd mijn laatste tekenboek mee te brengen. Ik zou het niet therapeutisch noemen, dat is zo’n ziekelijk woord. Want als ik me echt slecht of gekwetst voel, kan ik werkelijk niks op papier of doek zetten. Als ik me supergelukkig voel idem, dan zie ik er het nut niet van in om te tekenen, omdat ik de juiste spanning niet kan opwekken, dan kan ik het scherp van de snee niet halen. Dan maak je flauwekul. Ik ben nu net mijn echtscheidingspapieren gaan tekenen en toch maak ik dit prachtig schilderij ‘All dangers are equal’, terwijl ik de tekening twee dagen geleden gemaakt heb.


We gaan van je Cahiers de brouillon over naar je boek ‘Anyth_=’ naar aanleiding van je expo in het S.M.A.K. enkel maanden terug. Als ik tussen je schilderijen liep, voelde ik me er onmiddellijk in thuis, wat ik niet altijd kan zeggen van expo’s in het S.M.A.K..


Mannaers: Oorspronkelijk waren we van plan de expo op te bouwen rond historische sleutelwerken omdat ik me in de jaren ’90 nogal bezighield met ‘appropriation’ uit de kunstgeschiedenis waaruit ik me dingen toe-eigende. Een voorbeeld hiervan is mijn schilderij uit ’93: ‘Rubber-Porn’ met de kleptomaan van Gericault. Dit heb ik geschilderd onder het motto: ‘ik steel niet, ik vind’, een uitspraak van Picasso. Gaandeweg ben ik daar van afgestapt en ben ik me dingen uit mijn eigen verleden gaan toe-eigenen en mezelf in mijn diversiteit gaan kopiëren naar inhoud en kleur. Van die oorspronkelijke sleutelwerken zijn we dus eigenlijk afgestapt. Het schilderij Anyth_= bleef door Van Cauteren zijn hoofd spoken en hij kwam tot de slotsom dat wat mijn schilderijen interessant maakt het kantelen en het ‘fehlen’ is, het ‘net niet’, het ontbreken. Ik kantel altijd tussen esthetiek en plasticiteit. Tot hoever mag ik die fouten maken? Zoals bijvoorbeeld dat monochroom uitgeveegd vlakje bovenaan het schilderij Anyth_=. Toch stuur ik die fouten, zoals ik plakbandjes opzettelijk te kort laat om het toeval te laten gebeuren. Daarom zeg ik: toeval bestaat niet.


Op mijn schilderij hier in mijn atelier ‘Wheeping together in Vienna, zie je onderaan twee roze vingerafdrukken en ik heb dat ook zo gelaten. De mensen die het gekocht hebben vonden dat ook het meest interessante. Ik kleef ook altijd natte tape tegen natte verf - tegen alle technische principes in - want ik wil niets met techniciteit te maken hebben, zodanig dat je nadien ook een laagje verf mee hebt. Ik heb hier vanuit de buik met complementaire kleuren gewerkt, als je lang kijkt begint alles te vibreren.


Terug naar je S.M.A.K.-expo. Om het simplistisch te zeggen: hebben jullie op het gevoel af de werken gekozen om te exposeren?


Mannaers: Leuk leuk, wat een woord Hilde! Uit een selectie van 212 werken die aanwezig waren, hadden we er na één dag nog 57 over, na twee dagen nog 40 en de derde dag zijn we bij 38 werken gestrand.


Wie had het meest daarover te zeggen? Jij, Philippe Van Cauteren (directeur S.M.A.K.) of Thibaut Verhoeven (coördinator S.M.A.K.)?


Mannaers: We hadden op voorhand afgesproken om iedereen dezelfde getons te geven met inzet. We kozen elk enkele werken uit en zo zijn we van zaal naar zaal beginnen kiezen en verschuiven. Daar hebben we 3 dagen en avonden over gedaan. Zij hebben een ander buikgevoel dan ik en dat maakte het net zo interessant – en hevig! (lacht) Soms moesten we allemaal eens een uurtje weg om tot rust te komen en afstand te nemen.


Uit je boek heb ik een paar kernwoorden uit het interview met Thibaut Verhoeven gehaald.


Van RHIZOMATISCH had ik zelf nog nooit gehoord.


Mannears: Ik ook niet. Maar hij verklaart zich nader: hij vindt mijn schilderijen rhizomatisch in die zin dat ze een kluwen zijn van in elkaar ingrijpende thema’s, technieken en stijlen. Dus ja, ik ben akkoord.


TRANCE


Mannaers: Als ik naar de winkel ga en kleuren of doeken koop, dan is dat vanuit mijn buik, ik kies wat mij op dat moment een goed gevoel geeft. Idem voor de verf die op mijn palet ligt en die ik op mijn doek aanbreng. Als ik achteraf mijn werk bekijk, weet ik niet meer waarom ik op dat moment die kleur heb gebruikt, alsof ik in een trance aan het werken was.


OVERSCHILDEREN


Mannaers: Gisteren had ik een werk aangezet, ging ik binnen wat rusten en probeerde ik me te herinneren wat ik geschilderd had. Philippe Van Cauteren zegt dat herinneringen meestal vol fouten zitten en maar half zijn, maar dat die dan wel de essentie van dat werk zijn. Via mijn herinnering poog ik dan te ontdekken of mijn werk klopt of niet. En zo kom ik gauw tot het overschilderen. Ik heb een esthetisch denken en narratief denken in mijn werken. Dit lieftallig zelfportret, ‘I wish I knew you before’ zou je een narratief schilderij kunnen noemen en die neigen meer naar mijn tekeningen.


