interview met luc de vos








Luc De Vos. Onnodig hem voor te stellen aan wie op de planeet Vlaanderen woont. Geen beeldend kunstenaar, wel een man met een beeld, een visie op hoe te leven. Tussen zijn uitpuilende boekenkasten annex werkruimte hadden we het over… was het althans de bedoeling het over beeldende kunst te hebben. Hedendaagse beeldende kunst dan nog wel. Of we daarin geslaagd zijn? Nee dus. Maar omwegen vergroten de kennis van een plaats.

Hilde Van Canneyt: Hoi Luc, een eerste allroundvraagje om onze hersenen wat op te warmen: wat is kunst?
Luc De Vos: Ik heb al veel over deze vraag nagedacht omdat ik zelf wat in die sector zit. Want is popmuziek kunst? Daar moet ik negatief op antwoorden. Als ik me iets bij kunst voorstel, moet het toch altijd een commentaar op het leven zijn. Iedereen leeft en heeft hersenen, dus de mogelijke energie om kunstenaar te zijn zit in iedereen denk ik. Kunst is altijd een ervaring die je wilt delen met andere mensen. Het kernwoord is communicatie. Zo van: ‘kijk mensen, ik heb iets meegemaakt en wil daar iets over zeggen en ik doe dat met mijn medium’. Kunst is commentaar op een ervaring. Waarom tijd verliezen met dingen maken voor jezelf? Tenzij therapeutisch, maar dan is het meer een vorm van medicatie.

Wat versta je onder hedendaagse kunst?
De Vos: Als je het een beetje theoretisch en nuchtig bekijkt, is het maar meer dan logisch dat hedendaagse kunst bestaat. Het zou een beetje belachelijk zijn nog altijd het Lam Gods te schilderen. Mocht Jan Van Eyck vandaag leven, dan zou hij ook het Lam Gods niet meer schilderen, maar zou hij dat thema in videokunst of in een conceptuele vorm gieten. Je kan natuurlijk bezwaren hebben tegen hedendaagse kunst omdat die zoektocht naar vernieuwing er niet moet zijn om die zoektocht zelf. Dé commentaar op conceptuele kunst is natuurlijk altijd: ‘ik kan dat ook’. Ik kan ook zoals Damien Hirst een paard in twee snijden of aan een Chinees vragen vragen wat diamanten op een schedel te lassen. Dit is een negatieve commentaar op conceptuele kunstenaars, maar ik denk dat velen ook de humor van hun eigen kunst inzien, ik hoop het! Humor is uiteindelijk ook een deel van het leven, je hebt liefde, vreugde, afscheid nemen,… en die mogen ook belicht worden in de kunst.

Vind jij hedendaagse kunst een soort mengvorm van het leven van nu?
De Vos: De samenleving is zo ingewikkeld dat je wel moet op zoek gaan naar nieuwe beelden en vormen. Onlangs schreef ik een stukje in de ‘Gazet van de Opera’ en het ging over de hedendaagse uitvoering van de ‘Ring der Nibelungen’. In plaats van een zwaard hadden ze een GSM, een helm was een computer, alles aan onze tijd aangepast, het was een uitvoering van Ivo Van Hove. Maar uiteindelijk maakte dat voor mij niet zoveel verschil. We zijn hier nu, in het ‘hedendaagse’ en meer dan een wandelend spijsverteringsstelsel zijn we niet, zegt Michael Houellebecq. Alle oude thema’s worden telkens hernomen. Zoveel thema’ zijn er trouwens niet, mogelijkheden om ons te uiten ook niet: film, literatuur, beeldende kunst, muziek… toch beperkt.
Er is
onderzoek gedaan naar hoeveel thema’s er beschreven werden in de wereldliteratuur en er waren er maar 23! Meer is er niet. Alles wordt herkauwd en ieder mens moet proberen op zijn manier met de wereld om te gaan, wat soms tot fantastische kunstwerken leidt.

Over naar ‘kunstgeschiedenis’: kan je je herinneren welk kunstwerk voor de allereerste keer indruk op je maakte?
De Vos: Ik moet een jaar of zestien geweest zijn toen ik voor de eerste keer echt met schilderkunst in contact kwam en het was de onnavolgbare Engelse schilder William Turner die me toen omver blies. Liefde op het eerste zicht. Ik zat in de Latijn-Griekse en had een inspirerende leraar, Jean-Pierre Rondas, die nogal begeesterd was door literatuur en schilderkunst. Hij nam ons mee naar het MSK en daar hingen die gasten van de Latemse School, zoals Gustaaf De Smet enzo. Daar vertelde hij zo enthousiast over en die schilderijen raakten toch een gevoelige snaar bij me. Het is wel belangrijk een leermeester te hebben, zeker op die leeftijd, want dan lopen we toch maar rond als een kieken zonder kop. Zelfs al ben ik nu nog altijd een amateur, mensen met kennis die je bepaalde dingen aanwijzen zorgen toch dat je interesse gewekt wordt en dan is de stap in de goede richting al gezet. Tot nu toe is schilderkunst uit de 19e eeuw nog altijd mijn favoriet.

Ik las dat muziek je grote liefde al was toen je vier jaar oud was. Kan je je nog herinneren ooit in de weer geweest te zijn met verf of boetseerklei aan de keukentafel?
De Vos: Ja hoor, maar ik besefte al vroeg dat ik er totaal geen verstand van had, wat wel bevrijdend was dat in te zien, vandaar ook mijn bewondering voor goede schilders. Als ik muzikanten zie heb ik die bewondering niet, misschien omdat er altijd een rancune of afgunst insluipt.

Hoe sloop muziek dan je leven binnen? Kreeg je op je vierde een gitaar van één of andere nonkel of… ?
De Vos: Daar heb ik allemaal zelf voor moeten zorgen, ik ben volledig autodidact op dat vlak, ik was al zestien toen ik mijn eerste gitaar vastnam.

Als tiener ook nooit de behoefte gehad ‘den kunstenaar’ te gaan uithangen?

De Vos: Ik heb een soort ‘Jezus-periode’ meegemaakt en wist pas heel laat wat ik wou doen met mijn leven. Er zijn gasten die op die leeftijd al ambitieus zijn, maar mij leek de wereld op dat moment nogal moedeloos, terwijl ik al die mensen rond mij zag rondspringen en doen.
Ik maakte wel al liedjes vanaf ik mijn eerste accoord
kende en schreef hier en daar wel wat, maar besefte dat het allemaal nog niet goed genoeg was. Een oude schoolmaat heeft me nog eens een cassetje uit ’82 laten horen, manneke, ben ik blij dat nooit iemand dat ooit gehoord heeft! Laat ons zeggen dat ik eerst nog wat moest leven, want ik voelde wel degelijk dat ik het in de vingers had.

Tussen uw 21e en 46e liggen zo’n 25 rock’n roll jaren. Kan je op je twee handen tellen hoeveel keer je een museum bent binnengestapt van oude of hedendaagse kunst?
De Vos: De laatste 10 jaar ben ik toch wel bewust naar oude steden getrokken om er van alles wat kunst aanbelangt te gaan proeven. Mijn liefde gaat sowieso wat meer uit naar de oude kunst omdat ik altijd denk dat het vroeger toch moeilijker was kunst te maken. Maar in de begrenzing toont zich de ware meester, zegt men. (Ik bespaar jullie zijn Duitse vertaling ervan.) In de renaissance hadden ze maar beperkte materialen en technieken voor handen en binnen dat kader moest het gebeuren.

Kunstwerken van nu hebben meer een handleiding nodig, want zowel in de ideeën als in de uitvoering ervan is er totale vrijheid. Maakt conceptuele of abstracte kunst iets in je los?
De Vos: Niet zoveel. Het is zo voor de hand liggend omdat elk idee kan gedacht worden. Ik kan een olifant in een Boeiing742 zetten en die laten neerstorten in de Atlantische Oceaan en daar een foto van nemen, wat dan mijn kunstwerk is.

Je vindt vakmanschap belangrijker dan het concept?
De Vos: Toch wel.

Als je zelf beeldend kunstenaar zou worden, zie je jezelf dan als een schilder, beeldhouwer, fotograaf, videokunstenaar...?
De Vos: De hoofdfiguur in mijn nieuwe boek ‘Het Mensdom’ wordt op het einde een conceptuele kunstenaar en hij denkt een gigantisch kunstwerk uit. Ik kan verklappen dat hij er steenrijk mee wordt. Maar je vraag is zodanig hypothetisch dat ik er geen antwoord op weet. Naast schilderkunst heb ik ook voor beeldhouwkunst een enorme bewondering. Die fysieke arbeid alleen al om daar op een beeld te gaan kloppen en op te passen dat je de neus er niet afkapt. Wat een moed!

Wat zou je uitbeelden als je dan toch die beeldhouwer zou zijn?
De Vos: De naakte vrouw natuurlijk, die is zo prachtig om te zien in het echt, dat ik me niet zou vervelen haar in kunst om te zetten. In Rome ben ik naar Bernini gaan zien, zijn beelden zijn gewoon prachtig. Laten we het erop houden dat ik misschien wel een wilde beeldhouwer à la Rik Poot zou willen zijn.

