interview met stéphanie leblon

Ik heb met kunstschilder Stéphanie Leblon afgesproken in haar atelier, gelegen in het begijnhof in de Lange Violettestraat te Gent. We gingen het eerst over de tien geboden hebben, maar toen stelde Stéphanie voor haar tien schilderijen - bedoeld voor haar solo in Galerie Jan Dhaese – één voor één te bespreken en te beschouwen. Het was een eer haar schilderijen in avant-première te mogen aanschouwen en met een frisse blik mijn bevindingen te mogen uiten. Ze heeft er een fan bij.



1° 'Fluistering'


Hilde Van Canneyt : Ik zie op het eerste gezicht een slapende, oudere, gesettelde man die ingesnoerd zit in een gele ‘lijn’ met uitsteeksels. Hoe ben je tot dat werk gekomen?

Stéphanie Leblon: Voor deze reeks, gemaakt voor mijn tentoonstelling in Galerie Jan Dhaese, ben ik vertrokken vanuit foto’s van paranormale ‘toestanden’. Voordien had ik een reeks gemaakt rond fanfares, rond optreden en spelen. In het laatste schilderij dat ik voor die reeks maakte, beeldde ik een trapleuning af uit een spookhuis. Daarvoor heb ik een foto gebruikt uit de beginperiode van de fotografie, toen er nog gedacht werd dat men spoken ging kunnen vastleggen op foto’s. Ik begon tekeningen te maken naar die mooie oude foto’s, maar tegelijkertijd vroeg ik me af wat me daaraan bleef intrigeren: dat was de poging om het onverklaarbare, het ongrijpbare vast te leggen. Rond die zoektocht heb ik de hele tentoonstelling opgebouwd. Deze man op dit schilderij is langs de ene kant vrij vlezig en zwaar, maar bevat ook een bepaalde lichtheid. Hij denkt na of slaapt. Die gele lijn doet inderdaad denken aan iets i.v.m. statistiek, om iets op te meten. In die zin vind ik de tegenstelling in dit schilderij interessant.


Heb je die rode lijn, als een injectie in zijn hals bijna, daar bewust geplaatst?

Leblon: Nee, dat is meer een soort kader dat ik daar plaatste. De man zit eigenlijk geframed, opgemeten, wat extra effect genereert.



2° Memoires van een dromer

We zien terug een portret van een oudere man met een soort oud meetinstrument.

Leblon: Het stelt een slapende man voor, maar ik heb het schilderij gekanteld, zo dat het slapen meer een activiteit wordt. Later heb ik het meetinstrument erbij geschilderd. De kop is vrij vlezig weergegeven, de rest is - in tegenstelling - heel vluchtig, schetsmatig en schraal geschilderd. De activiteit van het opmeten van dromen en gedachten wordt hierdoor heel duidelijk voor mij.


Het fotomateriaal van waaruit je vertrekt, betreft dat ook foto’s van zieke mensen?

Leblon: Mijn relatie met fotografie is van die aard dat ik echt overal beelden vind die me een klik geven en waarvan ik voel dat ik er iets mee kan doen. Die vind ik zowel op internet, in kranten, als in encyclopedieën, die ik dan samen mix. Ik schilder nooit zomaar één kop na.



3)° De bedenkelijke gedachte

Laat ons eerst verder de mannen in het rijtje nemen… Dit schilderij is in vergelijking met de twee vorige, eerder surrealistisch – al is dit geen goed woord voor dit werk - maar ik bedoel dat die persoon hier even goed dood kan zijn. Hij lijkt wel een droombeeld van een dode.

Leblon: Ik denk dat, doordat de achtergrond vrij doorwerkt is met die lijnen, er een ander evenwicht is tussen voor- en achtergrond. Het zit er meer in verweven, waardoor hij meer binnenin het schilderij wordt geduwd.


Had je dat beeld al vooraf in je hoofd?

Leblon: Ik kom altijd vrij goed voorbereid in mijn atelier toe. Ik weet meestal wat ik ga doen, maar terwijl ik aan het werk ben ,vergeet ik mijn voorbereiding en laat ik de dingen gebeuren.


Bedoel je dat je eerst een potloodschets van je schilderijen maakt?

Leblon: Inderdaad. Dit is wel één van mijn laatste portretten, dus het idee van wat ik wou doen, zat wel al enorm in mijn handen. In die zin voelde ik hier niet zoveel behoefte om veel op voorhand uit te werken.


Ben je hier al onmiddellijk tot de essentie kunnen komen van wat je in je andere portretten wilde vertellen?

Leblon: Inderdaad.


Die blauwe kleur, is dat puur intuïtief geschilderd?

Leblon: Ja, puur intuïtief. Kijk, ik werk met olieverf en werk niet helemaal nat in nat, in die zin dat er altijd een droogproces in zit. Het werk begint met een eerste grondlaag, tussendoor werk ik aan een tweede schilderij, enzoverder… Sowieso groeien mijn schilderijen vrij organisch. Iedere dag maak ik een balans op van wat er gebeurd is en denk ik: morgen doe ik dat, maar dan kom ik de dag nadien in m’n atelier en heb ik weer een ander idee… Ik was met die okerkleur begonnen en voelde ook dat die kleur heel belangrijk was. Dat hoofd had ik ook al in andere schilderijen gebruikt, maar ik voelde dat ik uit dat hoofd nog meer kon uithalen en voor mij staat het hier nu juist.


Nog eens naar dat nat in nat, wat heb je daar op tegen?

Leblon: Niks, maar pas als de ondergrond goed droog is, heb ik het gevoel dat ik er goed op kan werken.


Ik vind dit een sterk werk, Stéphanie!




4° Noise


Je zou denken, dit is nu al de vierde man, er zal wel iets gelijkend inzitten, maar toch voel je een andere sfeer. Ik zit niet te denken, wéér ‘nen ventekop’…

Leblon: (lacht) Met mannen val je nooit in herhaling, Hilde…


Nee?

Even serieus, dit schilderij straalt wéér een andere sfeer uit… Hou je van dat woord of vind je het vies als ik dat woord gebruik?

Leblon: Ik hou wel van dat woord…


Je hebt kunst zonder sfeer, maar als het kunstwerk een sfeer uitstraalt, is er tenminste al een gemoedstoestand die bij de kijker wordt losgemaakt. Als we het over mooi moeten hebben… tja, ik kan er nu nog geen antwoord op geven.... misschien straks…

Leblon: Door het feit dat hij onder die nek geklemd zit, maar langs de andere kant misschien heel vredig ligt te slapen - al zou hij ook dood kunnen zijn – voel je inderdaad op het op het eerste zicht beklemming. Als dat hoofd weg zou zijn, zou het ook een abstract werk kunnen zijn.


Ik ben op het eerste zicht nog meer gefascineerd door je kleurenlijnen en speelse elementen vooraan. Ook de potloodlijnen die er nog doorkomen maken het extra sterk.

Leblon: Het schilderij heet ‘Noise’ omdat hij zich afwendt. Hij heeft ook zo’n pijnlijke grimas. Het is een vorm van actieve pijn, in die zin is het anders van sfeer. Hij heeft ook iets vrijers dan die dromer, al zit hij ook wat geklemd tussen de lijnen van het schilderij.


Hij straalt ook iets heel verdrietigs uit…

Leblon: Dat zijn inderdaad allemaal interpretaties die erbij horen. Mijn inspiratie komt van een foto van iemand die keihard op iets aan het duwen was, als een experiment. Wat gebeurt er als je keihard op iets duwt? Als je de context weg laat, kom je tot een resultaat dat voor verschillende interpretaties vatbaar is.




5° Testcase II


In je vorige portretten kwamen die ziektebeelden meer naar boven, hier voelen we voor het eerst dat paranormale. Het doet me wat aan de sfeer van het Dr. Guislainmuseum denken. Zelfs al had je dat rode bolletje dat letterlijk tussen zijn handen zweeft niet geschilderd, dan nog zou er dat paranormale, ietwat lugubere sfeertje opgeroepen worden. Aan zijn gezicht kan je zien dat de man helemaal opgaat in het proces.

Leblon: Het was ook één van mijn eerste schilderijen, het schilderij staat nog heel dicht bij het begin van die foto’s. Ik vond het heel belangrijk dat niet alle beelden het paranormale ‘op zich’ gingen tonen. Anders werd het al gauw een rariteitenkabinet. Ik had behoefte er dieper op in te gaan en te zoeken naar de essentie. Ik ben meer geïnteresseerd in het experiment en in het zoeken.


Dit werk zou ook door iemand anders kunnen geschilderd zijn, maar dat kan je als een compliment opvatten hoor…

Leblon: Je voelt dat dit schilderij een beetje een andere sfeer heeft, maar ik vind dat het er daarom ook net bijhoort, omdat het wat tegengewicht biedt voor de andere schilderijen.


Heb je dubbel zoveel schilderijen gemaakt als deze tien die jij me hier als preview in je atelier laat zien?

Leblon: Zeker.