CHAOSCONTROLE


Mannaers: Er zit een structuur in mijn chaos in die zin dat ik altijd vind wat ik nodig heb. Dat kan je ook figuurlijk nemen. Binnen mijn chaotische geestelijke gedachte vind ik na uitpuring, door te herdenken en te herstructureren en heranalyseren de essentie van wat eigenlijk al lang moest geweest zijn. Ik hou ook van het woord procesmatig, want ik werk nooit resultaat gebonden. Vandaar dat ik me echt vreemd voel als ik een dag of twee later mijn eigen werk terugzie. Dan probeer ik me te herinneren hoe ik in godsnaam die spanning heb kunnen opwekken. Dat heeft het voordeel dat herhalingen bij mij niet van toepassing zijn. Ook niet qua –ismen.


Hoe noem jij je schilderkunst eigenlijk?


Mannaers: Dan moet ik weer mijn vriend Van Cauteren citeren die mij de enige ‘niet figuratieve non abstracte schilder’ vindt.


RISICO’S


Mannaers: Goede kunst ontstaat altijd uit risico’s nemen en dat kan je je maar permitteren als je kennis van zaken hebt. Als we het over het metier hebben: kunst komt niet altijd van kunnen, vooral van zijn. Aan de andere kant komt het ook van kennis, van ter zake. Geen enkele kunstenaar kan zonder de kunstgeschiedenis leven, al kan dat verleden ook vlakbij zijn. Telkens puttend uit het risicovolle ondernemen, het proces dat je doorgemaakt hebt, altijd de risico’s scherper stellen of net niet. Dan komen we terug op Anyth_: dat alles of niets betekent, alles behalve dat. Het gaat over dat kantelen, maar dat kan ook naar de inhoud getrokken worden. Het gaat over liefde, ontroering, verlangen én het plezier van het schilderen.


FRESCO’S


Mannaers: Ik ben een grote fanaat van fresco's omdat de manier van schilderen, samen met de inhoud van de materie, letterlijk verdwijnt in de muur. Die in zichzelf kerende beeldinhoud verdwijnt op zo’n zachte, serene, ontroerende manier, ook mentaal, terwijl wat je daar van terugkrijgt - het zuivere uitgepuurde gehalte - je sprakeloos doet staan. De titels die ik zelf aan mijn schilderijen geef, moeten eigenlijk ook gaandeweg alleen met de toeschouwer weg, dat is althans mijn bedoeling.


Terug naar je atelier. Hoe voel je als een tekening of schilderij àf is?


Mannaers: Daar heb ik geen antwoord op. Dat voel je.


Is stoppen het moeilijkste?


Mannaers: Beginnen en stoppen is even moeilijk. Er gaat heel veel aan vooraf. Het gebeurt dat ik een fond op een schilderij zet om het witte doek te doorbreken en dat het weken duurt eer ik dat schilderij aanpak om het dan in een uur af te hebben. Heel de 'memory' die ik opgeslagen heb komt dan op het doek. Het narratieve dat ik op mijn doek schilder gebeurt zelfs in vier- vijf minuten. De werken die af zijn blijven dan enkele weken hangen om me er blijvend mee te confronteren. Is een werk niet zo sterk als gedacht, dan draai ik het naar de muur, om me er na enkele weken terug mee te confronteren. En dan hang ik het schilderij op een andere plaats. Dat was in het SMAK ook het moeilijkste, de plaatsbepaling, maar na deze positieve kater begin ik nu ook museaal te denken. Zo zie je dat die structuur binnen mijn zogenaamde chaos georganiseerd is. Ik durf me zelfs controlefreak te noemen.


Laten we teruggaan naar hoe het allemaal begon…


Mannaers: Op mijn zevende ben ik naar de tekenacademie gegaan. Ik heb zelfs nog een zelfportretje over van toen ik 11 jaar was. Je ziet daar al mijn voorliefde voor Cézanne. Als puber was iedereen aan het voetballen, maar bleef ik verder schilderen. Dan ben ik naar Sint-Lucas getrokken om schilderkunst te gaan studeren en heb ik er een pedagogische opleiding aangebreid. Na mijn studies heb ik nog zes jaar naaktmodel gevolgd in de avondschool. Dan ben ik fulltime les beginnen geven en ben ik gehuwd… Pas sinds 1989 ben ik dan echt gedreven en professioneel beginnen schilderen.


Wat schilderde je toen?


Mannaers: Kleine abstracties met weinig figuratie. Ik schilderde minder filosofisch, mijn belezenheid was toen ook minder.


Wie waren toen je voorbeelden?


Mannaers: Cézanne, Manet en bij de abstracten Barnett Newman met zijn ‘zip’. Zo schilderde ik zelf eens een monochroom met daarop geschreven: ‘No zip’. Niemand begreep over wat dat ging. (lacht)


Wie kan je nu als je voorbeelden stellen?


Mannaers: Ik ben nogal een fan van Kippenberger, dat is duidelijk. Mike Kelley en de orgastische fantasieën van Paul Mc Carthy kunnen me ook bekoren. Zo doorkruis ik heel het hedendaags landschap… Ik ben ook geabonneerd op zowat alle hedendaagse kunsttijdschriften.