Ben je al ooit op een kunstwerk of de afbeelding van een vrouw verliefd geweest?
De Vos: Een erotische gedachte erover hebben is er misschien wat over, maar soms, man man, die vrouwen van Bernini…

Als je ‘Mia’ van je gelijknamige song zou voorstellen in een kunstwerk, hoe zou ze eruit zien?
De Vos: Ze zou er al wat ouder moeten uitzien, zeker niet van de magersten, niet te aantrekkelijk, een sterke vrouw zoals dat heet. Een vrouw die denkt dat cynisme de wereld kan redden, een vrouw met haar op de tanden.

Hoe zou je je song ‘Veronica komt naar je toe’ schilderen of beeldhouwen?
De Vos: Een vrouw in Pop Art-achtige stijl geschilderd, met rood schaamhaar en ‘tetten’ die in de lucht vliegen en met heel veel kleuren geschilderd. Het mag wel wat extravagant. Ik ben zelf te lang verlegen geweest. Het leven is te kort, je mag jezelf wel wat belachelijk maken, schaamteloos zijn, zowel als mens als als kunstenaar.


Heb je deze zomer de expo ‘IT’S NOT ONLY ROCK’N’ ROLL BABY!’ in de BOZAR bezocht?
De Vos: Nope, er wel veel negatieve commentaar over gehoord.

Je mag je nooit laten beïnvloeden door negatieve commentaar meneer De Vos! Altijd zelf op prospectie gaan! Ik heb hier de catalogus van de expo bij. Vooraan zie je al de namen staan van de deelnemende muzikanten. Kies eens drie namen uit en raadt eens afgaande op de muziek die ze maken, in welke beelden zij zich zouden uiten.
De Vos: Bij Pete Doherty stel ik me voor dat hij een blad papier neemt, er een tas koffie over giet, nog wat ketchup erop morst en er dan zijn sigaret op uitduwt.
(We kijken in de catalogus of De Vos er al dan niet ver naast zit.) Ja! Ik zit er niet ver van, in plaats van ketchup gebruikt hij zelfs zijn eigen bloed in zijn schetsen! Het plaatje klopt, al is hij natuurlijk een wandelend cliché, een karikatuur van zichzelf.

The Kills zijn natuurlijk ook een leuk groepje, Jamie Hince ziet er nogal een intellectueel uit. Ik vermoed dat hij clair-obscur foto’s maakt die refereren naar de franse cultuur uit de jaren ’50. (We check it out.) Polaroids! Ze stralen een Amerikaans jaren ’70 sfeertje uit. Cool, zat er niet ver naast toch?

Bent Van Looy staat er ook tussen. Die ken je vast wel.
De Vos: Op onze vijfde plaat ‘Eindelijk vakantie’ staat er een kunstwerk van hem afgebeeld, het hangt trouwens op onze slaapkamer. (Luc troont me mee naar de slaapkamer, waar ik alleen probeer oog te hebben voor het schilderij, red) Ik heb het van Bent gekocht, muzikanten moeten de beeldend kunstenaars een beetje steunen hé! (lacht)
Ik moest nog een derde kunstenaar kiezen, laten we Antony (van Antony and the Johnsons) nemen. Ik associeer hem toch met de 19e eeuw. Hij doet me denken aan de ‘poètes maudits’ zoals Verlaine en Baudelaire. Het is een homo die zichzelf graag in vrouw verkleedt, dus als beeldend kunstenaar denk ik dat hij iets met textiel doet… laat ons zeggen dat hij truien breit…

Ahum, laten we eens kijken hoe hij zich beeldend uitdrukt. Collages, tja… en hier een inkttekening, ik weet zelf niet wat ik ervan moet vinden.
De Vos: Veel van de hedendaagse kunst die gemaakt wordt is heel verwarrend, de strakke lijnen van Mondriaan zijn er wel degelijk uit. Wat Antony doet noem ik de ‘droedelkoffievlekkenkunst’. Mocht je dat zien liggen in een huiskamer die vol met rommel ligt, zou je denken: wat een smeerlapperij ligt hier nu. Maar alleen al het feit dat het hier afgebeeld is op een mooie boekafdruk met een wit randje, heeft het onmiddellijk cachet.

Snap je dat muzikanten beeldende kunst maken als tegenwicht voor muziek? De bassist van Hitch zei me eens dat (rock)muziek alleen dom maakt. Heeft hij gelijk?
De Vos: Het feit dat die tentoonstelling opgezet werd, is al een bewijs dat veel muzikanten met kunst bezig zijn. Muziek alleen is inderdaad te beperkt, zelf heb ik altijd de behoefte daar nog een extra commentaar aan toe te voegen. Ik ken trouwens niemand in België die naast zijn popteksten ook nog proza schrijft.

Songschrijven alleen bevredigt je niet?
De Vos: In mijn tijd deden gasten als Paul Snoeck of Hugo Claus wel achtien dingen tegelijkertijd. Ze maakten films, schreven boeken, schilderden, fotografeerden,… echt allesdoeners. Terwijl ze het nu raar vinden als je twee dingen tegelijkertijd doet. Ik heb altijd proza willen schrijven omdat het voor de hand ligt voor mij om dit naast mijn songteksen te doen.

Collums zie je dan als een financiële inkomst?
De Vos: Uiteindelijk ben ik aan mijn muziek en schrijven begonnen zonder één financieel plan ever, je zou moeten zot zijn. Als je niet ‘geslaagd’ was in je schrijven of muziek, in welke sector was je dan terechtgekomen denk je?
De Vos: Ik heb lang als bijverdienste in de bouw zitten rondprutsen, omdat ik niet wist van welk hout pijlen maken. Later heb ik ook een leuk ‘sinecure’-jobke gehad, sine cure wil zeggen: zonder zorg. Een burojobke waar ik veel zat te dromen en waar ook veel teksten en liedjes zijn ontstaan.

Je schrijft je liedjes thuis tussen de soep en de patatten. Snap je dat vele beeldend kunstenaars hun kil atelier opzoeken waar ze hun eigen paradijsje creëren om hun kunst te maken?
De Vos: Ik ben heel graag onder de mensen, dus om me een week te gaan afzonderen in een bos in de Ardennen, dat is niks voor mij. Het liefst van al zit ik samen met iemand die ook aan zijn eigen ding zit te werken, héérlijk, twee mensen die elkaar stimuleren. Ik hou ervan te werken tussen het leven van alledag.

Jij ziet jezelf niet zoals Nick Cave elke dag van nine to five naar je buro gaan om daar muziek te gaan schrijven?
De Vos: Ik geloof wel in arbeid en discipline hoor, je moet het wel doen natuurlijk. Soms komt er bijna stoom uit mijn oren van de totale concentratie, maar achteraf denk je: hé, ik heb het toch maar weer gedaan.

Heb jij een muze nodig om te creëren?
De Vos: Nee, daar geloof ik niet in. Vroeger kon ik na een optreden van TC-Matic wel naar huis scheuren om een liedje te gaan schrijven, maar tegenwoordig heb ik dat niet meer. Schrijven is pure discipline, ik geloof zelfs niet in inspiratie.

Wat drijft je dan voort? Voor wie of wat wil je dan blijven ‘aangenaam’ verder zwoegen?
De Vos: Er zitten een miljoen dingen in mijn hoofd rond te tollen, die zitten daar gewoon al klaar. Inspirare wil zeggen: in-blazen, dus die worden er door de negen muzes zogezegd ingeblazen. Maar bij mij zit het er al in en het moet er uit.

Als een beeldend kunstenaar een expo heeft ziet hij dat veelal als een soort synthese van waar hij op dat moment staat, een boek of een cd uitbrengen kan je daarmee vergelijken. Denk je dan ook onmiddellijk aan wat je erna wilt doen?
De Vos: Eén seconde nadat een boek of cd aan het publiek voorgesteld is, denk ik dat eigenlijk. Ik heb het gehad, ik heb het gedaan en boenk, het is eruit en tijd voor het volgende.

Zoals veel beeldend kunstenaars altijd een schetsboek meehebben in hun tas of als ze op reis gaan, heb jij altijd een notitieboekje bij?
De Vos: Ik onthou wel wat ik hoor en zie rondom mij, maar ik laat het liever wat bezinken om het dan op te stapelen in mijn computer. In mijn nieuw boek komt ook een liefdesscene voor, maar dat is een conglomeraat van alles wat er rondom mij gebeurt is.

Vind je het erg als ik zeg dat ik je eerste song ‘Lieve kleine pyrahna’ je beste song vind? Alsof ik tegen een schilder zou zeggen dat ik zijn schilderijen van 15 jaar geleden beter vind dan degene die hij nu maakt. Dan wil ik toch suggereren dat hij in mijn ogen niet geëvolueerd is?
De Vos: Ik heb dat ook in mijn nieuw boek geschreven. Het gaat over ouder wordende mensen die in de muziek of in de kunst zitten. In het begin kan je iets en de andere mensen vinden dat tof en dan probeer je dat kunstje te perfectioneren en dan zeggen mensen dat het een herhaling is van wat je al gedaan hebt. Terwijl je als kunstenaar gewoon zo goed mogelijk iets probeert te doen. Ik zeg altijd: ik ben de beste zanger van Gorki en heb in de loop der jaren een eigen stijl ontwikkeld.