Op welke basis heb je deze tien werken gekozen? Moeten ze bij elkaar ‘passen’ op de expo?

Leblon: Nee, ik kies voor werken waarvan ik voel dat ze standhouden.


Uiteindelijk staan de schilderijen op zichzelf. Soms heb ik op tentoonstellingen het gevoel dat alles teveel in het plaatje van de desbetreffende expo moet passen. Er moet inderdaad een verhaal zijn, maar uiteindelijk moet ieder schilderij er op zich staan. Ik vind het wel goed dat je dat hebt laten overheersen.

Leblon: Je hebt natuurlijk die tentoonstelling die zeker moet kloppen, maar er is ook telkens de ontmoeting met het schilderij apart, en dat moet ook kloppen. Alhoewel ik het wel belangrijk vind tijdens het schilderen in functie van een tentoonstelling te denken. Dat dwingt je om keuzes te maken.


Hoe lang heb je naar deze expo in de Galerie Jan Dhaese toegewerkt?

Leblon: Anderhalf jaar.


Hoe ga je te werk met je formaten? Zijn die intuïtief gekozen? Omdat ze heel wisselend van formaat zijn… veel schilders kiezen hetzelfde formaat in functie van een expo.

Leblon: Ik kies mijn formaten volgens het beeld en het aanvoelen.


Je werkt redelijk klein voor een schilder…

Leblon: Toch bij deze reeks, omdat dit een intimistisch thema is. Het gaat over een zeer kwetsbaar iets en in dat klein formaat zit het beter in balans. Als je op groot formaat werkt, ‘blow je de dingen op’. Als je een kop groter schildert dan zijn werkelijke grootte, dan is die communicatie ook helemaal anders. Ik vond het heel fijn om op dezelfde hoogte te communiceren met de toeschouwer. De formaten van de hoofden kloppen min of meer met de werkelijke grootte, zo dat je in die kop kan binnendringen. Het nodigt de toeschouwer ook uit om op onderzoek te gaan binnen het schilderij. Hoe de afgebeelden bijna in hun eigen hoofd kruipen, zo kan ook de toeschouwer op zijn beurt ook ‘in het schilderij kruipen’.


Dit werk heet Testcase II, hoe belangrijk zijn titels voor jou?

Leblon: Ze zijn toch wel van belang omdat je zo de interpretaties en associaties wat kan (tegen)sturen… ze worden mettertijd belangrijker.


Nochtans zijn titels in de figuratieve schilderkunst doorgaans niet zo belangrijk, zeker niet in vergelijking met bijvoorbeeld conceptuele of abstracte kunst.

Leblon: Het ontstaat organisch hoor, veelal nadat ik het schilderij gemaakt heb, soms ook tijdens. Woorden plaatsten bij het werk hoort bij het proces.


Vind je het zonde dat de titels ontbreken als je naar een andere tentoonstelling gaat?

Leblon: Het hangt ervan van. Ik werk vanuit het figuratieve, en daardoor is de taal een ondersteuning van het werk, het duidt het meer. Bij mij is dat noodzakelijk, maar dat hangt af van het standpunt van de kunstenaar tegenover schilderkunst.


Doordat je titels geeft, gaat de kijker weeral anders naar je werk kijken.

Leblon: Sommige titels duwen de kijker net in de richting of net tegenovergesteld. Maar ik heb een werk dat Roze en oranje heet, welja, dat is meer een persoonlijke titel voor mezelf. Voor de kijker is die titel gewoon neutraal, maar voor mij was dat roze belangrijk terwijl ik het maakte.





6° testcase III


Dit werk is op het eerste zicht het meest in het oog springende, een echte eyecatcher, zoals een popsong. Je andere werken zijn subtieler, zoals een song die je een paar keer moet beluisteren vooraleer je erin komt. Het is ook je meest commerciële werk, denk ik. Mensen die minder van schilderkunst kennen, gaan deels door die rode bollen en deels door de manier van schilderen ook tot dit werk aangetrokken worden.

Leblon: Dat is dan ook het beeld dat op de uitnodiging staat. Die rode bollen op die proppen watten dienen om druk te geven op haar ogen. Het meisje kan ook niet horen, want ze zit met een soort koptelefoon op haar oren. Ze is echt afgesloten van alles en heeft ook geen blik. De figuur zit nog meer dan de andere personages in mijn schilderij volledig in haar cocon. Het is eigenlijk een experiment: als je drukt op de ogen, wat zie je dan?


Hier vallen me weeral de oude meetinstrumenten op, totaal onhedendaags.

Leblon: Ik wil bewust geen hedendaagse instrumenten gebruiken, omdat je die minder ‘voelt’… Die oude instrumenten tonen nog meer het onderzoek aan, vind ik.




7° Vier gele stippen op een lijn


Wat zien we? Een hand met onderaan een soort caravan van bewegende stippen… speciaal werk… ik probeer er een gevoel bij op te roepen, maar kan niet echt iets vinden, dus laat ik er jou over vertellen.

Leblon: Mijn ‘handen’ zijn constant bezig met activiteiten die niet definieerbaar zijn. Wat ik altijd heel sterk vind, is het idee van braille lezen, dat je letterlijk door wat je voelt in een andere wereld komt. In feite zijn al mijn ‘handen’ met een ongedefinieerd onderzoek bezig in een ongedefinieerde ruimte. Letterlijk aan het wroeten en tasten. Eigenlijk weten die handen ook niet juist waarnaar ze op zoek zijn. Daarom vond ik het boeiend die handen te kopiëren, los van een blik. Nergens in deze tentoonstelling is er een rechtstreekse blik. Alle ogen zijn dicht of geven geen bijkomende informatie, alle handen zitten weg, niks geeft bijkomende informatie. Het letterlijk tasten in het duister?


Hebben die gele stippen een betekenis?

Leblon: Ik wil mijn ‘handen’ in een ongedefinieerd landschap zetten en dat is mijn oplossing daarvoor. Ik vond het heel mooi ze zo weer te geven. De titel heet ook ‘Vier gele stippen op een lijn’. De foto waarnaar ik werkte, was een science fiction-achtig landschap, waarvan ik alles heb weggelaten, behalve die vier stippen.


Waarom schilderkunst meer bij mij losmaakt dan andere beeldende kunst, heeft precies te maken met die hand die je voelt, die penseelstreken die je maar niet loslaten. Ik voel bij jouw schilderijen dat iedere lijn klopt en ik heb nergens het gevoel dat er een penseelveeg te veel of te weinig opstaat. Meestal heb ik zin om me te moeien met en in het schilderij, waarschijnlijk tot ergernis van de schilder, of kan ik het niet laten te zeggen van: “daar rechts ontbreekt er iets” of “zou je je kleuren niet aanpassen?” of “je compositie klopt niet”…

Op het eerste gezicht leken ze me niet ‘af’, maar nu we ze één voor één voor ons tegen de muur hangen, zie ik dat ze echt wel helemaal er stààn.





°8 Roze en oranje



Hier zien we meer, zoals bij je hoofden, de praktijken met die meetinstrumenten, het zoeken…

Leblon: Dit beeld komt uit een heel klassieke operatie. Het heet Roze en oranje doordat ik de handen heb losgemaakt van het lichaam en ze in een soort cleane omgeving plaatste. Alleen maar door die bruine lijnen toe te voegen, krijgt het een andere connotatie. Het lijkt een beetje aan te tonen: dààr gebeurt het onderzoek.


Dit schilderij doet me wat aan Michaël Borremans’ werk denken, door die handen die spelen in hun eigen wereldje. Ben je door hem beïnvloed?

Leblon: Ik voel me verwant met de hedendaagse schilderkunst. Ik kan me dus best voorstellen dat er daar linken mee te leggen zijn.


Ben je nog door andere kunstenaars beïnvloed geweest? Nu of vroeger?

Leblon: Ik vind het sowieso belangrijk andere schilders te bestuderen. Zo heeft de Nederlandse schilder René Daniels me echt van mijn sokken geblazen met zijn expo in het Van Abbemuseum in Eindhoven. Ik ben zelfs driemaal teruggeweest. Terry Winters vind ik ook heel interessant, hij schildert abstract, en is heel erg bezig met het ruimtelijke van een schilderij. Het kijken naar andere schilderijen heeft inderdaad heel erg mijn mening beïnvloed.





9° Blauwdruk


Dit schilderij lijkt me ‘duidelijker’ dan de andere, hoewel het in de lijn ligt van je vorige schilderijen ligt. Je kan er niet naast kijken, het heeft weer te maken met ‘onderzoek’. De statistieklijnen zijn hier erg aanwezig. Je zou het bijna een duo-schilderij met je vorige schilderij kunnen noemen.

Leblon: Zo zou je het inderdaad kunnen stellen, hoewel dit meer het zoeken en het wroeten is en het andere tactieler is.