Wanneer werd je opgepikt als kunstschilder?


Mannaers: Rond mijn dertigste ben ik in galerij ‘De Ziener’ in Asse gestapt en daar ben ik achttien jaar gebleven.


Zou je je carrière anders aanpakken als je 25 jaar terug in de tijd mocht gaan met de dingen die je nu weet?


Mannaers: Helemaal niet. Het procesmatige ligt in mijn karakter. Ik hou van de langzaamheid binnen het ontstaan en dat refereert zich ook constant binnen mijn werk. Het stilstaan bij een werk, het overleggen, het wat, wanneer, hoe? De vlugheid is er wanneer je letterlijk de materie op het doek zet, maar het proces is héél traag.


Hoe profileer jij je tussen de andere hedendaagse kunstenaars?


Mannaers: Ik voel me op en top een hedendaagse kunstenaar.


Als ‘snotneuzen’ zeggen dat schilderkunst passé is, hoe reageer je daarop?


Mannaers: Die ‘snotneuzen’ heb ik nog nooit ontmoet… Men heeft me ooit eens een conceptuele schilder genoemd, terwijl dat eigenlijk een eponiem is van elkaar. Alle kunst ontstaat uit een concept. Robert Ryman, een Amerikaanse schilder, is volgens mij één van de beste schilders die er is – er zal trouwens in het S.M.A.K. een confrontatie komen met Amerikaanse artiesten en mij - en ik heb het schilderij 'Privy White' gemaakt als hommage aan hem. Een grijs doek met twaalf verschillende witte kleurvlakken, omdat Robert Ryman heel zijn leven als schilder onderzoek deed naar het ultieme wit. Om verder te gaan over het feit dat een conceptuele schilder niet zou bestaan: Robert Ryman is dat dus wel, maar hijzelf zegt: volgens mij ben ik enkel en alleen een schilder.


Meet jij je aan andere schilders?


Mannaers: Meten is een slecht woord, het is geen wedstrijd. Ik wil weten in welke wereld ik leef en probeer een uniciteit na te streven die iedere artiest verlangd.


Je hebt niet iets van: ik ben hier een ‘oude zak’ tussen de jeugd?


Mannaers: Helemaal niet. ‘Jonge’ kunstenaars bestaan trouwens niet.


Is er kunst waarvan je walgt?


Mannaers: Dat bestaat niet. Zo denk ik niet over kunst. Al loop ik er misschien wel vlugger aan voorbij, er moet iets nagalmen. Er was een verzamelaar die hier in mijn atelier kwam en mijn geschilderde cassetterecorders wou kopen, maar ik ben geen installatiekunstenaar, ik test gewoon mijn kleuren daarop.


Heb je al domme dingen gedaan voor de kunst?


Mannaers: Nee. In mijn leven wel, maar niet in de kunst.

Heb je dingen gemist door de kunst? Door bijvoorbeeld tussen de vier muren in je atelier te zitten…


Mannaers: Dat is een gevaarlijke vraag… in de praktijk kies ik eerst voor de kunst en dan pas voor mijn leven…


Misschien moet ik eerst vragen hoe belangrijk vrouwen zijn geweest in je carrière...


Mannaers: Mijn vrouw heeft me altijd optimaal gesteund. Om het cliché te zeggen: ze heeft me altijd de nodige spanning gegeven en ook toegelaten. Als je met kunst bezig bent, is er geen schemerzone. Als ik moet kiezen tussen mijn vrouw –ondertussen ex-vrouw – of de kunst, kies ik voor de kunst.


Is je atelier de plaats waar je je het gelukkigst voelt?


Mannaers: Ja. En als ik me hier gelukkig voel, voel ik me thuis ook gelukkig. Als mijn werkdag goed verlopen is – al is dat met mislukte tekeningen en schilderijen – ben ik tevreden. Als het juiste spanningsveld aanwezig was, verlengt zich dat in de avond.


Overvalt het eenzaamheidsgevoel je nooit in je atelier?


Mannaers: Nee! Al mis ik nu ’s avonds als ik mijn huis binnenkom wel dat liefdevol gezelschap.


Is exposeren een welkome afwisseling?


Mannaers: De twee voeden elkaar, exposeren is een testcase voor jezelf. Het S.M.A.K. was een hoogtepunt in mijn leven tot nu toe.


Voel je je sinds het S.M.A.K. een geslaagd schilder?


Mannaers: Jawel. Kunst is een openbaar geheim, en zeker galerijen zijn redelijk besloten. In een museum is dat letterlijk en figuurlijk zo groot en word je op een sokkel gezet. Hoe hoger de sokkel, hoe langer en hoe breder die schaduw, hoe meer mensen in die schaduw gaan staan. Dat maakt je heel kwetsbaar. Je kan niet geloven hoeveel gezonde schrik ik had voor de opening.


Heb je negatieve reacties gehad?


Mannaers: Geen enkele die ik gehoord heb. Eén Gentse schilder heeft zo ongeveer het S.M.A.K. op stelten gezet en is door Philippe Vancauteren op het matje geroepen. Hij vond mijn tentoonstelling daar niet kunnen, vond dat het geen schilderkunst was. Maar hij heeft zijn mening nadien herzien.