Je hebt geen nood te evolueren?
De Vos: Je evolueert sowieso als mens en je hebt een betere kijk op jezelf. Je laat meer en meer overbodigheid vallen en probeert meer ‘stylering’ in alles te brengen. In mijn boek heb ik dan ook alle bijvoeglijke naamwoorden geschrapt. Ik ben voor de schijnbare eenvoud. Bij William Turner is dat ook zo, in één lijn geeft hij de mast van een schip weer. Formidabel! Je ziet je dus eerder een minimalist worden dan een barokke kunstenaar.

Eens kunstenaar, altijd kunstenaar? Doordoen tot de laatste snik?
De Vos: Ja!

Zou je je het niet aantrekken moesten de mensen je beu worden?
De Vos: Het is sowieso voor een beperkt publiek dat je muziek speelt of boeken schrijft. De mensen hebben een wat verkeerde perceptie van mij dat ik een bekende vlaming zou zijn, maar dat is totaal niet waar. Ik kom misschien 7 keer per jaar met mijn kop 20 seconden op TV. Wat de impact daarvan is op mijn verkoop is echt nihil.

Boeken en cd’s zie jij eigenlijk als kunstwerken die je aan de wereld wilt tonen?
De Vos: Je moet dat gewoon doen! Al zouden dat nul mensen kopen, je wilt dat maken.

Wil je populistische kunst maken of voor een publiek die je werk ‘apprecieert’?
De Vos: We doen nu een toernee langs culturele centra en er komen soms mensen kijken met een abonnement die nog nooit van ons gehoord hebben, maar voor mij hoeven die daar niet als bladopvulling te zitten, dan liever twintig echt geïnteresseerden. Respect moet je trouwens verdienen met de dingen die je doet. Als ik iets maak dat heel goed is, heb ik graag dat dit naar waarde geschat wordt.

Wil jij een boodschap meegeven?
De Vos: Ik probeer gewoon het goede voorbeeld te geven: wees blij dat je leeft, dat je ademt, leef het volle leven en zit niet te zagen over later of over vroeger. Doe vandaag wat je wilt doen! Ik wil dat meegeven met de mensen door zelf het goede voorbeeld te geven, zoals ik ook leef voor mijn liedjes en teksten. Elke dag het voornemen nemen om alles uit het leven te halen wat erin zit! ‘Als je één mens redt, redt je de hele mensheid’, zei Ghandi.

Welk offer zou je nooit maken voor de kunst?
De Vos: Ik sla wel veel dingen af die geld zou kunnen opbrengen, maar die ik niet doe om mijn ‘integriteit’ te bewaren, dus ja, ik ‘offer’ geld (lacht).

Wat wil je dat ze later op je graf zetten? ‘Hij was een toffe gast of hij was een goede schrijver?’
De Vos: ‘God knows I tried.’

Heb je door dit interview meer of minder zin om de hedendaagse kunst te volgen?
De Vos: Meer zin! Ik was bijvoorbeeld blij verrast door die Antony.
Hou me op de hoogte, Hilde!

Beloofd Luc!

Hilde Van Canneyt, Gent, vrij 23 jan ’09.

Luc De Vos heeft net een boek uit: Het Mensdom, uitgegeven bij ATLAS en te vinden bij de betere boekhandel aan 16,50 euro.
www.gorki.be

interview met hedwig brouckaert









Na de drukte op haar vernissage, waar het kijken naar kunst weer eens gedomineerd werd door het sociale kijken en kletsen, spreek ik enkele dagen later terug af met Hedwig Brouckaert. We hebben de galerie Jan Dhaese voor ons alleen en hebben alleen oog voor elkaar en haar gelaagde gekraste zwart/wit tekeningen.



Hilde Van Canneyt: Hoi Hedwig, je bent nog maar de tweede dame aan mijn interviewtafel, denk je dat er een verschil is tussen vrouwelijke en mannelijke kunst?

Hedwig Brouckaert: Je kan die distinctie niet maken, als er al zoiets is als vrouwelijke kunst dan zijn het evengoed mannen die die kunst maken.


Denk je dat de toeschouwer anders kijkt naar een kunstwerk gemaakt door een vrouw of een man?

Brouckaert: Dat zou in ieder geval niet mogen. Kunst gaat toch over meer dan over het geslacht?


Kaarten vrouwen andere thema’s aan in hun kunst dan mannen?

Brouckaert: Nee. Je kan dat niet in se stellen. In de jaren ’60 en ‘70 hebben feministen wel bepaalde thema’s aangekaart maar dat ging over een sociale maatschappelijke context, net zoals African American kunstenaars bepaalde thema’s aankaart(t)en.


Tref je onder je favoriete kunstenaars meer vrouwen of mannen aan?

Brouckaert: Tijdens mijn studententijd was Louise Bourgeois mijn grote voorbeeld omdat zij als één van de eerste vrouwen heel bekend is geworden en tot op hoge ouderdom blijft evolueren als kunstenares. Maar van mannen zoals de Japanner On Kawara ben ik ook een grote fan, en nog zovele andere.


Vind je dat een vrouw als ze een kind krijgt een excuus heeft geen kunst meer te maken?

Brouckaert: Zeker en vast niet. Als je kinderen krijgt blijf je wie je bent en dan is kunstenaar zijn toch niet iets dat ineens kan wegvallen?


Een kind krijgen is toch het mooiste kunstwerk dat je kan maken als vrouw?

Brouckaert: En als man toch ook?


Je bent beeldhouwkunst gaan studeren toen je achttien was, vanwaar die keuze?

Brouckaert: Op de Middelbare school in Gent had ik een kunstleraar die me enorm inspireerde en beeldhouwkunst gaan studeren was gewoon een logisch vervolg. Als tiener beeldhouwde en boetseerde ik thuis altijd, ik heb me zelfs nooit de vraag gesteld wat ik anders zou doen. Als kind had ik altijd het romantische beeld van de kunstenares Camille Claudel, alias Isabelle Adjani, voor ogen.


Daarna ben je naar het HISK getrokken, tot welke inzichten ben je daar gekomen?

Brouckaert: Op de academie werkte ik abstract; mijn werk was toen erg beïnvloed door Brancusi. In ons beeldhouwatelier op Sint Lukas Brussel gold er toen een soort ban op figuratief werk. Op het HISK ben ik dan plots heel figuratief beginnen werken, levensgrote witte gipsen beelden die wel vervormd waren en er surreëel en bevreemdend uitzagen.





Hadden jullie op het HISK totale vrijheid?

Brouckaert: Ja, in principe wel. Het eerste jaar, in ‘96, hadden we er een vijftal docenten, de ene kwam elke week, de andere één keer per jaar. Er waren ook regelmatig gastdocenten die in ons atelier een uur kwamen praten met ons. In ‘99 waren er enorm veel gastdocenten en dat was een belangrijke leerschool voor me. Gedurende mijn vierjarige opleiding op Sint Lukas had ik enkel de stem van twee docenten gehoord. Ineens kreeg ik ontzettend veel verschillende meningen te horen op een week tijd. Dat was heel verwarrend maar het maakte me ook sterk. Er was natuurlijk ook interactie tussen de kunstenaars en dat was heel belangrijk op het HISK.


Daarna ben je naar Amerika getrokken…

Brouckaert: Ik deed in 2002 een werkverblijf in het Vermont Studio Center, in het Noorden van de VS. Vanaf toen ben ik blijven teruggaan voor werkverblijven in Virginia, Chicago en New York. Ik heb zelfs nog een masters-opleiding gevolgd aan een universiteit in California, UC, Davis. Ik had het nodig weg van Vlaanderen te zijn en het inspireerde me om in een internationale omgeving te vertoeven.


Heeft Amerika ook je beeldhouwkunst beïnvloed?

Brouckaert: Ik heb twee jaar in California gewoond. Het landschap is er ontzettend divers en kleurrijk, een heel intense omgeving als je van het volgebouwde Vlaanderen komt. Dat heeft zeker m’n werk beïnvloed. Ik heb ginder gewerkt met keramiek en kleur, iets wat ik daarvoor nooit gedaan had. Mijn werk werd er lichter en veel speelser.

De mentale vrijheid die ik er voelde was op dat moment van onschatbare waarde. In California voel je het gewicht van de geschiedenis niet zoals in Vlaanderen en Europa. De maatschappelijke structuur zit hier veel vaster. Het is misschien een cliché, maar je hebt daar het gevoel dat veel meer mogelijk is. De andere kant van de medaille is de cultuur van ‘whateverness’ in California, wat me op een bepaald moment ook begon tegen te steken. In NYC heb je dat veel minder.

Maar ik ben er eigenlijk weggegaan van ruimtelijk werk, in 2005 ben ik daar afgestudeerd en in dat laatste jaar heb ik me volledig geconcentreerd op tekenen.


Hoe kwam dat zo plots? Voelde je dat in je vingers of…?

Brouckaert: Keramiek gaat over vorm maar ook over de oppervlakte: glazuur, kleur, textuur, glanzend versus mat… eigenlijk iets waar ik nooit mee bezig geweest was. En ineens dacht ik na over al die mogelijkheden in mijn sculpturen; daardoor ging ik ook meer tekenen en schilderen.

Een tweede aspect was dat ik een afkeer kreeg van de afvalberg die ik creëerde. Keramiek bak je voor de eeuwigheid, je maakt een versteend object. En er was in mijn atelier uiteindelijk maar een klein percentage dat ik goed vond, dus het merendeel vulde afvalcontainers. Een hels karwei.