Voor dit werk heb ik eigenlijk geen woorden om uit te drukken wat het is en wat het nu precies met me doet, dus zal het wel goed zijn…

Leblon: Laten we het daar dan maar bij laten! (lacht)





°10 De opgemeten toestand



Om af te sluiten schotel je mij nog een schilderij voor waar geen hoofd of hand te bekennen is. Wat zie ik? Het lijkt een speels werk, je ziet of voelt er op het eerste zicht het onderzoek niet echt in. Het fascineert me, maar brengt me niet echt in een droomwereld. Je voelt dat het niet zomaar een abstract werk is. Ik zie dat je ons een wereld wil laten zien, maar ik weet niet echt welke wereld, dus vertel!

Leblon: Dit schilderij heeft de titel van deze tentoonstelling: ‘De opgemeten toestand’. Ik vond het heel leuk om nog een werk te hebben dat ‘het totaalbeeld’ van de expo terug wat doorbreekt. Die mensen die ik afbeeldde waren telkens naar een mentale ruimte aan het gaan, ze zaten in een bepaalde zoektocht en dit zou in feite die ruimte kunnen zijn. Ik ben vertrokken vanuit een foto van een ingewikkeld soort machine met bolletjes erin. Die rode bollen die als onderzoeksobjecten nu ergens via een rode lijn verbonden zijn en in een soort ongedefinieerde ruimte hangen. Het is ook een ruimte die meer vragen oproept dan antwoorden biedt.


Dat is wel een mooie en trefzekere laatste zin. Ik vind wel dat ze klopt…



Hilde Van Canneyt, do 30 april ’09.


Met dank aan Croxhapox.


Stéphanie Leblon exposeert in de Gentse galerie Jan Dhaese van 10 mei tot 21 juni ’09.

en van 25 juni tem 15 september 2009 groepstentoonstelling 'Fading' museum Elsene









------------------------------------------------------------------------------------

Interview met Michaël Borremans en Manor Grunewald


Beide kunstenaars verwittigen me op voorhand dat ze interviews met kunstenaars niet interessant vinden en dit interview achteraf ook niet willen nalezen. Ze willen ook geen foto’s van hun werken bij het interview. ‘Ik wil een heel droog interview’ zegt Borremans. Dus bij deze… het leven zoals het is: beeldend kunstenaars…



Hilde Van Canneyt: Hallo Michaël en Manor. Waar hebben jullie elkaar leren kennen?

Borremans: In 2006 gaf Manor mij een uitnodiging van zijn tentoonstelling en nadien zijn we elkaar blijven tegenkomen. Manor is echt wel een sympathieke gast.



Ken je zijn werk?

Borremans: Euh, ik ben vandaag voor het eerst naar zijn website gaan kijken… Grunewald is een Duitse naam en het viel me wel op dat zijn werk heel Duits is…



Manor, hoe stel jij je voor aan mensen die jou niet kennen.

Grunewald: Ik stel me voor als schilder; “kunstenaar” is zo’n vuil, geladen woord; “schilder” klinkt beter.

Borremans: Ik zeg “kunstenaar”, maar ik vind het wel fijn en zie het als een compliment als mensen me schilder noemen, want dat wil zeggen dat ik de mensen goed misleid heb. Ik ben eigenlijk een valse schilder, ik maak misbruik van dat medium. Ik ben schilder geworden omdat je daar trucs kan mee uithalen.

Grunewald: Ik vind het interessant om vanuit het medium schilderkunst te vertrekken naar andere mediums, dat is voor mij het meest evidente, en zo benader ik ook mijn sculpturen.



Hoe zag jullie werkdag eruit vandaag?

Borremans: Ik heb nu een periode dat ik niet werk. Ik had een tentoonstelling in New York en volgende maand één in Hannover en in between ontwijk ik mijn atelier.

Grunewald: Bij mij is het ook kalmer doordat ik net in Brugge een expo heb opgezet, dus heb ik in mijn atelier wat testen gedaan op groot doek, erop zitten dweilen.

Borremans: Ik heb wel facturen betaald vandaag! Dat is ook hard werken. (lacht)



Manor, vandaag verscheen je eerste artikel in H-art, hoe voelde dat? Heb je het gevoel dat je nu bij de kliek van gerespecteerde ‘hedendaagse kunstenaars’ behoort?

Grunewald: Zo denk ik daar niet over. Ik was aangenaam verrast dat die vrouw mij contacteerde, maar was eigenlijk meer nieuwsgierig naar wat zij ervan gemaakt had.

Borremans: Ik lees H-art niet graag, dat is voor kunstliefhebbers…



Leg eens uit.

Borremans: Je krijgt een weerslag van wat er gebeurt in de kunstwereld, maar als ik daar in kijk, voel ik me er niet goed bij. Dan ben ik totaal ontregeld en gedesoriënteerd. Ikzelf zit liever gewoon in mijn cocon…

Grunewald: Je ziet het als de Dag Allemaal voor kunstenaars?

Borremans: Zoiets! Nee hoor, voor mensen die geïnteresseerd zijn in kunst, die willen volgen wat er gebeurt. Het is een bruikbaar iets en het is goed dat het er is.



Leest u andere tijdschriften?

Borremans: Bij de tandarts. Nee, serieus, ik koop geen kunsttijdschriften.



Dan leert u ook geen nieuwe kunstenaars kennen?

Borremans: Ik ken er dan ook heel weinig...



Hebt u het gevoel iets van schilderkunst te kennen?

Borremans: Ook niet. Ik vind het net heel interessant dat ik vanuit een eng perspectief zo met de dingen om ga, dat is een beperking, maar ook een vorm van minimalisme waardoor ik beter kan functioneren. Ik kies zelf waarmee ik geconfronteerd word en wil, voor zover dat mogelijk is, die zaken onder controle houden. Je kan niet alles toelaten, anders krijg je teveel input en word je compleet fucked-up. Ik ben daar nogal gevoelig voor.



Als een galerijhouder met u praat over andere kunstenaars, moet u dus constant zeggen: ‘die ken ik niet’.

Borremans: Inderdaad.

Grunewald: Ik lees wel H-art, maar geef toe dat veel andere kunsttijdschriften toch op de collectioneurs gericht zijn.



Manor, jij bent autodidact, vind je dat een beperking?

Grunewald: Integendeel. Als ik mijn jaren op de kunstschool uitgedaan had, zou ik nog meer in de war zijn. Ik wil zelf ondervinden. Zelfstudie vind ik belangrijker dan babbelen over mijn werk, want dat interesseert me niet. Ik doe dat ook niet met andere mensen, ik vind dat niet belangrijk. Ik ga ook niet bij andere kunstenaars dieper op hun werk ingaan, dat interesseert mij niet. Ook ’s avonds op café niet.



Moet jullie vriendin iets van kunst kennen of hebben jullie liever een verpleegstertje die voor jullie zorgt?

Borremans: Hilde, wil je mijn privé-leven hier wel even buiten houden als het niet geeft? Als ik daar over begin dan zijn we wel een eindje bezig… Van mijn vorige vriendin - waar ik lang mee samen was - kreeg ik wel eens goede feedback. Dat is bijna een voorwaarde voor een vriendin, dat ik een soort intelligente feedback terugkrijg. Ik heb dat wel nodig, ook van andere mensen.

Grunewald: Interesse is ook iets anders dan kennis. Dus ja, mijn vriendin moet geïnteresseerd zijn.



Het is dus voldoende dat ze daarvoor op het gevoel afgaan?

Borremans: Dat gaat zo. Je wordt geconfronteerd met een beeld, een artefact, en je merkt onmiddellijk als je het toont aan de ander of het functioneert of niet.



Wat doet liefde bij jullie in de kunst?

Borremans: Als het slecht gaat in de liefde, is dat goed voor de kunst, gaat het goed in de liefde, dan is dat ook goed voor de kunst. Een liefde kan inspirerend werken en geen liefde kan ook inspirerend werken. Maar het is niet omdat er liefde is dat je slechte kunst zou maken.

Grunewald: Als je werkt aan een oeuvre in het algemeen, ga je niet afhankelijk zijn van kleine toestanden in je leven. Wijzelf gaan die toestanden in bepaalde werken wel terug kunnen ophalen, maar iemand anders niet.



Michaël, herinner u zich nog de eerste maal dat er iets over u gepubliceerd werd?

Borremans: Daar kan ik me niks specifieks meer van herinneren, maar ik herinner me wel de periode – ik ben pas laat gedebuteerd als schilder – dat ik bevestigd werd als schilder. Ik wist en voelde al langer wat ik kon, maar dat werd nu ook door de buitenwereld bevestigd. Het was zo van: toch nog! Ik heb daar dus wel van kunnen genieten.



In al je biografieën zie ik als eerste uw tentoonstelling in Croxhapox staan. Herinnert u zich die expo nog (in ’96) ?

Borremans: Ja hoor, ik heb er twee keer schilderijen tentoongesteld, en telkens was het een heel interessante ervaring.

Grunewald: Het marcheert en bruist daar wel.

Borremans: Als ‘jonge’ kunstenaar kreeg ik daar de nodige feedback. Ik vond dat heel positief.



