Interview met Marnix Rummens


Marnix Rummens (1982) , Kortrijk, winter 2018/2019

Een extract van Rummens’ woorden werd gepubliceerd in de weekendeditie van de Krant West-Vlaanderen onder de rubriek ‘Het leven van’.





 Marnix werkt als artistiek coördinator voor Buda-eiland in Kortrijk, een creatieve werkplek die samenwerking stimuleert tussen cultuur, onderwijs, ondernemerschap, de sociale sector en actieve burgers. Daarnaast is hij ook freelance dramaturg en curator voor beeldende kunst en podium. Hij woont in Brussel, in de artistieke Dansaertbuurt.
Kunst is zijn paradijselijke thuis en zal voor hem altijd een soort veilige haven blijven waar hij tot rust kan komen. Maar de échte missie van Marnix is cultuurinnovatie. Door mensen samen te brengen en uitwisselingen te genereren, wil hij ontdekken hoe kunst en creativiteit een rol kunnen spelen in verschillende gebieden in de samenleving.

Hilde Van Canneyt:  Hier zitten we dan, in de tuin van het vroegere Broelmuseum.  Je bent afkomstig uit Gent, woont in Brussel, werkte in Antwerpen en nu ben je sinds een jaar kind aan huis op de BUDAsite van Kortrijk.

Marnix Rummens: Mijn moeder is pianiste, mijn vader econoom: ik vind dat een goede mix: het artistieke en het economische. Verbeelding en haalbaarheid. Ik ben opgegroeid in Gent en woon ondertussen al vijf jaar in Brussel. Maar mijn moeder is afkomstig van Kortrijk. Werken in Kortrijk als artistiek coördinator van Buda vzw is voor mij een soort vreemde retour à l’origine.

HVC: Er speelde waarschijnlijk veel klassieke muziek thuis. Bespeelde je zelf ook een instrument?

MR: Omdat mijn moeder in de muziekschool werkte, was dat wel gewenst. (lacht) Ik probeerde alles één of twee jaar: drum, cello, saxofoon, piano. Maar het was niet echt mijn ding.
Op mijn zestiende wist ik dat ik iets met kunst wilde doen. Dan deed ik al aan theater en in het kunsthumaniora volgde ik drama. Op mijn achttiende wist ik dat het niet toneelspelen was dat ik wilde doen. Dat is gewoon eliminatie. Ik wist na een jaar RITC dat het ook geen regie was, en toen ben ik domweg kunstgeschiedenis gaan studeren. Pas na twee jaar ontdekte ik dat er zo iets bestaat als dramaturg, ik kende dat woord niet. Ik had een tekst gelezen van André Lepecki, die fantastische linken kon leggen tussen kunstwerken en maatschappelijke evoluties en hoe die in kunstwerken besproken en be-reflecteerd werden. Ik las die woorden en dacht: ‘Wat doet die kerel? Want dat wil ik doen!’ Onderaan die tekst zag ik dat hij dramaturg was. Vanaf die dag was ik dat ook, al had ik geen idee wat dat was, maar ik heb dat toen besloten. (lacht) Sindsdien ben ik altijd aan de slag geweest als dramaturg en publiekswerker. Enerzijds begeleid ik jonge kunstenaars bij het ontwikkelen van nieuw werk. Anderzijds zoek ik steeds naar manieren om dat werk te linken aan een zo divers mogelijk publiek en contexten: van concentratiescholen tot rusthuizen, van kerken en lege fabriekspanden tot musea en theaters. Van buurtfeesten tot de Biënnale van Venetië.

HVC: Leg me dat even beter uit.

MR: Die link tussen praktijk en maatschappij en alles wat erbij komt kijken: dat is mijn ding. Of je jezelf binnen podiumkunsten dramaturg noemt of publiekswerker in de context van een museum of curator, dat maakt niks uit. Het gaat me om de link tussen creatieve processen, of je ze nu openbreekt of deelt met de maatschappij. Dat wist ik op mijn 21e. Mijn beste maat Benjamin Vandewalle en ik wilden beiden dramaturg worden en Leentje Van Den Berge, die op het KASK studeerde, had iemand nodig. Dat is nadenken over the bigger picture. Je moet denken: ‘Hoe relateert dat werk aan de maatschappij en vice versa? Hoe ga je dat vertalen in tekst en context?’ Zo is dat begonnen.