Kan het nu alleen maar bergaf gaan? Of begint het nog maar pas?


Mannaers: Nu kan het alleen maar beter gaan! Ik schep grote verwachtingen voor mijn boek dat 16 januari volgend jaar uitkomt in De Garage in Mechelen, samen met een solotentoonstelling.


Dat betekent wel dat je nu een jaar gaat schilderen voor je expo, wat toch een ander gegeven is dan dat je schildert 'voor jezelf'?


Mannaers: Ik ga nu niet tien doeken tegelijkertijd maken hé, ik verplicht mezelf op dezelfde manier te blijven schilderen. Al moet ik er niet om liegen dat het wel een boost geeft. Mijn schilderijen in het S.M.A.K. waren heel subjectief gekozen door drie evenwaardige partijen en toen bleek dat 80% werken van het laatste jaar waren, wat me wel blij maakte.


Na het S.M.A.K. was er de expo Full Love in PocketRoom te Antwerpen.


Mannaers: Tijdens het gebeuren in het S.M.A.K. ben ik blijven doorschilderen voor de expo in PocketRoom, waren de schilderijen letterlijk nog nat. Ik heb ze tentoongesteld samen met andere nog niet getoonde werken.


Heb je nooit het gevoel dat je iets mist in het leven door constant te tekenen en schilderen? Vind je dat interessanter dan wandelen door het Prado in Madrid bijvoorbeeld?


Mannaers: Eigenlijk vind ik dit interessanter, dit is mijn cocon. Maar je kan er niet onder uit dat je bevestiging van de buitenwereld nodig hebt. Ik kan me voorstellen dat, als je dertig jaar schildert en geen feedback krijgt, je je wel een stuk gefrustreerder voelt, maar opgeven zou ik in geen geval gedaan hebben. Al is de testcase naar de buitenwereld toe voor jezelf heel belangrijk.


Zie je je iets anders doen dan schilderen, ook al had je nooit succes geoogst?


Mannaers: Ik schilder al heel mijn leven, ik wil niets anders doen! Maar door het ‘succes’ heb je wel de kracht om telkens verder te doen. Ik heb het geluk dat ik sinds 1990 constant ben blijven verkopen, ik weet dat mijn schilderijen overal rondhangen en dat doet wel deugd.


Hoeveel kunstenaars ook durven beweren dat erkenning niet belangrijk is, daar ben je niet mee akkoord?


Mannaers: Dat is een leugen.


In je boek Anyth_: werd een schilderij ondersteboven afgedrukt, kan je daar om lachen of is dat toch volle ernst?


Mannaers: Ik kreeg het boek een dag voor de persconferentie, zat alleen op hotel en toen ontdekte ik vijf fouten… nu moeten we het terug over die risico’s hebben. Ik heb heel dat schilderij afgetast, uitgepuurd, en al is het werk abstract, het is niet voor niets dat ik het op de voor mij juiste manier wil voorstellen. Daarbij is het ook een emotioneel werk, want het waren – onbewust? – de kleuren van het rokje die mijn vrouw die dag droeg. Vandaar de titel: ‘I love You more than Mike Kelley’ want eronder zit een gekopieerde Kelley.


Ben je benieuwd naar wat ik – zonder achtergrondinformatie – het liefde op-het-eerste-zicht-werk vind?


Mannaers: Heel benieuwd!


Het schilderij: 'By entering this space I hope to understand this world better'


Mannaers: Oei, dat is een heel pijnlijk werk! Drie weken voor architect Jo Crepain stierf aan kanker heeft hij dit schilderij gekocht… hij ervaarde dat schilderij als ‘vals architecturaal plat, een typische Mannaers’… Jo was trouwens ook de eerste die een werk van mij gekocht heeft voor zijn verzameling. Mijn boek is trouwens opgedragen aan hem.

Ik denk dat dit een sereen einde is Werner…


Hilde Van Canneyt, Kapellen, do 5 feb ’09.


Met dank aan Croxhapox, Gent


Boek: Cahier de brouillons > 40 euro.


Boek: Anyth_= > 35 euro.


Volgende expo: About flowers and taxis, 16 jan 2010 in De Garage in Mechelen.


http://www.pocketroom.be/

























interview johan de wilde











Johan De Wilde ontvangt me in zijn atelier vlakbij het Museum Dr. Guislain. Hij maakt tekeningen over de grote en kleine bewegingen die zijn leven kruisen. Zijn tekeningen zijn subtiele fijne pareltjes die enige moeite van de kijker vragen. Zodra je je durft te wagen in zijn universum wordt het alleen maar interessanter. Zijn tekeningen maakt hij mét heel veel plezier, maar niet voor zijn plezier…


Hilde Van Canneyt : Dag Johan, laten we beginnen met enkele citaten uit je boek ‘Particles’. Zo kan je tegenover de lezer je visie op je werk al wat verduidelijken. Maar misschien moet ik je eerst vragen wat de opzet van je Crox-boek was.

Johan De Wilde : Hans Van Heirseele (artistiek directeur van Croxhapox) en ikzelf hebben altijd een fascinatie voor boeken gehad en zo hebben we samen de format ontwikkeld. De Crox-boeken zijn opgevat als een tentoonstelling in boekvorm.