Waren er toen onmiddellijk mensen die op uw werk vlogen, die voorspelden ‘hoe groot’ u ging worden?

Borremans: Nee, dat was eigenlijk heel beperkt hoor, je verkocht daar ook niks of zo. Maar die kritische feedback was wel heel interessant, iets dat ik tegenwoordig nog veel te weinig hoor. Ik vind dat heel vervelend. Trouwens ook in het algemeen, we zijn allemaal veel te lief voor elkaar. Als je iets te veel zegt, wordt dat onmiddellijk heel persoonlijk genomen.



Uw expo in New York onlangs oogstte veel positieve bijval. Is zo’n expo gewoon een verzameling schilderijen, of werkt u daar bewust naar toe?

Borremans: Ik heb dat minutieus voorbereid. Ik heb zelfs een maquette toegestuurd gekregen van de ruimte waar ik tentoonstelde.



De films die u daar tentoonstelde waren - naar verluid - fantastisch. Als je, zoals ik, nog nooit een film van u gezien hebt, wat mis je dan?

Borremans: Dat is een rare vraag… ik denk niet dat je iets mist hoor. Kijk, ik ben bezig met die schilderijen, en soms kom ik tot een beeld en heb ik intuïtief het gevoel dat het interessant zou zijn als daar een element van beweging zou inzitten. Sommige van mijn schilderijen zijn in wezen sculpturen, maar ik heb niet de know-how om dat uit te voeren.

Hebt u geen zin om te wroeten in klei?

Borremans: Nee, absoluut niet, maar ik wil het wel graag updaten. Ik ben dan beginnen experimenteren met film en wou zien hoe dat zou werken. Ik presenteerde mijn films ook een beetje zoals schilderijen. Ik verwacht dat mensen op dezelfde manier met mijn films omgaan zoals ze met mijn schilderijen omgaan. Ze moeten al boeiend zijn als je er twee seconden naar kijkt. Ze gaan verder in een continue ‘loop’, het is zelfs niet de bedoeling dat je ze uitkijkt. Ze zijn aanwezig in de ruimte, zoals een ander kunstwerk.

Grunewald: Inderdaad, als een filmpje twintig minuten duurt heb ik daar al geen zin meer in, dat moet mij direct boeien, ik wil daar onmiddelijk in opgezogen worden. Als ik een goed schilderij zie, heb ik dat ook.



Gaat het voor u puur om het beeld, een soort schoonheid van een beeld?

Borremans: Schoonheid of whatever. We zijn zodanig gewend en geconditioneerd dat film een verhaalstructuur heeft, terwijl bij het ontstaan van de film daar heel veel mee geëxperimenteerd is. Ik ent me op die oude traditie van omgaan met film. Ik benader het vanuit het perspectief van de schilderkunst. Mensen vragen me soms ook om een film te screenen op een festival of zo, maar dat is niet mijn bedoeling.



Het feit dat u 'film' maakt heeft dan te maken met het medium, het feit dat u niet alles kwijt kan in de schilderkunst?

Borremans: Maar nee, het is niet het feit dat ik vind dat ik niet alles kwijt kan in de schilderkunst, het is gewoon een neiging die ik had om daar eens iets mee te proberen… en dat is blijven groeien.



Stel dat u negatieve kritiek zou krijgen op uw films, krantenkoppen die luiden als: ‘Borremans kan het niet meer’. Zou u dan tóch nog verder met dat medium werken?

Borremans: Ik zou willen dat ik die negatieve, maar gefundeerde en relevante kritiek kreeg, dan zou ik daar veel aan hebben.



Leest u alleen maar positieve recensies over uw werk?

Borremans: Inderdaad, en dat is heel goed, maar eigenlijk heb ik daar niet veel aan.



Ik kan me inderdaad voorstellen dat u ’s ochtends in de krant een positieve recensie leest, maar tien minuten later uzelf in uw atelier weer de grootste loser vindt.

Grunewald: Mijn artikel in H-art deed me na vijf minuten ook niks meer.

Borremans: In je atelier word je inderdaad weer met jezelf geconfronteerd. Het is niet omdat je op een bepaald moment succes hebt, dat het plots makkelijker wordt om een volgend werk te maken. Dat heeft daar eigenlijk niks mee te maken.

Grunewald: De criteria voor je werk worden dan plots veel hoger omdat de mensen een verwachtingspatroon creëren over je werk, zodat je het niet meer kan maken om met een minder geslaagd werk af te komen. Hang negen goede doeken in een tentoonstelling en één slecht, en het zal alleen nog maar over dat ene slechte gaan, de rest zien de mensen al over het oog, dus die slechte werken, dat kan je niet maken hé.

Borremans: Dat is niet waar hoor. Succesvolle kunstenaars beginnen soms slecht werk te maken en niemand zegt er iets van.



Lonkt dat gevaar ook voor u, Michaël?

Borremans: Inderdaad, de vraag naar mijn werk is groot, ik zou kunnen proberen om aan die vraag te voldoen. Ik zou kunnen werken met assistenten en op korte tijd heel veel poen scheppen, maar zo marcheert het niet.

Grunewald: Je werk moet er zich ook toe lenen dat te doen natuurlijk, als je een Jeff Koons bent, dan klopt dat bijvoorbeeld bij het oeuvre.

Hebt u het gevoel dat u uzelf telkens weer moet vernieuwen? Bent u niet bang dat ze u binnen dertig jaar verwijten dat u altijd op dezelfde thema’s hebt verder gewerkt?

Borremans: Er zijn een aantal thema’s waarrond ik werken omdat ik ze nooit beu word.

Manor, jij hebt nu in Brugge een expo in de Bogardenkapel (is ondertussen al voorbij, red) Hoe heb je die expo opgevat?

Grunewald: Ik vond de lokatie interessant en wilde daarom ook iets aanvangen met die ruimte. Niet zomaar iets ophangen, want daar heb je niet veel aan. Het totaalbeeld van een tentoonstelling moet kloppen, ik ben daar dan ook een half jaar op voorhand aan begonnen. Omdat het in een kapel was, wilde ik een soort catacombenaltaarstuk creëren voor die ruimte. Ik ben wel vertrokken vanuit mijn schilderijen en collages, en zo functioneert het voor mij ook, als een collage. Je hebt grote witte wanden en daar zet ik dan een paar elementen voor, exact gepositioneerd. Ik heb er ook voor geopteerd om niet te veel schilderijen te tonen, twee aan elke wand, zodat de installatie nog meer naar voor kwam.



Was je tevreden over je ‘eigen’ expo?

Grunewald: Wel ja, omdat je altijd een verbrokkeld beeld hebt bij het maken van een installatie. Je kan dat op voorhand niet altijd goed inschatten in je atelier, maar het moet ruimtelijk kloppen natuurlijk.

Borremans: By the way, wat is eigenlijk de reden voor dit dubbelinterview?



Hilde: Wel, Manor vertelde me dat hij met u uit was geweest en toen vroeg ik hem of hij niet aan u wou vragen of u geïnteresseerd was in een bloginterview. Maar omdat ik nogal ‘opkijk’ naar uw werk, leek een dubbelinterview me ideaal om me wat achter te verstoppen.

Grunewald: Ik vond het interessant om twee verschillende generaties aan het woord te laten, ik ben 23 en Michaël is dubbel zo oud. Daarbij zitten we ook beiden in een andere fase van onze carrière. Die verschillende visies tegenover elkaar zetten leek me wel interessant.



Kijk jij op naar Michael Borremans’ werk, Manor?

Grunewald: Ik vind het interessant werk ik en heb al zijn boeken, maar opkijken is een groot woord.



Hoop jij, Manor - als je tweemaal zo oud zal zijn als nu - dat je een even goed en bekend schilder als Michaël zal zijn?

Grunewald: Tja, bekend… het essentiële voor mij is dat ik ook dan nog altijd mijn ‘ding’ kan doen, wat impliceert dat ik op mijn zeventigste nog altijd aan het schilderen wil zijn. Als ik daarvan kan leven is dat genoeg, meer hoeft niet echt. Michaël heeft dat ook niet zelf gecreëerd hé, dat is hem overkomen.

Borremans: Ik zou dat ook raar vinden als je daar zou naar streven.

Grunewald: Daar ben je toch niet mee bezig als kunstenaar

Borremans: Een carrière, dat is een tool hé. Dat is geen ultiem doel. Je hebt een carrière nodig omdat dat je een platform biedt. Je moet hett ergens in stand houden om je werk te tonen, het is een instrument die je gebruikt.



U zit nu toch in een comfortabele situatie waardoor u tijd en budget hebt, en waardoor u zich kunt opsluiten in uw atelier?

Borremans: Ja? (lacht)

Grunewald: Ik heb nu ook tijd en budget, door o.a. subsidies die ik krijg, en af en toe verkoop ik een werk. Had ik nog minder budget, zou ik mijn medium daaraan aanpassen en bijvoorbeeld enkel tekenen, wat goedkoper is.



Liever een arme, maar gelukkige kunstenaar dus?