Het reizen tussen continenten maakt me ook minder aanhankelijk aan materiële dingen, het vele reizen heeft een soort hygiënische werking. Tekenen is in die zin veel conceptueler, je kan je ideeën op minder materiaal kwijt.


Je bent van plan je definitief in New York te gaan vestigen. Toch ben je ook verbonden aan de galerie Jan Dhaese waar je nu een solo expo hebt. Hoe ben je daar terechtgekomen?

Brouckaert: Ik volgde de galerie al een tijdje en vond dat hij interessante kunstenaars toonde. Een anderhalf jaar geleden heeft hij mijn werk leren kennen via mijn website, en het klikte onmiddellijk.


Wat waren je criteria om met een galerie te werken?

Brouckaert: Ik heb altijd met een galerie in Asse gewerkt, waar ik ook tevreden was, maar ik wou met een jongere galerie werken. Jan Dhaese heeft een grote verscheidenheid aan kunstenaars in zijn stal, dat spreekt me hier aan. Hij laat zich niet leiden door kortstondige modes in de kunstwereld en volgt zijn eigen weg.


We zien hier enkel zwart/wit werk. Is dat bewust of eerder onbewust?

Brouckaert: Ik wou een tentoonstelling maken die een heel duidelijk totaalbeeld geeft. In zwart/wit komt het idee achter het werk sterker naar voren. Kleur heeft op dit moment geen enkele betekenis in mijn werk, het zou enkel afleiden.


Als iemand op je huidige expo in de galerie Jan Dhaese zou zeggen dat jouw tekeningen er op het eerste zicht als gekribbel uitzien, zou je dan zin hebben die persoon een pak slaag te geven of zou je die uitspraak verstaan?

Brouckaert: Mijn werk ziet eruit alsof het heel snel met veel geste gemaakt is. Maar dat is het totààl niet. Mijn tekeningen bevatten heel veel lagen, het is heel gecontroleerd en traag werk en vaak resulteert het in een abstract beeld. Die tegenstelling vind ik heel interessant. Trouwens, wie goed kijkt, ziet en voelt die gelaagdheid en de traagheid in mijn werk.


Uw tekeningen zijn een soort monotypes, lijken op etsen en zijn eerder illustratief. Op het eerste zicht deden ze mij denken aan Jackson Pollock, Cy Twombly en zelfs aan de etsen van James Ensor. Zijn dat inspiratiebronnen geweest of sla ik er met mijn pet naar?

Brouckaert: Ik ben natuurlijk grote fan die kunstenaars, maar we werken helemaal anders. Ik vertrek van heel banaal, alomtegenwoordig bestaand beeldmateriaal uit tijdschriften en reclame, en de kunstenaars die je vernoemt net niet. Die verschillende referenties vind ik wel heel interessant. Ik maak mijn werk en dan is er de vrijheid van de toeschouwer om dat werk in te vullen met zijn of haar achtergrond.




Die gelaagdheden getuigen van echt intensieve arbeid. Haal je daar zoveel voldoening uit?

Brouckaert: Als ik een tijdje niet werk voel ik me deprie en gefrustreerd, het is een soort van meditatieve handeling, het heeft een soort zuiverend effect op mij.


Is het dan iets dat je letterlijk van je moet afschudden, af-tekenen?

Brouckaert: Dat is het niet echt, creëren geeft me gewoon veel energie en brengt me als mens op orde of zoiets. Op het moment zelf kom ik in een bepaalde ‘mindset’ terecht, waarin je loskomt van die dagdagelijkse beslommeringen.


Ben je dan tijdens je eindeloos tekenen al bezig met het eindresultaat?

Brouckaert: Ik weet inderdaad vaak niet waar ik uitkom, door het carbonpapier zie ik niet altijd wat ik doe, toeval is dus een belangrijk element in mijn werkproces.

Ik werk lang aan een werk. Het is een monnikenwerk, maar ik blijf doordoen omdat ik een beeld voor ogen heb van wat het resultaat zal zijn. Ik wil dan per se dat eindresultaat zien.





Is dat dan geen autistische karwei? Denk je dan soms niet: zou ik niet beter een goed boek lezen?

Brouckaert: Waarschijnlijk zou ik dat beter doen! Maar na een periode dat ik met strikte regels heb gewerkt, bijvoorbeeld zoals in de serie ‘Abstracts’, werk ik vaak weer intuïtiever en vrijer.


Kan je als je onrustig of verdrietig bent er alles in kwijt? Of ben je omgekeerd soms zo onrustig dat je niet kan werken?

Brouckaert: Het is denk ik een naïef idee dat kunst een directe expressie van individuele emotionele ervaringen zou zijn. Je mag je niet door je emoties laten leiden als kunstenaar, want uiteindelijk is dit ook werk. Mijn werk nu is minder intuïtief dan vroeger, in die zin is het ook minder beïnvloed door emotionele schommelingen.


Jij noemt kunst maken je ‘werk’?

Brouckaert: Zeker, het is fysiek en mentaal werk. Pas als ik doorzet kan er iets ontstaan en het zijn de momenten die lastig zijn die maken dat er iets interessants gebeurt. Gewoon voortdoen, ook als het niet gaat.


Wil je dat de kijker het resultaat van dat harde werken apprecieert?

Brouckaert: Ik wil natuurlijk dat de kijker dat resultaat apprecieert, maar ook dat hij of zij zich vragen begint te stellen over wat het eigenlijk is en wat het kan betekenen.


Je hebt hier ook behangpapier van je eigen werk gehangen? Waarom?

Brouckaert: Ik heb de tentoonstelling als totaal installatie opgevat met verschillende elementen die naar elkaar refereren. Op die manier wil ik een ruimtelijke ervaring creëren die de grenzen van het tekenblad doorbreken. Het behangpapier is een tekening die ik digitaal in het negatief heb gezet waardoor de getekende sporen van ‘The New Yorker’ magazine een fossielachtig effect krijgen. Een soort fossielen van de massamedia. Ik denk ook vaak aan archeologie als ik teken, lagen van een bepaalde tijd en plaats. Het feit dat alles weer perfect vlak wordt bij een digitale print vind ik ook interessant. Het keert op die manier terug naar de taal van het bronmateriaal zelf. In tegenstelling tot de tekeningen op papier waar er diepte en ruimte is door de vele lagen materiaal over elkaar.


Op het raam heb je ook ‘kribbels’ gehangen in raamvinyl, die ook in deze installatie thuishoren.

Brouckaert: Raamvinyl is een materiaal dat specifiek voor reclame wordt gebruikt. Ik vertrek van reclamebeelden, vervorm ze volledig op een heel ambachtelijke wijze en laat ze dan terug uitvoeren in een heel koel onpersoonlijk medium van de reclame. Maar de boodschap en de taal van de oorspronkelijke beelden is volledig getransformeerd. Zo creëer ik terug een afstand door technologie. Ik heet ze ‘Blind Blots’ omdat ze je uitzicht door het raam blokkeren net zoals reclamebeelden ook een stuk realiteit fysiek blokkeren of mentaal transformeren door verlangen of noodzaak te creëren.


Je toont ons hier ook nog een video. Wat heeft dat voor meerwaarde aan je expo? Vind je niet dat we al teveel overspoeld worden door videobeelden?

Brouckaert: Ik ben vooral met tijd en gelaagdheid bezig, met de overgang van iets herkenbaars naar iets complex en totaal abstract, en het was voor mij een logische stap om die lagen uit elkaar te halen en die over tijd te laten zien, als het ware mijn tekeningen terug te ontrafelen.


We hebben nog maar kort aangekaart waarop je ons attent wil maken? Wat is de filosofie achter je werk?

Brouckaert: We zien duizenden reclamebeelden elke dag van ons leven. We worden met geen enkel ander soort beeld zo frequent geconfronteerd. In geen enkel andere maatschappij in de geschiedenis was er zo’n concentratie aan beelden, zo’n densiteit aan visuele boodschappen. Je kan ze wel negeren, maar ze beïnvloeden je toch constant. Die beelden dringen zich aan mij op en ik gebruik ze als vocabulaire om mijn werk mee op te bouwen. Ik wil de mensen attent maken op het feit dat we ze zo gewoon zijn geworden dat we ons hun impact niet meer realiseren. Andy Warhol heeft dat visionair voorspelt natuurlijk. Als je een beeld massaal herhaalt, hoe zwaar beladen ook zoals bvb de elektrocutie stoel, dan wordt dat leeg, behangpapier.

Ik maak een soort ‘x-ray’ van reclame tijdschriften door alle afbeeldingen van figuren van de eerste tot de laatste pagina door te tekenen. Op die manier comprimeer ik tijdschriften, bal ik ze samen en maak ik ze compact. Daardoor worden ze natuurlijk onleesbaar en abstract. Het is die contradictie die me interesseert: om een abstract, complex beeld te maken met super banale en illustratieve elementen.


Het vluchtige zet jij als het ware om naar het trage?

Brouckaert: De beelden van de massamedia moeten constant vernieuwd en geüpdate worden, ze belanden dan ook ontzettend vlug in de afvalberg. Ik maak met die massaal verspreide beelden op een laag technologische trage manier een tekening die weer uniek is. Maar met het behangpapier en het raamvinyl keer ik een stap terug naar de technologie en creëer ik weer afstand. Ik vind die wisselwerking boeiend.