Zoals je op de laatste bladzijde van mijn boek kan lezen, ontstaan mijn teksten in de periferie van mijn tekeningen. Tekeningen die ik maak aan de werktafel waar jij nu aan zit, mijn biotoop zeg maar. Je zou kunnen zeggen dat ik in een mantra van geconcentreerdheid terechtkom.

Als ik een tekening maak, is het de bedoeling dat die tekening bij de kijker zoveel mogelijk andere beelden oproept, omdat de tekening de samenvatting zou kunnen zijn van veel beelden die ik al heel mijn leven meedraag. Een mogelijke condensatie die resulteert in een tekening. De tekening ontstaat als gevolg van een lang proces met verschillende stadia. Ze vloeit voort uit een soort trechter die diverse indrukken kanaliseert en samenbrengt. De bedoeling is wel dat de kijker wat werk heeft, het is niet zomaar een prent.

In Particles heb ik hetzelfde gedaan: beelden ingelast die zouden kunnen passen bij die teksten, zodat er mogelijke connecties ontstaan. Want uit die connecties ontstaan er weer andere beelden. Voor mij is het dat waar kunst over gaat: het telkens opnieuw invullen van beelden. Als beelden niet ingevuld worden, verliezen ze hun bestaansrecht.


Laten we enkele uitspraken uit je boek aanhalen.

Je eerste zin luidt: EEN VERHAAL DAT ERGENS HAPERT.

De Wilde : In het geval je mij zou verdenken een narratieve structuur in mijn leven te willen aanbrengen, zou ik willen verduidelijken dat elke tekening misschien gebaseerd kan zijn op mijn biografie, maar dat die verder geen rol speelt. De manier waarop je iets doet is van belang, de stijl waarmee je de dingen benadert en de aandacht die je eraan schenkt. Doorheen de kunstgeschiedenis zie je dat kunst daarover gaat, want er komen niet echt thema’s bij: alle thema’s zijn er immers al en alle beelden werden al eens eerder aangeraakt. Het gaat over dezelfde dingen, maar ze worden telkens op een andere manier ingevuld. Laat ons stellen dat het leven aan elkaar hangt met haken en ogen. Als je vatbaar bent voor de ontploffing van beelden, kan dat terzelfdertijd een soort hel worden omdat je je daar voortdurend van bewust bent. Ik probeer een perspectief in het leven te roepen in een poging om daar mee om te gaan.


ALLES IS WIT. TEGEN DIT WITTE LICHT VORM IK EEN BEELD.

De Wilde: Wit is van belang omdat het een abstract gegeven is. Maar wit is ook de kleur die alle andere kleuren inhoudt. Op een filosofisch niveau is dat ook zo, je spreekt dan over mogelijkheden, over hoe de dingen zich zouden kunnen aandienen. Dat sluit perfect aan bij wat ik wil doen door middel van mijn tekeningen: ik presenteer een beeld en ik verwacht van de kijker dat hij/zij daaruit andere beelden afleidt, afhankelijk van zijn/haar bagage, achtergrond en constructie. De kernidee is dat ik daar niets mee te maken heb en ook niets mee kàn te maken hebben. De nieuwe beelden die zich bij de kijker aandienen zijn een heel persoonlijke kwestie. Daardoor belandt de copyright van mijn beelden bij de kijker. Dat beeld op zich bestaat pas als het ingevuld wordt, zoals ik als persoon pas zou bestaan als iemand over mij spreekt. Ik vind dat een interessant uitgangspunt omdat ik vanuit dat perspectief veel in vraag kan blijven stellen.


EEN ZWARTE BOL MET DAARACHTER VERBEELDING.

De Wilde : Ik had een blauwe cirkel in een zwart veld getekend en als pendant daarvan een zwarte cirkel in een blauw veld. Op het figuratieve niveau kon dat een pupil in een oog met daarachter de verbeelding zijn, of evengoed een reddeloze planeet. De tekening werkt enerzijds introspectief en anderzijds verwijst ze naar de oneindigheid waar we zo graag naar kijken maar die – hoe meer ik erover nadenk - misschien niet eens zo belangrijk is.


EEN A-NOSTALGISCHE VERZAMELING MOMENTOPNAMEN, EEN INVENTARIS VAN GEWAARWORDINGEN

De Wilde : Mijn geduldige trage manier van werken – de duizenden lijnen die ik trek - kan je zien als een poging tot inventarisering van de dingen die mij omringen. Die werken elkaar in de hand, want die trage manier van werken zorgt ervoor dat gedachten en beelden de tijd krijgen om zich een weg te banen en uit te monden in een verslag daarvan dat uitnodigt daar andere beelden bij te vormen. Met het a-nostalgische bedoel ik dat ik voor het werk dat ik maak weliswaar elementen uit het verleden haal, maar het ent op een mogelijke toekomst.


IDEALE TENTOONSTELLING: DE VERBEELDING VAN ALLE MENSEN DIE IK DE WOORDEN ‘DOOD’, ‘HET LEVEN’, ‘BIEFSTUK’, ‘TANDPASTA’, ‘KUALA LUMPUR’… TOON

De Wilde : Dat is dé ideale tentoonstelling omdat ze in het hoofd van die mensen ontstaat, bijna een onzichtbare tentoonstelling. Als ik het woord biefstuk zeg, heb jij daar onmiddellijk een beeld van. Bij benadering kan ik zeggen hoe dat beeld eruit ziet, maar heel precies kan ik dat niet weten. Die associaties die de kijker maakt vind ik heel belangrijk. In die zin doe ik veel dingen cadeau, maar je moet er wel iets voor over hebben.