Grunewald: Dat is een extreme stelling natuurlijk. Ik geniet ook wel van dat ietsje meer, maar als ik niet meer elke dag in mijn atelier kan werken, voel ik mij niet goed.



Krijgt u nog subsidies, Michaël?

Borremans: Ik heb dat niet nodig. De organisaties die mijn tentoonstellingen organiseren, vragen veelal subsidies aan, maar daar zit ik voor niets tussen.



Uw volgende expo in Hannover heet ‘Automat’. Waarom?

Borremans: Dat is de titel van een schilderij, maar het heeft ook te maken met een thema dat ik vaak bespeel: het geanimeerde en niet-geanimeerde dat ik met elkaar combineer. Met deze twee zaken probeer ik een staat van verwarring op te roepen. De lange traditie van de automaat stamt uit de 17e eeuw. Men maakte toen van die mechanische popjes die automatisch bewogen, en daar wil ik aan refereren. Het is een gegeven waar ik veel mee omga in mijn werk, de wijze waarop de mensheid zichzelf uitbeeldt. Ik recupereer dat in mijn schilderijen en zo heb je altijd een afbeelding van een afbeelding, wat een interessante afstand schept. Zoals de figuren uit 'la commedia dell’arte', dat zijn proto-types, het zijn geen echte individuen. Dit thema gebruik ik ook veel in mijn tekeningen, elke figuur die ik teken is een pion in een groter geheel. Ze zijn heel onpersoonlijk.



Is er een groot verschil tussen je expo in New York en je komende expo in Hannover?

Borremans: De expo in Hannover is een adaptatie van de show in New York. Ik zal het wel nog wat uitbreiden en op een andere manier presenteren. Voor mij is dat ook eens interessant, dat ik met dezelfde dingen een andere presentatie heb.



Bent u soms jaloers op Manor’s onbevangenheid? Want u moet toch veel meer denkwerk verrichten? Zou u graag terug in zijn schoenen staan en helemaal van nul herbeginnen?

Borremans: Nee, helemaal niet. Ik heb dat doorgemaakt. Trouwens, ik blijf heel onbevangen, het wordt zelfs erger, het verontrust mij soms. Ik word zelfs meer en meer onverantwoordelijk.



Zien jullie de romantiek van het kunstenaarschap zijn nog in, of vinden jullie het vooral ploeteren?

Borremans: Die twee gaan hand in hand.

Grunewald: Natuurlijk! Maar soms komen er zoveel andere dingen bij kijken, zoals paperassen en zo, waaroor je de romantiek soms wel vergeet.

Borremans: Kunstenaars die zeggen: “inspiratie bestaat niet, daar is niks romantisch aan, het is gewoon hard work”, die snap ik niet. Chuck Close – die ik trouwens een slechte schilder vind - heeft ooit eens gezegd dat hij niet gelooft in inspiratie. Wel, die man kent het niet, en dat zie je ook in zijn werk, het is echt niet geïnspireerd.



Hebt u een assistent, Michaël?

Borremans: Ik heb wel een assistent die mijn mails en allerlei vervelende dingen in orde brengt.



Een clichévraag: wat is jullie drijfveer?

Grunewald: Dat is iets onbewusts...

Borremans: Dat verschilt au fond eigenlijk niet veel van gasten die graffiti spuiten. Het is iets heel primair. Zoals een hond zijn plasje doet waar een andere hond dan aan gaat ruiken. Zo werkt het ook met kunst.



Hilde: Zo had ik het nog nooit bekeken…

Grunewald: Het is ook iets heel organisch. Je bent daar zodanig mee vergroeid dat het de normaalste zaak van de wereld is, het is niet iets waar je dikwijls bij stilstaat.



Maar u , Michaël, zou u ook in Curaçao een hutje kunnen kopen en daar gewoon verder gaan schilderen ipv hier te blijven in het koude Gent? U hebt er het budget voor…

Borrremans: Ik heb dat wel al een paar keer overwogen en ben dat nog aan het overwegen, maar niet naar Curaçao, dat spreekt me niet echt aan. (lacht)



Stel, u zit daar op zo’n prachtig eiland met allemaal mooie vrouwen rondom u, zou u dan ook nog nood voelen om te schilderen?

Borremans: Ik zou periodes hebben dat ik met die vrouwen bezig zou zijn en periodes hebben dat ik zou schilderen. Ik heb die twee polen nodig. Ik merk ook soms dat ik fases in mijn leven heb dat werken niet aan de orde komt. Maar als ik aan het werken ben, is dat ook heel intens.



Dus zelfs in een grot zou je nog de behoefte voelen om u beeldend uit te drukken?

Borremans: Als ik een oermens zou zijn, dan zou ik ook nog tekenen.



Zelfs als niemand die tekeningen ooit nog zou zien?

Borremans: Absoluut! Al doe je dat toch niet helemaal alleen voor jezelf. Zelfs die grottekening zal ooit iemand wel eens zien…



Zijn jullie in het atelier al bezig met het applaus dat jullie erna zullen krijgen?

Borremans: Ik toch niet.

Grunewald: Het is gewoon een manier van erkenning. Bij mij ontstaat een werk uit losse flarden. Nu mijn werk hier en daar opduikt, ben ik misschien inhoudelijk bewuster bezig met mijn ding. Ik wil in eerste instantie dat mensen een eigen invulling geven aan mijn werk, dat is net het interessante eraan. De titels die ik kies voor mijn werken zijn eigenlijk absurd gegeven bij het beeld zelf, maar dat doe ik dan ook om verwarring te schoppen bij de toeschouwer.



Zijn titels belangrijk?

Borremans: Natuurlijk. We zitten in een periode waarin we veel verwerkt hebben. In de 20e eeuw is er veel veranderd in de kunst. De kunst is helemaal geanalyseerd en omwenteld geweest. Dat zijn allemaal zaken die ertoe bijdragen dat we vandaag anders met kunst omgaan dan 50 jaar geleden.



U bedoelt dat titels extra sleutels voor hedendaagse kunst zijn?

Borremans: Voor mij maken titels een wezenlijk onderdeel uit van het kunstwerk. Omdat ze ergens sturen of net het tegendeel doen.



Is het nodig dat de kijker, voor ze de expo bezoekt, eerst een begeleidende tekst over jullie werk leest?

Borremans: Dat is niet noodzakelijk voor mij.

Grunewald: Voor mij ook niet.

Borremans: Het heeft lang geduurd vooraleer er over mijn werk interessante teksten zijn geschreven. Ik ben er wel blij om dat die er nu zijn.

Grunewald: Het is voor kunstcritici soms moeilijk te vatten waar je precies mee bezig bent.

Borremans: Ik vind het wel interessant dat die teksten bestaan, dat er een aantal aspecten van mijn werk geëxpliceerd worden. Daar is wel hier en daar behoefte aan.

Grunewald: Dat vind ik ook. Omdat ik met losse fragmenten werk – dingen die op zich niks betekenen – en deze dan hervorm tot nieuwe beelden, is dat zeker nodig. Want ik kan dat wel simpel uitleggen en mensen schrijven daar dan teksten over, maar meestal snappen ze het toch niet.

Borremans: Je hebt natuurlijk kunstenaars die heel theoretisch zijn ingesteld en dat wel kunnen.



Veelal wordt door beeldend kunstenaars toch beweerd dat het beeld voor zich moet spreken, dat het geen tekst en uitleg hoeft?

Grunewald: Een tekst op een tentoonstelling moet inderdaad bijzaak zijn. De essentie van een werk is in eerste instantie dat het iemand gewoon moet raken. Je moet daar naartoe gezogen worden. Het werk moet kloppen qua beeld.

Borremans: In de conceptuele kunst is het werk gewoon een illustratie bij het idee. De kunst is daar bijna bijzaak, al is dat misschien overdreven gesteld.

Grunewald: Maar zo marcheert het wel, als je de tekst niet gelezen hebt, zal je het niet vatten.

Borremans: Soms heb je wel het gevoel dat het werk zelf een residu is van de theorie.



Wat ik las in een ander interview met u en ik wel heel treffend vind is: ‘Een kunstwerk dat heel interessant is maar niet slaagt in zijn betekenisoverdracht is een mank kunstwerk’.

Borremans: We zijn weeral met beeld bezig hé…

Grunewald: Dat is de primaire noodzaak van een werk: het beeld. Als dat al niet klopt, moet je er voor de rest niet veel woorden aan vuil maken.

Borremans: Maar je hebt dat ook niet allemaal in de hand hé, er spelen ook toevallige factoren in mee. Het is voor de kunstenaar heel belangrijk dat een beeld potentiële overdracht en kwaliteit heeft. Een slechte kunstenaar zal dat niet zien. Dat is het verschil. Ik denk dat veel kunstenaars een schilderij kunnen maken, maar zich niet kunnen onderscheiden.

Grunewald: Ze zien niet wat goed of slecht is, ze zijn ook vlug content van zichzelf.