Heeft een kunstwerk een functie?

Brouckaert: Het heeft niet de functie dat het iets moet verkopen zoals de reclame dat heeft, maar wel dat het mensen aan het denken kan zetten.


Moeten jouw beelden schoonheid uitdrukken?

Brouckaert: Ik wil op verschillende niveaus werken, esthetische aantrekking is zeker belangrijk maar mijn werk moet zowel conceptueel als visueel sterk zijn. Ik hoop dat de toeschouwer een reële visuele ervaring heeft maar ook dat hij of zij reflecteert over wat ze kunnen betekenen.


Vind je het belangrijk voor de toeschouwer dat ze je verhaal kennen achter je werk? Leg je altijd een begeleidende tekst bij je expo?

Brouckaert: Ik vind dat wel belangrijk, maar niet noodzakelijk. Als je genoeg tijd spendeert met het werk kan je dat allemaal zelf achterhalen. Trouwens, dat moet groeien. Mensen die binnenkomen moeten op een bepaalde manier aangetrokken worden om tijd te spenderen met het werk, des te meer zullen ze het werk begrijpen op verschillende niveaus.


Liefde op het eerste zicht bij een kunstwerk, daar geloof je niet in?

Brouckaert: Jazeker. Maar vaak moet je verschillende tentoonstellingen van een kunstenaar zien voordat je het werk een beetje begint te begrijpen, en dat is heel waardevol vind ik.


Voel je je minder zonder beeldende taal? Als iemand je werk afbreekt, voel je dat dan ook aan als een persoonlijke afwijzing?

Brouckaert: Dat voelt zeker persoonlijk aan, al moeten mijn vrienden daarom mijn werk niet goed vinden… hoewel, mijn vriend wel, die moet echt 150% achter mijn werk staan (lacht).


Je verhuist naar Amerika. Denk je dat jouw beeldtaal universeel is, dat het daar even goed zal verstaan worden als hier?

Brouckaert: In de VS is er veel minder overheidssteun en een reële druk om geld te verdienen met kunst en daarom zie je daar minder experimentele kunst. De VS is niet zo verschillend van Europa in die zin dat de massamedia er een even grote of grotere rol spelen. Maar uiteindelijk hoop ik dat mijn werk universeel is en dat je het op verschillende niveaus kan ervaren.


Welke vrouwelijke kunstenaar in de kunstgeschiedenis was je graag geweest?

Brouckaert: Ik zou het ook niet onmiddellijk weten maar ik respecteer Agnes Martin enorm, een Amerikaanse minimalistische kunstenares die heel persoonlijk en gevoelig werk maakte. Ze was wel een soort kluizenaar die in New Mexico leefde en de laatste 50 jaar van haar leven geen krant meer las. Zo kan en wil ik zeker zelf niet leven maar ik heb er wel veel respect voor. Ze had zo weinig nodig in haar werk maar het is bijzonder intens. Schitterend werk!


Jij bent een fan van Louise Bourgeois en blijft geloven in de kracht van artistieke arbeid tot de laatste snik. Is dat geloven in die arbeid of in jezelf of in de kunst? Of in het leven zelf?

Brouckaert: Als dat allemaal lukt, kan het leven niet mooier zijn hé!


Laten we het gesprek met deze mooie woorden beëindigen…


Hilde Van Canneyt, Gent, dinsdag 13 januari 2009.


‘Mass Storage / 01-09’ Hedwig Brouckaert stelt nog tot 22 febr. ‘O9 tentoon

in de galerie Jan Dhaese, Ajuinlei 15B, 9000 Gent.


Info: www.hedwigbrouckaert.com en www.jandhaese.be

interview met adriaan verwéé

De uitgewerkte installaties van Adriaan Verwée (°75) laten ons nooit onberoerd achter. Daarnaast is hij nog een begenadigd klarinetspeler in de Va Fan Fahre, maar dat is ‘stuff’ voor een ander interview. Wederom door de kou word ik door de kunstenaar uit zijn atelier gemeden en krijg ik bij hem thuis een heerlijke spaghetti voorgeschoteld in het gezelschap van zijn vriendin en schattige dochter. Terwijl ik de pot winegums plunder, vertelt Adriaan zijn wel en wee als kunstenaar.


Hilde Van Canneyt : Hoi Adriaan, we kennen je zowel als beeldend kunstenaar en als jazzmuzikant. Je hebt dan ook beeldhouwkunst gestudeerd en even op het conservatonium vertoefd. Hoe zijn die twee kunstkriebels met elkaar verweven?

Adriaan Verwée: Ik etaleer eigenlijk nooit dat ik de twee combineer. Het is heel organisch gegroeid. Die twee kunstvormen zijn gewoon een andere manier van expressie. Muziek is veel directer dan sculpturen maken, ook ontspannender.


Eén kunstvorm zou dus iets te eenzijdig zijn?

Verwée: Nee, het zou alleen makkelijker zijn. Het is een keuze die me al jaren achtervolgt. Je mag ook geen keuzes forceren, soms wou ik dat ik me kon opsplitsen. Mensen verwachten ook blijkbaar dat je voor één ding kiest en als ik moet kiezen, kies ik voor mijn sculpturen. Maar dan zou ik wel iets missen.


Ben je van thuis uit beïnvloed voor het ene of voor het andere?

Verwée: Mijn vader was muzikant, dus muziek was een evidentie. Maar ik ben opgegroeid aan het Citadelpark, het was letterlijk mijn speeltuin en ik wandelde als kind veel door het Museum voor Schone Kunsten. Zo herinner ik mij nog De Zeppelin van Panamarenko in de floraliënhal die daar in ’82 voor het eerst werd geëxposeerd.


In 2005 toonde je ons de installatie 'The final speech' in kunstencentrum Croxhapox, gebasseerd op de film 'The great dictator' van Charlie Chaplin. Hoe ben je tot die installatie gekomen?

Verwée: Met de final speech wou ik aansnijden hoe geschiedenis een onbestendig gegeven is. Iets dat met zijn tijd mee verandert. Het uitgangspunt van de installatie waren een aantal woorden die Chaplin neerpende in een notitieboek als voorbereiding van de speech in de film the great dictator. De woorden -Reason, beauty, kindness, happiness, adventure en freedom- werden als een video animatie afgespeeld op een podium.

De toeschouwer kon deze hanteren om diens eigen speech te maken. Aan die installatie was ook een bar verbonden om de spreker in de juiste stemming te brengen. Boven de bar speelde een video animatie ‘The Set’ die is gebaseerd op origineel 8mm 'footage' van de ghetto. Ik reproduceerde net dezelfde shot maar verwijderde alle acteurs, enkel de camera en enkele 'props' bleven achter. De set was leeg.


Waarom vond je dat leeg decor zo belangrijk?

Verwée: Misschien door de link met de geschiedenis. Als je de mensen uit de geschiedenis neemt, zie je ook alleen nog maar de objecten.


Heeft dat ook te maken met de setting van het echte leven? Dat die ook niet altijd klopt?

Verwéé: Misschien. Decor en settings zijn inderdaad een terugkerend thema in mijn werk. Mijn installaties zie ik als een sculptuur waarin ik de toeschouwers wil doen wandelen.


Heb je deze installatie The final speech gemaakt om de mensen te doen nadenken?

Verwée: Ja en nee. Mensen mogen nadenken en het is ook tof als ze dat doen.


Laten we je installatie van 2007 bespreken waarvan ik helemaal onder de indruk was: Black helicopter, mutilated cows and the counsel on foreign relations. Deze installatie gaat ook over de kracht van de mythe. In 2006 had je in de US allemaal kadavers van koeien waarvan gedacht werd dat die veroorzaakt werden door zwarte helicopters. Hoe ben je daartoe gekomen?

Verwée: Ik had gehoord dat het originele beeldmateriaal van de maanlanding verdwenen was. Ik vond dat raar, want dat is toch één van de belangrijkste momenten van de 20e eeuw. Dit gegeven is me bijgebleven en zo ben ik door te zoeken op het internet terechtgekomen bij heel wat ‘conspiracy’-theorieën. Daar ben ik op blijven doorgraven en zo kwam ik bij die 'black helicopters' terecht, die uiteindelijk ook hun eigen beelden genereren. Deze installatie is eigenlijk mijn minst verwerkte werk.


Hoe begin je aan zo’n totaalinstallatie?

Verwéé: Meestal begin ik met schetsen en notities die dan voorstudies zijn voor mijn sculpturen.


Je bent dan toch erg bezig met het esthetische. Als ik binnenkwam in Croxhapox en je installatie zag, had ik echt een ‘waw’-gevoel, dat blauw was gewoon prachtig!