INSPIRATIE BESTAAT NIET; NOEM DE GEWAARWORDING EERDER EEN VERHOOGDE STAAT VAN PARAATHEID

De Wilde : Verhoogde staat van paraatheid is een duidelijke omschrijving, dààr gaat het over. Inspiratie is een melig, onduidelijk, inhoudsloos, versleten woord. Beeldend werk maken gaat om concentratie, beslissingen nemen. Ik heb voortdurend problemen met de werkelijkheid, ook met hoe die zich vertaalt in woorden.


Op 20 november 2008 heb je aan de Noordzee in een filmpje een tekst gezegd ter gelegenheid van je solotentoonstelling ‘L’Oiseau Blanc’ in PocketRoom te Antwerpen. Vanwaar dit idee?

De Wilde : Het is een terugkerend initiatief van Pocketroom zelf. In plaats van een filmpje in mijn atelier te maken wou ik een beeld dat ik al heel lang heb van mezelf, vandaar. (check: www.pocketroom.be)


De tekstbundel die bij je expo hoort is de tekst die je aan zee zegde. Hierin lezen we:

ER VALT MET BETREKKING TOT MIJN WERK HEEL VEEL UIT TE LEGGEN, ALLEEN VALT ER OVER MIJN WERK NIETS UIT TE LEGGEN.

De Wilde : Die eeuwige ‘waarom’-vraag toch! Vragen over bijvoorbeeld ‘mijn’ techniek hebben weinig betekenis, daar kom je geen stap mee verder. Ik maak wel om een specifieke reden een werk zo en niet anders, maar er valt alleen iets te zeggen over de ideeën die ik daarbij betrek. Ik maak dat werk namelijk alleen voor mezelf en ik doe dat mét heel veel plezier, maar niet voor mijn plezier. Voor mijn plezier zou ik liever in Rimini gaan rondlopen. Maar het werk is blijkbaar dwingender.


OF HET NIET VERVELEND IS, DAT IK AL WEET HOE HET UITEINDELIJKE BEELD ER GAAT UITZIEN?

De Wilde : Meestal heb ik een vrij goed idee over hoe het beeld er gaat uitzien. Ik wil even refereren naar hoe mijn beelden eigenlijk ontstaan. Vergelijk het met regenwater dat rustig door de grond sijpelt. Er ontstaat een trechter – een lang proces - en uiteindelijk dient zich een tekening aan. Maar dan valt nog te bekijken of het beeld klopt met wat ik voor ogen had en of mijn beeld aan een aantal andere criteria voldoet die ik voor mezelf heb bepaald. Uiteindelijk golft er tijdens het tekenen een zee van gewaarwordingen en gevoelens, heel emotionele dingen die zich proberen te verenigen met mijn rigide manier van werken. Die twee zitten voortdurend in een aangenaam conflict met elkaar.


IK WIL VOOR ALLEN DE AANVAARDBARE OF NIET-AANVAARDBARE WERKELIJKHEID AANTASTEN DOOR ZE ME EIGEN TE MAKEN

De Wilde : Ik heb een probleem met de werkelijkheid. Door een soort kubisme, toegepast op mijn eigen leven, kan ik de dingen blijven ronddraaien waardoor die zich telkens op een andere manier voordoen afhankelijk van de context waarin ik ze plaats. Bij de tekeningen die in de expo ‘Trigger’ in de OneTwentygallery hingen bijvoorbeeld, heb ik enkele figuren langs diverse kanten bekeken en daar een schaduw aan vastgekoppeld die ik even belangrijk vind als de figuur zelf. Zo raak ik die werkelijkheid aan, betast ik die als het ware.


Je raakt een vleugje werkelijkheid aan op papier…

De Wilde : Niet té poëtisch worden hé Hilde, anders wordt het lastig…


HET MEEST FIGURATIEVE BEELD KAN TERZELFDERTIJD HET MEEST ABSTRACTE ZIJN. IN WERKELIJKHEID VORMEN ZIJ EEN ILLUSIE

De Wilde : Hoe zeker kan je zijn van de dingen? Laten we nu de recente babymoord als voorbeeld nemen, dat is onwaarschijnlijk abstract. Zoveel concretisering op één bepaalde plaats die zo’n impact en gevolgen heeft. Ontelbare levens worden bij die dood betrokken. Het weten waar mensen toe in staat zouden zijn, de suggestieve werking van de dingen, daar gaat mijn werk over.


Hoe heb je de expo ‘Loiseau Blanc’ opgevat?

De Wilde : L’Oiseau Blanc is een voorbeeld van hoe de werkelijkheid verdraaid kan worden. In de bundel die bij de tentoonstelling ligt, zie je de frontpagina van twee Franse kranten uit 1927, waarop zwart op wit staat dat de piloten met hun tweedekker L’Oiseau Blanc slaagden in hun trans-Atlantische vlucht. Een leugen, een door de kranten verzonnen verhaal. Die verdraaiing fascineert me. Je merkt waar de hedendaagse media hun mosterd haalden.


Tussen je subtiele rastertekeningen hangt daar ‘out of the blue’ een kinderlijk getekend hoofd, Bert genaamd.