Borremans: Hoe dikwijls ga je niet naar een expo met 20 werken waar er maar twee uitschieters zijn? Wel, in feite zouden ze alleen maar die twee goeie werken moeten tonen.



Zijn er nog expo’s van anderen die jullie zich herinneren waardoor jullie compleet omver geblazen werden?

Borremans: Ik heb dat wel al enkele keren meegemaakt, maar ik heb een heel slecht geheugen.

Grunewald: Ik heb dat één maal gehad, maar wel op een dubbele manier. Dat was een expositie van een avondschool schilderkunst, de werken waren zelfs niet goed geschilderd, maar omdat die beelden zo naïef waren – een schilderij van hun chiwawa enzo – ontroerde mij dat enorm. Het voelde ook heel Vlaams aan die taferelen. Uiteindelijk is zo'n werk slecht, maar dan doet er niet toe, het maakt iets in je los.

Borremans: Als jonge gast zag ik een tentoonstelling van de etsen van Goya en daar was ik wel door platgeslagen. Of ge ziet ne keer nen goeien Rembrandt of Vermeer en denkt: et alors?



Ik had zoiets in het Hermitage in Sint-Petersburg, ik kon echt niet weg kon gaan van die Matisses of Kees van Dongens. In Keulen kon ik enkele jaren geleden geen afscheid nemen van de Hopper-tentoonstelling.

Borremans: Ik ken dat gevoel.



Zijn jullie ooit al verliefd geweest op een beeltenis van een schilderij?

Borremans: Natuurlijk.



Ik had dat bij je schilderij dat ik zag in Zeno X, een jongen met een groen masker. Er zit zo’n droevige blik in zijn ogen die me enorm fascineert. Ik heb daar toen een foto van getrokken en die hangt nu op mijn kamer, samen met dat meisje met die extra rode blos op haar wangen.



Borremans: Die jongen loopt hier rond in Gent Hilde, hij is wel nog maar 17 jaar…



Ahum...



Borremans: Het is nen wijzen gast. (lacht) Ik vind dat eigenlijk heel tof dat je dat doet. Er zijn zo nog beelden die je overal ziet, in massa, ik vind dat fantastisch! Ik denk dat mijn beelden beelden zijn die je niet helemaal kan definiëren, je bent er nooit mee klaar, het zijn open beelden. Daardoor blijven ze ook stààn, omdat je ze niet kan afwerken.

Grunewald: Als kunstenaar ga je sowieso al dingen zien in het dagelijkse leven die anderen misschien niet opmerken. Je definieert en creëert zelf beelden en dingen die je inspireren. Ik kan er ook erg van genieten ergens te zitten en te voelen dat alles klopt. Dingen die je onbewust oppikt.

Borremans: Ik ben daar wel bewust mee bezig hoor, het zijn dingen die ik in mijn werk ook toelaat.

Grunewald: Je moet wel een filter hebben hé.

Borremans: Ik weet: dit element heeft connotatie hier- of daarmee, met bijvoorbeeld kunstgeschiedenis. Het is altijd gelieerd aan een heleboel dingen die we kennen en die collectief zijn. Daarom is iedereen op een bepaald punt vertrouwd met de beelden die ik maak. Dat maakt mijn werk dan ook attractief en triggering.

Grunewald: Bij mij is dat meer onbewust, maar ik kan ook een krant openslaan en iets lulligs zien - zoals een hoek van een foto - en aanvoelen dat het een bruikbaar element kan zijn.

Borremans: Ik ben daar heel slinks en cunning in. Ik schilderde zo’n melkmeisje met een kapje die op de grond ligt, geïnspireerd op Vermeer. Wel, de manier waarop ze afgebeeld is -ze is waarschijnlijk dood, bijna de nek omgewrongen - en de manier waarop ze getoond wordt met die harde schaduw, is zoiets als forensische fotografie. Die combinatie heeft een enorme power en heeft een soort bipolariteit waardoor het niet te vatten is en heel erg aangrijpt. Dat komt niet toevallig tot stand dan, maar is heel doordacht.



U toont uw werk aan de hele wereld, maar u steekt er waarschijnlijk ook soms sarcastische of humoristische elementen in, zonder dat de kijker het daarom door heeft.

B: Ik heb inderdaad een heel groot podium, ik vind dat fantastisch! (lacht) De mensen zien inderdaad niet altijd wat ik bedoel, maar mijn werk appeleert ook aan het onderbewuste, want het onderbewuste kijkt altijd mee. Het is interessant om daar rekening mee te houd, maar er bestaat ook kunst waar uitdrukkelijk geen humor in voorkomt.



Zoals bij wie?

B: Christian Boltanski is een hele goede kunstenaar, maar heel ernstig. Voor mij is dat een zwak punt van dat werk. Een werk moet veel caleidoscopische mogelijkheden hebben qua benadering. Conceptuele kunst heeft dat veel minder natuurlijk.

G: Ik geef mijn schilderijen meestal titels die los staan van het werk. De titel ‘Let’s not talk about the IKEA colours’ heb ik gewoon aan een werk gegeven omdat er zo van dat blauw en geel uit het IKEA-logo in voorkwam. Mensen lezen dan die titel en zitten dan eigenlijk al direct vast. Ik misleid graag mensen.

B: Het publiek is zich niet altijd bewust van wat het ziet.



Maar jullie zijn soms al maanden vertrouwd met jullie eigen werk, terwijl wij het nog maar voor de eerste keer zien en als het meezit er misschien drie minuten naar kijken.

B: Een publiek moet zich niet bewust zijn van wat het ziet, want het werkt net omdat het appeleert aan dat onderbewuste.

G: Een titel is echt wel belangrijk. Stel: je schildert koning Albert en je geeft dat de titel ‘lul’, dan creëer je al iets heel tegenstrijdig. Je kan daardoor mensen met één woord direct van de kaart brengen.



PLASPAUZE



Wat is kunst trouwens?

B: Ik weet niet wat kunst is, maar ik weet wel vaak wat wel kunst is als het er op aankomt.

G: Voila, het zijn mensen die serieus bezig zijn met hun kunst die kunst maken.



Bent u daarmee akkoord, Michaël?



U hebt eigenlijk geluk, Michaël, dat u succes kent terwijl u nog leeft…

B: Veel kunstenaars kennen succes tijdens hun leven, dat is geen uitzondering, het is meer de regel. Jan Van Eyck werd ook goed betaald hoor.



Vinden jullie zich méér dan de gewone mens in de straat? Vinden jullie jezelf een soort van scheppende genieën?

B: Absoluut niet, dat is de fout van de toeschouwer. Die denkt dat de kunstenaar in zijn werk de geniale kunstenaar probeert te zijn en zijn publiek maar moet proberen te achterhalen wat de kunstenaar bedoeld heeft. Zo zijn we geconditioneerd. Ik probeer daar helemaal tegenin te gaan doordat ik open werken maak waar die vraagstelling niet meer van toepassing is – denk ik.



Wat wilt u teweegbrengen bij uw publiek? Stel dat u nooit bestaan had en dus nooit die mooie tekeningen en schilderijen geproduceerd had, zou de wereld er dan anders uitgezien hebben?

B: (lacht) Niet zoveel, maar dat valt nu moeilijk in te schatten natuurlijk. Kijk naar het werk van Andy Warhol, zonder hem zou de kunstwereld er toch anders uitgezien hebben. Veel kunstenaars zijn enorm belangrijk geweest, dat wordt vaak onderschat. Historisch bekeken, zijn de belangrijkste getuigen van de geschiedenis de kunstenaars geweest. Dat zijn de dingen die meegedragen worden.

G: Kunst staat ook vaak buiten de officiële instanties en vormt zijn eigen mening, want iedere kunstenaar voert zijn eigen onderzoek uit.

B: Film en fotografie hebben vorige eeuw ook zodanig ons kijken en denken over het beeld beïnvloed, maar dat wordt zwaar onderschat.

G: De enige kunstvorm die algemeen aanvaard en verstaan wordt is muziek, omdat iedereen door onder andere de radio daar sneller mee geconfronteerd wordt.

B: Ik heb lang in het onderwijs gestaan, ik vind het bijzonder jammer dat in het algemeen onderwijs beeldcultuur niet benaderd wordt, dat is gewoon krankzinnig. Ik vind het onbegrijpelijk dat mensen niet leren met beelden omgaan. Dat zie je ook in film en reclame, hoe slecht dat kan zijn. Ik vind – maar dat is de verantwoordelijkheid van de regering natuurlijk - dat je dat in het onderwijs moet binnenbrengen. Zo ga je ook een cultureel beschavingsniveau bereiken dat veel interessanter is dan met wat we nu opgezadeld worden.

G: Aan dat één uurke per week hebben veel leerlingen geen boodschap meer, ze zouden dit beter wijden aan beeldanalyse.

B: Ons onderwijssysteem is nog heel 19e eeuws eigenlijk. Maar we zijn blij want we zitten op het hoogste niveau in de wereld en willen op onze lauweren rusten in plaats van nog progressiever te worden. Het gevolg is dat we nu alleen nog maar slechte TV-programma’s hebben en mensen zelfmoord plegen omdat ze slechte TV-programma’s zien, slechte architectuur zien, slechte vormgeving zien… Het hangt aan elkaar.