Verwée: Misschien esthetiek als verleiding? Maar ja, mijn werken mogen wel ‘af’ zijn, het is geen zuiver conceptueel werk. Ik denk ook dat zo’n installatie op verschillende niveaus kan werken voor de toeschouwer. Die blauwe vlag waar je naar vroeg diende als een soort 'backdrop' voor de tentoonstelling. Ze snijdt ook de kern van de thematiek aan en verbindt de verschillende complottheorieën met elkaar. We zien de Amerikaanse vlag geschilderd in de pantone kleur van de VN. Het reflecteert op een uitzinnige gedachte dat leeft bij mensen die denken dat de Verenigde Naties een samenzwering beramen om de Amerikaanse Staat omver te werpen. De teksten van Myron Feagon (die als een aftiteling te lezen waren op een flatscreen in de ruimte) sluiten daar nauw bij aan en lijken soms een blauwdruk voor latere complottheorieën. Verder waren er in de installatie vier maquettes te zien, drie met gemutileerde koeien en één zwarte helikopter op monumentaal aandoende sokkels. Een sculptuur van een kindsoldaat moest de irreële sfeer van dreiging benadrukken.


Jouw vorige installatie in OneTwenty 'It was in the news today' was ook heel esthetisch. De video speelde zich af in een perfect gestileerde bar.

Verwéé: Ik wou het gevoel oproepen van mensen die voor of na hun werk nog iets gaan drinken in een bar en vlug nog het nieuws meepikken op een tv scherm.


We zien op die video een nieuwsstudio die spontaan in brand vliegt. Ik las dat je op dit idee kwam doordat nieuws op den duur meer te maken heeft met decor, belichting en muziekjes dan dat het over inhoud gaat. Je alludeert ook op het idee dat een nieuwsstudio gezien wordt als de veiligste plek op aarde.

Verwée: Nieuws is een ritueel, bijna een religieus gegeven. Het heeft zijn eigen codes, beeldtaal en verloop. Het nieuws als aperitief voor het avondmaal. Op een ander niveau heb je de speculatieve vraag of je wel zekerheid hebt dat nieuwsinformatie echt correct is. Sommige beelden kunnen ook ‘staged’ zijn. De aanleiding om dit werk te maken was een was een news-item van een antie-Irak-betoging in de VS, dat uiteindelijk een fake opname bleek. De nieuwsstudio die ik doe opbranden is meer een soort heidens ritueel, een zuivering.


Hoe begin je aan zo’n installatie? Hoe kies je je materialen?

Verwéé: Voor de nieuwsstudio maakte ik een maquette van 1,5 op 2,5 meter die we met een paar liter aceton hebben doen ontbranden. Dit alles werd ‘live’ gefilmd met vier camera’s. De volgende stap was die bar ontwerpen en bouwen, wat pas na de derde keer lukte en goed zat voor mij.


Je bent zo perfectionistisch?

Verwée: De helft van de dingen die ik maak belanden sowieso in de vuilbak.


Die handenarbeid vind je dan geen tijdverlies? Dit beschouw je gewoon als je weg naar het doel toe?

Verwéé: Handenarbeid heeft ook iets rustgevend, is plezant en is het moment waarop je nadenkt waarmee je bezig bent.


Op je huidige expo 'Trigger' in de OneTwenty toon je ons twee kleinere sculpturen. We zien als eerste sculptuur een elektriciteitsmast op een soort vuilnisbelt. Het straalt iets futuristisch-technologisch uit met een donker kantje.

Verwéé: Ik ben van plan meer sculpturen te maken die een eigen logica hebben en autonoom werken. Deze sculptuur stelt een hoogspanningsmast voor die zichzelf belicht. Het idee dat ik er mij bij voorstel is dat één seconde een oneindigheid zou kunnen duren. Ik heb ook de noodzaak beelden te maken die losgekoppeld zijn van de thema’s waarrond ik werk. Die beelden starten en beginnen hun eigen leven te leiden tot die in hun materie daar staan.


De tweede sculptuur die we hier zien is een soort anonieme zwarte industriële constructie waarin er drie stills getoond worden.

Verwée: Het zijn geen stills maar korte stukken film die komen uit een hollywoodproductie: 'Conspiracy theory'. Het idee heb ik van Michael Haneke (een Duitse filmregisseur bekend van o.a. 'Funny Games', red) die eens in een essay geschreven heeft dat hollywoodfilms dienen als consumptie en niet als reflectie. Hier wou ik dus ook die film van twee uur reduceren tot drie minuten, waar ik dan ook de essentie uit die film wil laten zien.


Je twee sculpturen op deze expo zijn niet getiteld, maar we krijgen wel een tekst met uitleg erbij. Vind je dat belangrijk of vind je dat je werk voor zichzelf moet spreken?

Verwéé: Ikzelf ben niet iemand die rondloopt met de begeleidende tekst in de hand als ik een expo bezoek, maar ik vind wel dat het goed is dat die er is voor geïnteresseerden, het is uiteindelijk een kunstvorm op zich. Ik ben mij bewust dat de toeschouwer daar behoefte kan aan hebben, al hebben ze die noodzaak niet als ze naar de Mona Lisa gaan kijken. Omdat ze dat beeld dénken te kennen.


Maar de Mona Lisa maakt dan ook emoties los, terwijl deze twee sculpturen eerder koel zijn.

Verwée: Dat ligt aan de toeschouwer. Trouwens ik wil van de toeschouwer niet zoveel, ik ben geen missionaris. Ik kan niet verwachten dat die iets goed vindt of mijn werk begrijpt. Iemand zag in mijn hoogspanningsmast een inktvis. Ik vind het fantastisch als de kijker zijn eigen beelden, geschiedenis en gevoelens aan mijn werk kan linken.


Maar als wij niet iets uit je werk kunnen opmaken, wat dan? Want die sculptuur met die hoogspanningsmast zou je evengoed op zijn kop kunnen geplaatst hebben toch? Dan was het toch jouw zelfde verhaal, maar gewoon compositorisch een ander beeld?

Verwéé: Dat vind ik nu wel echt eens een goed idee! (lacht) Maar Hilde, je zoekt een antwoord dat er niet echt is.


Vind je het belangrijk dat je installaties de kijker attent maken op politieke of sociale problemen? Wil je iets blootleggen? Want niet zelden link je je werk met geschiedenis. Wil je de mensen doen nadenken? Want het zijn niet enkel mooie plaatjes die je maakt.

Verwéé: Ja, inderdaad, maar ik wil ze attent maken op een dubbele ironische manier. Mijn werken zijn politiek geladen, maar tonen meer een fictie van de geladenheid, als een soort niemandsland van goede bedoelingen en ideeën.


Vind je dat de kunstenaar de mensen kan helpen?

Verwée: Nee, de kunstenaar kan geen mensen helpen en dat is ook niet de functie van de kunstenaar, àls een kunstenaar al een functie heeft tenminste. Waarom zijn we kunstenaar? Omdat we de vrijheid willen hebben de dingen te maken die we écht willen maken en dat is dan nog niet 100% waar.


Maak je dan kunst om jezelf te helpen?

Verwéé: Misschien wel, maar nu zijn we wel een heel therapeutisch pad aan het bewandelen. Kunst is voor mij geen therapie maar eerder een spel, zoals je in het engels ‘game and play’ hebt. ‘Play’ is zoals een kind speelt, ‘game’ is een spel met spelregels, als kunstenaar zit je tussen die twee polen en reflecteer je op je omgeving.


Kunst is nooit vrijblijvend?

Verwée: Kunst is nooit vrijblijvend!


Als ik je nu hier zou portretteren in verf, dan is dat toch vrijblijvend?

Verwée: Nee! Want je neemt eerst al heel de traditie van portretschilderen mee, je hebt de interactie tussen model en schilder, dit is allemaal niet vrijblijvend. Trouwens de definitie kunst en niet-kunst is al zo complex.


Een zondagsschilder is geen kunstenaar voor jou?

Verwée: Ik heb een 60-jarige vriend die van zichzelf zegt: ‘ik ben broodschilder’. Hij staat elke ochtend om 6u ’s ochtends op om tot 12u te schilderen, slaapt wat en gaat dan op café. Dat is voor mij een kunstenaar. Natuurlijk.


Voel je je dan kunstenaar? Is dat iets dat je bént?

Verwée: Ik denk dat je kunstenaar bent als je iets produceert (wat ook conceptueel kan zijn), of je nu tentoonstelt of niet. Je kan misschien in een grot in Griekenland heel je leven virtuoos klarinet spelen, dan ben je misschien ook kunstenaar, maar niemand zal het gehoord hebben.


Vindt je het als kunstenaar belangrijk feed-back te krijgen van de kijker?

Verwée: Ik vind het zelf wel noodzakelijk mijn werken te tonen.


Cultiveer jij het kunstenaarsschap?

Verwée: Niet echt. Ik heb het begrip kunstenaarsschap niet uitgevonden. Uiteindelijk is het hedendaags kunstgebeuren een marginaal gegeven in de maatschappij. Amper 3% die in die sector iets doet.


Wat vind je van de plaats van de kunstenaar in ons huidig tijdsgewricht?

Verwéé: Een kunstenaar heeft altijd bestaan en zal altijd blijven bestaan, onder gelijk welk régime. Er zal altijd noodzaak zijn naar beelden maken, gematerialiseerde gedachten. Zelfs in kerkers zitten mensen te tekenen. Trouwens iedereen neemt op de een of andere manier een plaats in ons tijdsgewricht. Denk ik…


Is je atelier de plaats waar je het liefste bent?

Verwée: Nee, ik zit liever in Bobbejaanland eigenlijk. (lacht)


Vind je het uitdenken het leukste?