De Wilde : Bert is daar contemplatief, hij aanschouwt ‘de boel’ een beetje, laten we hem een alter ego noemen die met de nodige twijfel kijkt wat er daar allemaal aan de hand is.


Er hangt een reeks grijze tekeningen met op het eerste zicht ondefinieerbare vlekken erop.

De Wilde : Dat is het begin van een zelfportret dat ik ‘Ecce Homo’ getiteld heb. Ik dien een andere figuratie aan dan men zou verwachten. Het verheugt me dat ik hierop de meest uiteenlopende reacties krijg van mensen die er allerlei andere dingen in herkennen.


Aan de buitenzijde van PocketRoom zien we een tekening hangen met de woorden: ‘Wat zal u op 30 oktober 1994 rond deze tijd doen?’

De Wilde: Dit werk heeft een moralistisch kantje. Ik draai om te beginnen de notie tijd om en heb daarom een heel bescheiden datum genomen. De afstand die ons nu scheidt van 1994 lijkt groot maar wordt alsmaar kleiner. Uiteindelijk zal misschien 11 september 2001 overblijven, of de verkiezing van B. Obama. Die zullen dan de structuur moeten vormen waaraan de rest van ons tijdsgewricht zal worden opgehangen.


We zien op je expo ook tekeningen met geprikte gaatjes ‘getekend’ …

De Wilde : Het zal niemand ontgaan dat die gaatjes er in braille staan. Zij vormen samen de volledige tekst van het hooglied uit de bijbel. Waarom ik nu al voor de derde keer een werk met verwijzing naar de bijbel maak? De bijbel heeft als geen ander boek de westerse geschiedenis en kunstgeschiedenis bepaald. Maar de bijbel heeft zo’n status gekregen dat ik daar wat wil aan morrelen, in die zin dat ik de bijbel gebruik als metafoor voor onze fundamentele onmogelijkheid tot communicatie met elkaar.

Hoe visualiseer ik dat? Door een omgekeerde braille waardoor de tekst onleesbaar wordt. We zijn fundamenteel blind (en doof).

Door mijn trage manier van werken – die door sommigen monnikenwerk wordt genoemd – maak ik deel uit van het leger der kopiisten, nog een link met de (kunst)geschiedenis.

De kijker mag ook aan Fontana denken als hij/zij daar zin in heeft.


Op je website verdeel je je tekeningen onder A4, A2, 50X50 cm. Waarom zijn die formaten zo belangrijk voor jou?

De Wilde : Het verhaal van die formaten begint bij het 50X50 formaat. Ik heb lang in Noorwegen gewoond. Op een bepaald moment zag ik mezelf op een stuk smeltende sneeuw van +/- 50X50 cm staan en ik besefte dat ik op die plaats met al die eenzaamheid rondom mij precies die fysieke plaats inneem op de wereld en ik dat van daaruit kijk naar de dingen die mij omringen. Op dat moment besliste ik om me dat formaat eigen te maken. Gaandeweg mondde dat uit in A4, omdat dat het meest gebruikte formaat ter wereld is en dat paste als opvolger.


Dat je tekeningen ingelijst zijn, is een niet onbelangrijk gegeven.

De Wilde : Ooit wilde ik de kwetsbaarheid van de tekening benadrukken door ze niet-ingelijst te presenteren, tot ik inzag dat zoiets zinloos was. Intussen had ik ook gezien dat glas een extra barrière vormt tussen het oog en de eerste laag die het waarneemt. Ook het feit dat iedereen zichzelf ziet in de reflectie van het glas vind ik een interessant gegeven.


Terug naar je atelier. Je werkt enorm hard en lang aan je tekeningen, ik zou het hard labeur kunnen noemen. Voor wie of wat vind je dat nodig?

De Wilde : Eén: ik vind het nodig. Twee: ik heb iets te vertellen.


Dat kan je toch ook gewoon verbaal, zonder beelden, doen? Want verbaal ben je sterk.

De Wilde : Mocht ik, wat ik te vertellen heb, niet door middel van die beelden zeggen, zou ik wellicht een boek aan het schrijven zijn. Blijkbaar gaat het toch om iets anders. Ik ben nu eenmaal gefascineerd door het visuele en dat heeft blijkbaar de overhand.


Je tekeningen zijn niet het psychologisch verwerken van iets? Tekenen als therapie?

De Wilde : Daar heeft het nul de botten mee te maken.


Je zou, als je wat je wilt vertellen in geschreven tekst zou gieten, niet overkomen bij de mensen?

De Wilde : Het gaat niet om overkomen, ik wil niemand behagen, ik maak geen knieval. Het feit dat ik geen boek schrijf, betekent dat ik wat ik te zeggen heb op een andere manier wil doen. Ik kan bijvoorbeeld een tekening maken van het woord ‘Oslo’. Dan stel ik mij de vraag welk beeld de kijker zich van de stad Oslo vormt. Die werken zijn misschien wel de kern van mijn werk. Omdat ze gaan over beeldvorming die er vaak op het eerste zicht niet eens kan zijn. Wat ontstaat er in iemands hoofd bij het kijken? Ik ben wel genereus met de voorzetten denk ik.