Jullie zijn dus ook van mening dat schoonheid - wat jullie toch op een bepaalde manier maken - de wereld kan redden?

G: Esthetiek is heel belangrijk.

B: Beeldcultuur, architectuur en film zouden de basis moeten zijn in het onderwijs. Het is zo aanwezig in onze maatschappij, maar we leren er niet mee om te gaan.

G: Met basismateriaal kan je bijvoorbeeld al hele mooie huizen bouwen, hoe komt het dat er zoveel oerlelijke gedrochten gebouwd worden? Omdat een groot aantal mensen daar geen kennis van heeft.



Over naar muziek: zetten jullie muziek op als jullie aan het werk zijn?

G: Ik altijd.

B: Ik nooit.



Maar je zingt wel bij 'The Singing Painters'! Is dat cultuur of is dat fun?

B: Voor mij is dat ontspanning. Ik vind wel dat we heel goeie muziek maken, maar ik ben zowat den enigen die dat vindt… (lacht)



Hebben jullie al een CD uit?

B: Natuurlijk niet, we zijn een heel obscuur groepje.



Terug naar het atelier: is dat de plaats waar jullie het gelukkigst zijn?

B: Nee, helemaal niet! Dat is de plaats waar er veel geween en tandgeknars aan vooraf gegaan is. Dat is de plaats van veel zweet, tranen en bloed.

G: Dat geluk daar duurt vijf seconden..



Is het jullie thuis?

B: Voor mij wel. Voor mij is het belangrijk dat mijn atelier is waar ik woon, omdat ik geen discipline heb. Ik moet kunnen werken als het mij invalt. Maar misschien zou dat wel heel goed voor me kunnen zijn, een atelier op afstand.

G: Ik woon op vijf minuten van mijn atelier en dat werkt heel goed voor mij, maar soms na het diner ’s avonds heb ik nog zin wat te werken, maar merk ik dat ik er toch niet geraak. Door die afstand zie ik er tegenop. Ik ben echt wel een nine to five-er.

B: Ik schilder alleen bij daglicht, tekenen doe ik wel ’s avonds. Maar zoals ik al zei, ben ik redelijk lui.



U vindt uzelf een luierik?

B: Ja… euh nee… De uren die ik effectief werk zijn zeer miniem. Ik zit niet graag in mijn atelier, maar de uren dat ik aan het werken ben, vergeet ik dat ik in mijn atelier zit.

G: Over dat gelukkig zijn in uw atelier: ik vind dat wel een interessant gegeven omdat dat er bitter weinig aanwezig is, je zit daar wel te wroeten hé. Soms zit je daar een uur niks te doen en ben je zodanig geconfronteerd met het werk dat je aan het maken bent, dat dat heel frustrerend is. Je zit continu alleen en je moet de vraagstelling continu aan jezelf voorleggen. Soms los je dan een probleemstelling van dagen in één minuut op, dan ben je vijf seconden content, maar kom je weer voor een volgend probleem te staan.



Voelt de eenzaamheid van een atelier soms zwaar aan?

B: Als ik aan het werken ben voel ik geen eenzaamheid. Als ik me eenzaam voel, ga ik gewoonweg niet naar mijn atelier.

G: Ik ook niet. Ik hou van de wisselwerking alleen in mijn atelier te zijn en dan 's avonds te gaan aperitieven.



Michaël, de periodes dat u zich opsluit om te schilderen, lukt het dan om echt een week geen mensen te zien?

B: Ik bepaal nooit op voorhand 'of ik me ga opsluiten’. Ik begin te werken en kom achteraf tot de constatatie dat ik me opgesloten heb. Als ik intensief bezig ben met iets , kan me dat erg in beslag nemen..

G: Je voelt ook dat je goed bezig bent dan, dat het klopt, en dat wil je zeker niet stilleggen, uit besef dat het van korte duur is 'dat het goed marcheert'. Je wilt er dan ook helemaal in opgaan.



Zien jullie jezelf nog 1000-en schilderijen maken?

B: Zoveel moeten het er nu ook niet zijn…

G: Dat moeten daarom niet perse schilderijen zijn…



Maar is dat dan voor jezelf of voor iemand anders?

B: Meestal worden die wel verkocht aan iemand anders hé…

G: Schilderijen is ook iets relatiefs. Voor hetzelfde geld zegt Michaël binnen tien jaar dat voor hem dat medium ook veranderd is hé. Dat is een evolutie die je niet op voorhand kan bepalen.

B: Maar toch vermoed ik van wel hoor! Ik denk dat ik nog maar net op gang kom, ik denk dat ik mijn beste werk nog moet maken.



Verlang je er nog naar een soort Mona Lisa te maken?

B: Dat is geen doel op zich, maar het zou wel interessant zijn mocht dat gebeuren. Zo’n werk dat de kunstgeschiedenis ingaat en altijd gerecupereerd wordt..

G: Op koffietassen enzo…(lacht)



Ik denk er net aan, er staat een tekening van u op de cd van dEUS!

(Michaël trekt een grimas)

Hilde: Vraag skippen?

B: Nee, als je er een interessante vraag kan over stellen niet…(lacht)



Ben je tevreden over hoe de tekening op het hoesje staat?

B:Ik vind het wel interessant dat mijn tekening op zo’n commerciële manier gerecupereerd wordt, ik heb daar niks op tegen.

G: De tekening klopt ook wel met de titel van de cd.

B: Het klopt helemaal niet met de titel van de cd, maar het kàn kloppen natuurlijk. By the way: ik heb een rock’n roll hart hé, als rockers mij zoiets vragen doe ik dat, zeker als ik fan ben, want ik heb zoiets ook al een paar keer geweigerd.



Al veel foute keuzes gemaakt in het leven?

G: Nu! Dit interview!(lacht)

B: (kort en bondig) Ik heb al veel foute keuzes gemaakt in het leven.



Hadden jullie er destijds graag bij geweest ten tijde van de impressionisten in Frankrijk of de expressionisten in Duitsland? Iedereen die ’s avonds bij elkaar kwam en al dan niet Absinth dronk.

B: Dat wordt allemaal heel erg geromantiseerd…

G: Dat is nu nog altijd! Dat is allemaal dikke zever… we zitten wij ook op café ’s avonds…

B: Trouwens die impressionisten en surrealisten konden elkaar niet uitstaan.



Voelen jullie zich verbonden als een ‘kunstenaarsgroep’?

G: Maar neen, daar zijn wij niet mee bezig…

B: Ik wil met schilders niks te maken hebben! Ik ga liever op café met schone meiskes! (lacht)



Over drinken gesproken, drinken of ‘smoren’ jullie in het atelier tijdens het werk?

B: Ik drink braaf koffie en water… drinken is voor als je je wil ontspannen…

G: Dat marcheert niet als je drinkt. Dat is een heel romantisch gegeven uit de kunstgeschiedenis.



Schilderen is topsport, maar doen jullie nog aan andere sporten om het schilderen te compenseren?

G: Jeu de boules! (lacht)

B: Ik durf dat niet zeggen, het is te belachelijk gewoon: ik ga gaan lopen met een kap op, zodat niemand me herkent. Ik vind het echt geen gezicht, maar het is goed voor de conditie en ik heb er echt veel deugd van…

G: Als je een Orval of tien drinkt heb je daar ook deugd van hoor!



Over dat herkennen gesproken, heb je daar last van als je ergens binnenkomt, Michaël? Want de 10% die misschien 'kijken', zijn dan wel mensen die kennis hebben van kunst.

B: Och, Ze kijken echt naar mij… Wat wel ambetant is op een receptie is dat mensen die ik niet ken tegen mij beginnen te spreken - en helaas - zijn dat de meest vervelende mensen. Die willen dan ‘praten’ met mij. Beleefde mensen laten mij gerust.

G: Ik had dat onlangs dat ene persoon x mijn hele programma kende waar ik mee bezig was, maar ik vond dat zeer irritant, want heb ik daar geen boodschap aan en die weten ook niks anders interessants te vertellen.



Stel: je komt de Vooruit in Gent binnen…

B: Ik kom daar nooit binnen, dat is precies een jeugdhuis, ik kan daar niks gaan doen.



Ok, het S.M.A.K dan, denk je dan niet, fuck, ze gaan me herkennen en naar me kijken?

B: Ik ben wel Koen Wauters niet hé. Tom Barman zei me: "nu met die CD-hoes ga je pas echt bekend worden".

G: Mensen die met kunst bezig zijn, zijn dààr toch niet mee bezig? Trouwens, in kunstcatalogi staan meestal ook geen foto’s van de kunstenaar.

B: Ik probeer ook altijd te vermijden dat er foto’s van mij in staan.

G: Het gaat niet over je gezicht hé, het gaat over je werk.