Verwée: Nee, het gevoel dat iets af is, is eigenlijk het leukst. Maar spijtig genoeg zie je altijd nog iets dat beter moet. Misschien dat je toch altijd op zoek gaat naar een finaal beeld, maar dan weet je dat er toch nog zoveel andere beelden op je zitten te wachten die je wilt maken.


Maar als je ultieme beeld zal gerealiseerd zijn, ga je misschien geen zin meer hebben om kunst te maken?

Verwéé: De motor van de motivatie is juist dat kleine gevoel van ontevredenheid waardoor je zin hebt verder nieuwe dingen te ontwikkelen. Het is altijd een spel van bedenken en uitvoeren.


Zelfs al zou je geen succes hebben, zie je je dat dan heel je leven doen, kunst maken?

Verwée: Als ik zeven jaar was, was ik gefascineerd door palmbomen schilderen, honderden heb ik er gemaakt, dus ja… Maar ik realiseerde mij pas nadat ik op de academie afstudeerde dat je als kunstenaar echt die vrijheid hebt dingen te bedenken en te maken die je in geen enkel ander systeem zou kunnen doen.


Is vrijheid dan het kernwoord?

Verwée: ‘Freedom’ is een zeer mooi ambigue woord dat totaal uit zijn context gehaald is ,maar wel de kern in zich draagt. Er komen ook hard werken en teleurstelling bij te pas naast de kleine overwinningen. Twee stappen vooruit en één stap achteruit.


Het is die fantasiewereld die je wilt blijven creëren?

Verwée: Ja en nee. Ik voel me nauw verbonden met het idee van de werkelijkheid, hoe beschouw je die? Ik maak geen rare kleine wezentjes die iets kunnen doen wat andere mensen niet kunnen doen. Zo zit ik niet in elkaar. Er is altijd een tentakel naar wat er echt in de wereld gebeurt.


Wat was het eerste kunstwerk van iemand anders die je echt warm deed voelen?

Verwée: De videointstallatie 'Electric Earth' van de Amerikaanse kunstenaar Doug Aitken die ik op de Biennale van Venetie in ’96 had gezien. Maar het allereerste was misschien het schilderij 'Jezus in de woestijn' van Van De Woestijne ((Christus in de woestijn uit 1939 van Gustave Van De Woestijne hangt in het Gentse Museum voor Schone Kunsten, red) dat ik als kind meerdere keren heb bekeken.


Wil je dat je werk herinnerd wordt als tijdloos of vind je dat kunst een momentopname is?

Verwée: Had Goya op het einde van zijn leven zijn zwarte periode niet doorgemaakt, hadden we hem ook maar gekend als hofschilder of hadden wij hem waarschijnlijk zelfs helemaal niet gekend. Dus op deze vraag valt niet te antwoorden, want dat kan je niet onder controle hebben.


Heeft de komst van je dochter je kunst veranderd?

Verwée: Het heeft me als persoon veel veranderd en wie weet verandert mijn kunst daarom ook wel mee. Maar het is zoals met de economische crisis, dat merk je ook pas een poos later…


Voor wat heb je absoluut geen talent?

Verwée: Acteren en interviews…


Dat valt heel goed mee Adriaan!


Hilde Van Canneyt, Gent, zat 10 jan ’09.


Adriaan Verwéé stelt nog tot 1 feb '09 tentoon in de groepstentoonstelling 'Trigger' samensgesteld door Sofie Van Loo in galerie Tatjana Pieters/OneTwenty, Burggravenlaan 40, 9000 Gent.

Op 30 jan vanaf 20u is het finissage met een lezing door de curator.

Meer info: www.onetwenty.be








interview met hannes vanseveren







Alles voor de kunst. Op een ijskoude zondagmorgen fietst ondertekende veertig minuten om het atelier van Hannes Van Severen in Evergem te vinden. Daar aangekomen heeft zijn atelier zowat dezelfde temperatuur als de buitenlucht, dus Hannes is zo vriendelijk me in zijn woonkamer te ontvangen. Ik geef mijn ogen de kost aan al het moois dat er staat en hangt. Het kunstenaarskoppel Hannes Vanseveren - Fien Muller heeft duidelijk smaak.

Hilde Van Canneyt: Hoi Hannes, hoe zou je in het kort je kunstobjecten schetsen?

Hannes Vanseveren: ik vind het nogal moeilijk om in 1-2-3 uit te leggen waar ik mee bezig ben, maar kort gezegd: ik vervorm herkenbare beelden en objecten naar mijn eigen fantasie. Ik probeer de veranderingen die ik aan het bestaande aanbreng zo harmonieus mogelijk te laten samengaan met het bestaande zelf, dat wil zeggen: het moet lijken alsof de verandering op een natuurlijke manier samengaat met dat bestaande object. Alsof het veranderde object ook tot iets zou kunnen dienen. De interactie van mijn kunstobjecten met andere objecten in het interieur vind ik ook interessant, het staat tussen en op de plaats van het meubilair, het ‘is’ meubulair.

Hoe ben je tot die vormentaal gekomen? Was je in je opleiding beeldhouwkunst al met een gelijkaardige kunsttaal in de weer?

Vanseveren: Ik werkte in mijn opleiding al heel gelijkaardig, Alleen verschilt de vorm nu enorm van wat ik daar deed. Maar het principe is hetzelfde. Voor mij heeft het werk van vroeger en nu alles met elkaar te maken. In Sint-Lucas maakte ik absurde installaties. Ook in die installaties gebruikte ik herkenbare objecten die ik combineerde met mijn eigen fantasie. Ik maakte lange siliconen worsten die ik in chauffageklemmen hing als was het dat die klemmen gemaakt waren voor die silicone vormen. Ik gaf dus al een andere functie aan een object, al waren de objecten toen iets kleiner. De klemmen waren dus de dragers van mijn fantasie. Maar compositie en proporties zijn minstens even belangrijk. Of het nu om chaufageklemmen, kasten, bankjes of lavabo’s gaat, ik verbind ze met iets dat ik denk dat er mee samen zou kunnen gaan. Daarmee maak ik dan installaties die ruimtes vullen waarin ook de compositie heel erg belangrijk is. Ik wil een soort absurd landschap maken met absurde objecten, waarbij het object op zich heel sterk is, maar de hele compositie ook.

Ik hou er enorm van dingen te combineren die niets met elkaar te maken hebben. Daar heb ik altijd mee gespeeld. Mensen vinden het normaal een kast in zijn normale vorm te zien, maar weten zich geen raad meer als je er een kleine ingreep op doet. Kinderen zien de dingen nog op een andere manier, maar wij leren ze de dingen zien zoals wij ze zien. Ik vind het belangrijk de herkenning te doorbreken en de werkelijkheid in vraag te stellen. Het gaat me ook over een compositie maken in de ruimte, de horizontalen en vertikalen moeten in balans zijn. Ik vind het plezant te vertrekken van een leeg blad, daarop te tekenen en daar dan objecten aan toe te voegen. Op dezelfde manier vertrek ik ook van die lege ruimte.

Laten we een voorbeeld aankaarten: je lavabo.

Vanseveren: Ik stel graag de dingen in vraag die voor normaal gezien worden. Daarvoor gebruik ik altijd het meest herkenbare object. Ik bedoel daarmee dat als ik een lavabo gebruik, het geen moderne lavabo mag zijn, maar één die iedereen onmiddelijk als lavabo ziet. Een lavabo wordt meteen herkend en iedereen weet waarvoor hij dient, maar als je er een vorm mee verbind die je niet kan linken met de lavabo, maar er door zijn materie sterk op lijkt, lijkt het alsof die twee toch op een natuurlijke manier samengaan. De vorm van de fantasie komt volledig uit ‘den buik’.

Een goed kunstwerk bekijk ik ook met mijn gevoelsoog. Het maakt hoe dan ook een enorme wereld in mij los, zelfs zonder dat ik hoef te weten waar het over gaat. Kijken naar kunst is heel subjectief, kunst maken ook. Zoals je ook bij muziek hebt dat iedereen bij songteksten zijn eigen drama of verhaal maakt. Mensen hebben teveel nood aan betekeniskennis van alles. Bij goede muziek vraag je toch ook niet wat de bedoeling ervan is? Ik weet wat voor mij de bedoeling is als ik naar een werk kijk of muziek beluister. Het is iemand zijn fantasie die ik in mijn eigen fantasie vertaal. En zo wil ik ook dat anderen naar mijn werk kijken.

Had je al als kind die artistieke impulsen? Had je toen al teken- of boetseerkriebels?

Vanseveren: Ik ben de vierdegeneratiekunstenaar en dat heeft natuurlijk een grote invloed op me gehad. Ik was zoals een normaal kind dat soms tekende. Pas op mijn achttiende ben ik uiteindelijk echt een mening gaan vormen over kunst.

Draag je dat nog altijd met je mee dat je opgegroeid bent in dat artistiek milieu?

Vanseveren: Ik kan dat natuurlijk niet loskoppelen, maar ik maak heel ander werk dan mijn vader Maarten Vanseveren of mijn grootvader Dan Vanseveren. Toch denk ik dat er een zelfde soort eenvoud in zit. Ik mag zelfs zeggen dat mijn werken een soort minimalistisch beelden zijn, een soort controleerbare chaos met gesloten en strakke vormen.