Je tekeningen lijken op het eerste gezicht monochrome vlakken met daarin een woord of een klein stukje beeld. Het lijken suggesties, maar ondertussen heb jij wel uren korte en lange lijnen zitten trekken om ons dat te vertellen. Waarom maak je het ons en jezelf zo moeilijk? Waarom wil je het ons in die gelaagdheden vertellen?

De Wilde : De beelden die ik voor ogen heb kunnen enkel op die werkwijze ontstaan. Het is belangrijk dat ze in die gelaagdheden ontstaan. Wat ik bedoel – en ik vrees dat het moeilijk uit te leggen is – is dat ik de manier van werken beschouw als een medium. De meeste mensen zien potloden als een medium, ik beschouw mijn manier van tekenen tot en met het encadreren als mijn medium.


Maar dat urenlang lijnen trekken doe je gewoon graag?

De Wilde : Natuurlijk doe ik dat graag, omdat ik mijn werk graag doe. Het is natuurlijk een solitaire bezigheid. We werken niet aan een theaterstuk, we krijgen geen applaus. De enkele uren van een vernissage, de duur van het werkelijke contact met de kijker is te verwaarlozen.


Die handeling, is dat dan een drang of eerder een opgave?

De Wilde : Het is geen opgave.


Zie je jezelf verplicht elke dag bijvoorbeeld zes uur te werken?

De Wilde : Dat is geen verplichting, ik doe dat gewoon.


Je hebt grafiek gestudeerd. De dag dat je afstudeerde, wat dacht je toen? Nu ben ik kunstenaar!

De Wilde : Het is om die reden dat ik natuurlijk naar de academie gegaan ben. Al van jongsaf was had ik de ambitie dingen duidelijk te maken en onder de mensen te brengen. Ik wou ooit vertalen. Erkenning is nooit een echte drijfveer geweest, ik werk voornamelijk voor mezelf.

Ik schuif nu wel een beetje op van de periferie naar het midden van ‘de kunstwereld’, maar het is hier in mijn atelier dat ik uiteindelijk zit en werk.


Je hebt al veel tentoongesteld, je werken worden bekeken en mensen pikken het op. Was dat niet zo geweest dan had je misschien vroeger afgehaakt, ook al weet je dat je iets te vertellen hebt.

De Wilde : Geen sprake van! Je krijgt daar geen speld tussen. Het werk is zo sterk in mij aanwezig dat ik het op die manier wil doen en het op die manier doe. Ik ben in het verleden ver gegaan en heb enkele grenzen afgetast. Zo ben ik tot bepaalde vaststellingen gekomen voor mezelf. Ik ben niet over één nacht ijs gegaan. Op een bepaald moment heb ik vastgesteld: ik heb dat en dat te zeggen en ik ga dat nu zo of zo doen. Maar in feite wil ik zo min mogelijk kunstenaar zijn in de zin van het prototype beeld dat mensen van een kunstenaar hebben.


Waarom?

De Wilde : Omdat ik bijvoorbeeld niet méér getormenteerd ben dan iemand anders op deze wereld. Natuurlijk ben ik getormenteerd, maar voor mijn werk speelt dat geen rol.


Heb je iemand in gedachten als je aan het werk bent in je atelier, iemand waarmee je je vergelijkt?

De Wilde : Ja, dat zou iemand kunnen zijn als Andrei Rubliev van Andrei Tarkovsky, of Fra Angelico de frescoschilder.


Volg je het werk van je collega’s?

De Wilde : Natuurlijk!


Om te kijken of je nog mee bent met de hedendaagse kunst of om te zien of dat wat jij maakt hedendaagse kunst is?

De Wilde : Het interesseert me niet of ik zelf al dan niet hedendaagse kunst maak. Natuurlijk wel, want ik leef nu. Maar wat me wél interesseert is wàt hedendaagse kunst is.


Schilderkunst en tekenkunst is toch passé wordt er gezegd?

De Wilde :Dat is flauwekul, daar moeten ze toch eens mee ophouden! Dat is om de kunstmagazines te vullen en de speculanten bezig te houden. Je hebt iets interessants toe te voegen of niet, wat ook het materiaal of de techniek mag zijn.


Verder nog dromen, vooruitzichten, ambities?

De Wilde : Mijn werk maken! Als ik vanaf nu onafgebroken wil maken waar ik nu mee in mijn hoofd zit, ben ik minstens drie jaar bezig.


Je weet dus nu al dat je hier aan deze werktafel meer dan 1000 dagen zal doorbrengen met tekeningen maken die nu al in je hoofd zitten en die je ons per se wilt tonen?

De Wilde : De grote lijnen wel…


Het zijn geen momentopnames waar je mee bezig bent?

De Wilde : Op zich wel, want het gevoel zit erin gebakken, al de waarnemingen en gevoelens kristalliseren zich in één tekening. Het heeft te maken met de onophoudelijke vermenging van het gevoel en de rede.


Is je atelier je cocon van waaruit je de wereld om je heen waarneemt?

De Wilde : Je hebt een plaats nodig van waaruit je de werkelijkheid bekijkt en dat is nu toevallig mijn atelier in Gent.


Nog veel courage Johan!


Hilde Van Canneyt, Gent, do 29 jan ‘09


Johan De Wilde stelt nog tot 15 maart ’09 tentoon in PocketRoom, Hofstraat 2, 2000 Antwerpen. Open vr t/m zo van 14 tot 18u.

www.pocketroom.be

www.johandewilde.be

www.onetwenty.be