Meneer Borremans, u moet waarschijnlijk ook tegen de roddel ’die zal wel veel geld hebben’ kunnen…

B: Dàt is wel waar natuurlijk! (lacht)



Voelt u jaloezie?

B: Die zal er ongetwijfeld wel zijn.



Voel je onderhuidse steken van mensen?

B: In het begin voelde ik wel dat sommige vrienden minder vriend werden en andere mensen plots mijn vriend wilden zijn… heel raar. Maar dat is nu voorbij.



Is het eenzaam aan de top?

B: (lacht) Eenzaam aan de top? Hilde toch…



Als u Luc Tuymans ziet, hebben jullie samen een klik?

B: Luc Tuymans ken ik nauwlijks, ik heb daar nog nooit mee ‘geklapt’, misschien doen we dat ooit nog wel eens…



Wat denken jullie over emotie in de kunst? Mag de kijker jullie gemoedstoestand herkennen in jullie werk?

G: Dat is ook heel dubbel hé. Bij mij zal dat minder herkenbaar zijn omdat ik zo neutraal mogelijk probeer te zijn t.o.v. mijn werk.

B: Ik geef wel een state of mind weer die meer algemeen is natuurlijk. Bij mij kan je niet zien aan mijn werk of ik me depressief of goed voelde.



Wie jullie kunst afwijst, wijst die ook jullie persoon af?

B: Ik zou dat niet gauw persoonlijk nemen. Pas op, je hebt ook de factor van ijdelheid natuurlijk - die je ook niet mag uitschakelen - maar je mag dat niet persoonlijk nemen, het gaat over je werk.

G: Je kan dat ook weer vergelijken met muziek, omdat het iets is waar mensen makkelijker kunnen mee omgaan. Je hebt van die Vlaamse pompmuziek - die sommigen graag horen - en dan Coltrane waar andere liefhebbers voor zijn. Je kan toch nooit iedereen behagen?

B: Dat heb je goed gezegd!

G: Je hebt natuurlijk ook gefrustreerde mensen die het zelf niet aankunnen en een ander zijn werk dan maar afbreken.



Maar bij uw werk, Michaël, heb ik het gevoel dat gewoonweg niemand het slecht of lelijk kàn vinden.

B: Zo in mijn gezicht gebeurt dat nooit. Maar mijn werk heeft soms ook iets mufs hoor, zo fris is mijn werk toch niet…



Komaan!

En een lief dat je werk niet graag ziet, kan dat je lief worden?

B: Dat zou ik graag eens hebben, dat zou eens een goed lief zijn zeg, dat is dan een vrouw die je uitdaagt hé.



Ik zit al een hele week met dat liedje ‘Tragedy’ van de Bee Gees in mijn hoofd, zo’n liedje dat je echt een wow-gevoel geeft. Wel Michaël, jij ben één van de weinige kunstenaars waar ik ook dat wow-gevoel bij heb – een soort verliefdheidsgevoel - als ik sommige werken zie.

B: Tja, ik ben een catchy-kunstenaar hé! (lacht)

G: Dat is net het nadeel van beeldende kunst, dat je dat moet gaan bekijken op een tentoonstelling. Je hebt veel minder dat instant-gevoel zoals je bij een liedje op de radio kan hebben. Er is weinig spontane confrontatie, behalve op foute locaties als rotondes. Je moet echt naar die tentoonstelling gaan om het te vatten. Je kan natuurlijk een catalogus openen van een bezochte expo, maar dan duurt het langer voor je daar in opgaat. Jij kan dat nummer van de Bee Gees nu neuriën en iedereen is er mee weg, zeg een titel van een werk van Michaël en dat effect kan je niet in 1-2-3 bewerkstelligen.



Inderdaad, maar verf, verfstreken op een doek, dat heeft toch echt iets magisch, iets ondefinieerbaars.

G: Je kan het vergelijken met een gitaar, de ene haalt daar de goorste troep uit, de andere sublieme klanken. Idem met een tube verf: de ene kan daar alleen maar een vlak mee schilderen, de andere maakt daar iets prachtigs mee.

M: Verf kan inderdaad sensualiteit hebben, het is iets heel fysieks, erotisch…



Waarvoor hebben jullie totààl geen talent?

B: Ik kan totààl niet dansen. Ik heb veel ritme in mijn lijf en in mijn hoofd, maar een soort vertraging tussen mijn hersenen en mijn benen, ze reageren altijd een fractie trager dan ik gedacht had. Ik zit raar ineen op dat gebied, ik vermoed dat ik een psychomotorisch probleem heb.

Grunewald: Ik heb dat probleem met muziek, ik heb echt geen voeling met gitaar spelen, al zou ik dat echt wel willen.

Borremans: Allez, gitaarspelen, dat is toch fantastisch! Dat is gewoon het verlengstuk van je lichaam!



Ik wil jullie niet droevig maken, maar wat mag er op jullie grafzerk staan?

Borremans: Ik wil geen graf, ik zou het liefst zo gewoon verdwijnen zoals die vliegenier: Antoine de Saint Exupéry. Dat ik vermist bent, plots, en nooit meer teruggevonden word…

Grunewald: Of zoals Dennis Black Magic, die is toch ook verdwenen?

Borremans: Of zoals op het grafzerk van Cowboy Henk staat: Hij leerde zijn volk niks.



Er volgt nog veel over en weer gebabbel over kunstenaars, en ego’s, en dood zijn maar nog kunst nalaten, en tandartsen, en werken bij de Volvo, en vrouwelijke kunstenaars en wie de vrouw het mooist afgebeeld heeft, en gebabbel over een film van Bratkov waar Michaël smolt van die vrouw, en Manor die vindt dat het mooiste kunstwerk de wereld zelf is, tot gebrabbel over al dan niet seks voor een dagje schilderen in het atelier…



Houden jullie van interviews?

Borremans: Interviews zijn zinloos. 90% is overtollige informatie.

Grunewald: Laten we nog enen drinken…



Wat moet de lezer onthouden dit het interview?

Grunewald: Relativeringsvermogen...

Borremans: Dat in onze maatschappij het belang van beeldcultuur onderschat wordt en dat het aan de overheid is om daar bewust mee om te gaan. Dit is een oproep aan Frank Vandenbroucke, hij is niet slecht bezig, maar het kan nog beter…



Tijdens het nakaarten aan de bar:



Ik heb jullie eigenlijk te weinig over jullie werk laten praten hé?

Grunewald: Nee, ik denk dat dat eens een goed gegeven is. Maar mensen zijn in het algemeen ook niet echt geïnteresseerd in de diepgang van iemands werk.

Hilde, je ging nog een goeie vraag stellen: ‘waarom andere mensen werken en wij niet?’ Alsof wij niet werken?

Borremans: (zingt) 't Zijn zotten de wèèrken...

Mijn ambitie ligt in mijn werk en ik blijf heel nieuwsgierig naar wat ik kan doen binnen mijn onderzoek.

Grunewald: Idem voor mij!



Hoeveel krijg ik op 10 voor dit interview?

Grunewald: Een volle 8. En nu kap ik ermee zulle!

Borremans: Een 6.



Waarom maar 6? Wat moest ik nog meer gedaan hebben?

Borremans: Je bent erdoor, zijt content! Het waren wat domme vragen hé Hilde!



Dat is expres, op mijn domme vragen krijg ik veelal interessante antwoorden...

Borremans: Het waren zo van die vragen waar ik me geen raad mee wist.



Waren ze te weinig kunstgecultiveerd?

Borremans: Ik vond dat ze te veel over kunst gingen. Ik wou over leuke dingen praten.



Zoals?

Borremans: Dieren.



Wat is je lievelingsdier?

Borremans: Tegenwoordig heb ik nogal veel affectie voor de lama.



Waarom?

Borremans: Ik zou dat graag hebben als huisdier omdat dat eigenlijk niet in een huiskamer past.



Lievelingsbloem?

Borremans: Klimop.



Lievelingsauto?

Borremans: Heb ik niet.



Lievelingsgerecht?

Borremens: Japans!



Let u op uw gezondheid?

Borremans: Niet genoeg.



Heb u iets destructiefs in u?

Borremans: Absoluut! We hebben dat allemaal hé, eigenlijk schilder ik uit pure doodsdrift...



Schilderen tot de dood je van je penseel scheidt. Wow, wat een einde, bedankt voor het interview mannen!



Hilde Van Canneyt. Gent, donderdag 26 maart 2009.

Expo's Manor Grunewald:

Zennestraat 17: Zennestraat 17, Brussel: van 23/04 tem 30/05.

Cruel Intentions: Broelmusem, broelkaai 6, Kortrijk: van 15/05 tem 07/06.

Monumental: Luipegem 77, 2880 Bornem: van 17/05 tem 20/09.

The Ornamental Body: Witte Zaal, Posteernestraat 64, Gent: van 29/05 tem eind juni.

Solo project: release catalogus nov-jan 2010, Fordlaan 17.

http://www.manorgrunewald.com/

http://www.zeno-x.com/

http://www.fortlaan17.com/

www.kestner.org/de