Heb je nooit iets anders willen doen dan in de voetsporen van de beeldende kunst te stappen? Want je hebt tijdens je kind- en jeugdjaren niets anders rondom je gezien.

Vanseveren: Ik wist eigenlijk niet goed wat ik later wilde worden. Ik aardde ook niet goed in andere scholen dan kunstscholen en besefte dan dat ik me beter voelde in het milieu van de beeldende kunst. Alsof ik er beter begrepen werd. Maar als ik geen kunst meer zou mogen maken en een goede student zou zijn, zou ik mezelf wel kunnen voorstellen als wetenschapper, fysicus of sterrenkundige. Ook vakken met een mysterie rond. Zelf stel ik me ook constant vragen over vanalles, waar we vandaan komen enzovoorts, maar dat wil ik niet verwerken in mijn kunst. Hoewel ik ook een andere wereld wil creëren met de bestaande dingen in het leven.

Als je aan een werk begint, ga je dan rationeel te werk of eerder intuïtief?

Vanseveren: Bij mijn vervormde kasten ga ik op eBay op zoek naar een geschikte kast. Dan bewerk ik met fotoshop die kast en maak ik er die insnijdingen in tot ik het geschikte beeld vind. Ik ga hier wel heel intuïtief te werk. Als ik het juiste beeld gevonden heb, koop ik die kast en ga er in mijn atelier mee aan de slag. Ik zie zo’n kast als een blok marmer die je uitzoekt en waar je wilt aan beginnen kappen. Ik ben al met zoveel objecten bezig geweest, maar het is toch de kast als object die me blijft bezighouden. De geslotenheid en de verhoudingen vind ik echt boeiend, ze zijn zo menselijk van formaat, je staat er echt tegenover.

Uw vriendin Fien Muller is ook kunstenares (fotografe), beïnvloeden jullie elkaars’ werk?

Vanseveren: Ik vind haar werk heel goed en zij het mijne ook. We maken andere dingen maar toch voel je dat we met hetzelfde bezig zijn. Zoals het samenvoegen van objecten, zoeken naar de juiste compositie,… maar we hebben vooral hetzelfde buikgevoel.

Hebben jullie nog een job naast jullie kunst?

Vanseveren: Nee.

Dat zou je niet afgaan?

Vanseveren: Nee. Wat ik het liefst doe en altijd zou willen doen is in mijn atelier aan het werk zijn en nadenken…

Mis je het sociale contact dan niet in je atelier?

Vanseveren: Ik merk wel dat ik wel meer sociaal contact zou kunnen gebruiken. Je creëert ook zoveel in je atelier en op den duur raak je zo gewend aan die dingen, worden ze zo normaal voor jezelf dat je er geen frisse kijk meer op hebt. Maar langs de andere kant ben ik heel gevoelig voor kritiek, raak ik daardoor van slag, dus is het beter dat er niet te veel mensen langskomen in mijn atelier.

Als je moet tentoonstellen en je zit tegen een deadline aan, ben je dan niet bang voor de reactie van de galerijhouder die je werk voor de eerste keer ziet?

Vanseveren: Ja, natuurlijk! Maar daar wil ik me niets van aantrekken. Als ik een expo in het vooruitzicht heb, laat ik de galerijhouder zelfs liefst geen ontwerp zien, want dan kan ik beïnvloed worden en beginnen twijfelen… Ik wil de dingen maken die ik wil maken en tonen wat ik wil tonen.

Begint je werk maar te leven als het op een tentoonstelling hangt en gezien wordt door ‘het derde oog’?

Vanseveren: Uiteindelijk wel. Je wilt aan de anderen laten zien: ‘zo doe ik het, zo zou ik het doen’. Uiteindelijk maak je kunst voor jezelf, maar ook als reactie op de kunst die al bestaat.

Volg je de hedendaagse beeldende kunst rondom je?

Vanseveren: Heel zeker. Ik bezoek tentoonstellingen en koop geregeld boeken over kunstenaars die me interesseren. Ik lees kunsttijdschriften en kunstkrantjes... maar meestal jagen die laatste mij op.

Ben je blij dat je de naam Vanseveren draagt?

Vanseveren: Het is dubbel. Sommige mensen zeggen: ‘je hebt het makkelijk, je bent ‘de zoon van’’. Maar langs de andere kant is het ook hard omdat je eigen vader en familie concurentie zijn en je bent daar onbewust meer mee bezig dan je aan jezelf wilt toegeven.

Is het een drijfveer zo’n grote naam als je vader te worden?

Vanseveren: Nee, maar ik moet wel zeggen dat het me wel beïnvloed heeft en het me ertoe aanzet hard te werken en iets te betekenen. Hoewel ik ook weer denk dat dit een universeel gevoel is, dat iedereen op zoek is naar succes op welk vlak dan ook. Ik heb ook het gevoel dat ik alleen maar in de beeldende kunst iets kan betekenen, al voel ik ook een zekere schaamte in wat ik doe. Voor de normale werkende mens modderen wij kunstenaars maar wat aan.

Vind je dat kunst voor de man in de straat is?

Vanseveren: Ik wil iedereen zelf zijn beeld laten creëren over mijn werk. De kasten die ik vervorm zijn heel universeel, want iedereen ziet dat ze niet kloppen.

Wat is belangrijker? Het proces of het resultaat?

Vanseveren: Ik werk voor mijn resultaat, maar ik vind het werken in mijn atelier heel plezant. Ik twijfel enorm aan mijn werk en ben beïnvloedbaar voor de reacties van anderen, maar eens ik beslist heb: ‘dit wordt het’, brengt niemand me meer van de wijs. Als technisch alles klopt en ik mijn ontwerpen zie worden hoe ik het wil, dan word ik heel gelukkig en kan ik heel lang kijken naar mijn resultaat.

Zijn er vallen waar jullie als kunstenaar niet in mogen trappen?

Vanseveren: Als kunst te anekdotisch wordt en als te duidelijk wordt wat de kunstenaar wil zeggen. Dan sterft een werk. Het kunstwerk moet je eventjes leiden en dan moet het je los laten om zelf de rest in te vullen. Mensen die me vragen: ‘wat bedoel je er nu mee?’, zijn mensen die kunst willen met een duidelijk verhaal. Ik denk dat ze er zelf niet durven over na te denken. Veel mensen willen dat er te veel voor hen wordt ingevuld en willen zelf niet fantaseren. Ze willen een definitie en kunst is voor mij het tegenovergestelde van een definitie. Anderzijds is te vrijblijvend ook niet goed.

Vind je dat kunst magie is? Kan een kunstwerk iemand veranderen? Kan kunst troost bieden?

Vanseveren: Zeker! Goede kunst geeft mij ongelofelijk veel energie en geeft me ongelofelijk veel zin om zelf werk te gaan maken, om in mezelf te geloven.

Voor jou is er dan ook geen scheidingsmuur tussen het leven en de kunst?

Vanseveren: Nee. Zelfs in dit interview vind ik het ook belangrijk om over van alles te babbelen, niet alleen over beeldende kunst. Want de twijfels of schuldgevoelens die we hebben horen ook bij een kunstenaar of ‘het kunstwerk’. Uw eerste vraag: ‘welke kunst maak je?’, is voor mij hetzelfde als: ‘vertel me eens uw leven’. Buiten mijn gezin heb ik geen leven naast de kunst, ik voel me het gelukkigst als ik met beeldende kunst bezig ben. Als je me daarstraks vroeg of ik een naam wil zijn in de beeldende kunst, zou ik ‘ja’ moeten antwoorden, want daarbuiten voel ik me eigenlijk niets. Het beheerst toch mijn leven. Beeldende kunst is mijn veilige habitat.

Jij zelf houdt wel van het ambachtelijke in de kunst?

Vanseveren: Ja, zeker. Ik hou van degelijkheid, objecten die zwaar zijn. Ik haat ‘lichte’ voorwerpen. Dat heeft ook wel te maken met de omgeving waarin ik ben opgegroeid.

Ik zou eventjes vergeten waarom ik hier bij jou te gast ben. Wat krijgen we te zien in je solo-tentoonstelling in de Hoet Bekaert gallery? (Hannes loodst me terug mee naar zijn atelier)

Vanseveren: Ik ben na lang ontwerpen op de computer, gekomen tot een installatie met stukken kast. Na lang zoeken naar de geschikte vormen en dan het verder uitwerken in mijn atelier, ben ik tot een compositie gekomen waar ik tevreden over ben.

Vind je het belangrijk om onder de vleugels genomen te worden door een galerij?

Vanseveren: Ja! Ikzelf kan niet goed onderhandelen met verzamelaars en ken zelf niks van zakelijke aspecten.

Waaraan heb je een hekel in de kunst?

Vanseveren: Tijdens mijn opleiding kwam videokunst op en wilde plots iedereen videokunst maken, was dat plots ‘hip’. Het deed er niet toe waarom ze video wilden gebruiken, ze wouden gewoon ‘iets doen met video’. Of ‘9/11-kunst’, 9/11 is een kunstwerk op zich geworden, wat moet je daar nu meer over vertellen?

Hilde Van Canneyt, Evergem, zo 4 jan '09

Hannes Vanseveren stelt tentoon in de HOET BEKAERT GALLERY te Gent van 11/01/‘09 tot 08/02/‘09. Opening zondag 11/01/‘09.

www.iets.be