Die dramaturgie deed ik altijd freelance, maar daarnaast werkte ik ook als publiekswerker in Festival des Arts, M HKA, S.M.A.K. … Dat is allemaal samengekomen in WP Zimmer in 2012 in Antwerpen. Het is een residentieplek voor de podiumkunsten. Kunstenaars komen daar om hun werk te ontwikkelen, net zoals in Buda in Kortrijk. Ik was er artistiek medewerker. 2,5 jaar later ben ik gestart als artistiek coördinator in Workspace Brussels. Hetzelfde als mijn vorige baan, maar nu met eindverantwoordelijkheid.
Daar werkte ik vooral met kunstenaars die de uitwisseling met de samenleving nadrukkelijk opzoeken. Sinds de jaren ’70-’80 is onze kunstscene geboren: de artistieke centra, musea, M HKA, De Monty, Het Kaaitheater, De Vooruit. De Beursschouwburg is ietsje ouder. Dat is een sector die zich is gaan vormen en uiteindelijk ook zwaar heeft ingezet op gebouwen.

We hebben ook wereldwijd het fenomeen gekregen van black box naar white cubes. Het is een kunstenscene die specifiek die contexten catert. Als het Kaaitheater vandaag een voorstelling toont in de grote zaal, moeten zij ervoor zorgen dat die vijfhonderd man kan trekken. Dat moet reeds een avondvullende voorstelling zijn. Dat heeft al een grote invloed op wat er wordt getoond. De ondersteuning van black box en white cube, gebeurt al. Daar zetten de instituten zwaar op in. Met WP Zimmer, Workspace en Buda wilde ik kijken: wat valt daar tussenin?

Dat is eigenlijk een heel ander métier dan werk tonen in een zaal. Kunstenaars ondersteunen om werk te tonen op straat en in contexten die niet artistiek zijn, daar gebeurt er niet zoveel rond. Ik ben daar in Brussel mee begonnen, maar in Workspace Brussels is dat écht mijn corebusiness geworden. Ik had daar een podiumkunstenwerkplaats die basically werkt met theaters, opengewerkt tot een multidisciplinaire werkplaats met architecten, beeldende kunstenaars en muzikanten. Ik ben vooral nieuwe participatieve formats gaan maken en heb die getest in andere contexten.

HVC: En toen kwam je in Kortrijk terecht ...

MR: De stap naar Buda is daar voor mij een verdere verruiming in. Ik kan niet alleen interdisciplinair werken binnen de kunst, maar ik kan hier ook designers, studenten en stedenbouwkundigen in betrekken. De kern is nog altijd dezelfde: ik heb een labo- en kruispuntfunctie: R&D, research and development. Door een kruispunt te creëren met mensen met een verschillende achtergrond, ontstaat er een uitwisseling  die inspirerend is voor iedereen en daardoor kan innovatie optreden. Ik vertrek vanuit de kunst, maar hier in BUDA is het kunst, zorg, onderwijs en ondernemerschap. Actief burgerschap is de vijfde pijler die nooit echt uitgesproken wordt maar voor mij even belangrijk is: de communards en gans de do-it-yourself- en do it together-stroming. Dat zijn de vijf sectoren die we proberen te verenigen, waardoor we hopen dat we een meerwaarde kunnen genereren voor iedereen.




HVC: Hoe moet ik me dat voorstellen? Je zat goed in Brussel in WP Zimmer, zag die vacature voor BUDA Kortrijk en je bent gesprongen? Wat hoop je hier in Kortrijk nog meer te vinden dan wat je in Brussel vond?

MR: Cultuur is niet alleen welke films je ziet of naar welke muziek je luistert of naar welk toneelstuk of expo je gaat. Het is ook waar je zelf mee bezig bent. Of dat nu een bloemist is, iemand die kledij ontwerpt, kookt of een nieuwe technologie ontwikkelt. Hoe vertaalt zich dat in hoe we onze samenleving vormgeven? Dat gebeurt lang niet alleen door kunst. Ik voel me veel meer een cultuurwerker dan een kunstwerker. Kunst blijft mijn paradijselijke thuis. Dat zal voor mij altijd een soort veilige haven blijven waar ik tot rust kan komen. Maar mijn echte missie is cultuurinnovatie. Ik kan dat niet alleen doen, maar door mensen samen te brengen en uitwisselingen te genereren, kan ik dit echt wel stimuleren.

HVC: Wat is het verschil in functie met je partner Kristof Jonckheere.  Jullie zijn hier samen meer dan een jaar geleden gedropt om Franky Devos op te volgen …  

MR: Franky Devos, tot vorig jaar directeur van zowel kunstencentrum BUDA als BUDA vzw, heeft de voorbije tien jaar in Kortrijk het pad voor ons geëffend. Hij heeft tien jaar moeten knokken. Kortrijk voelt zich innovatief, dus willen wij ook in veel meegegaan. In Kortrijk heb je altijd een kleine performante avant-garde gehad, tot de punk toe. Het komt niet uit het niks.
Je kunt ons zien als de twee nieuwe ‘Frankies’. Frankie had twee petjes: hij was algemeen directeur van het kunstencentrum en inhoudelijk intendant van de fabriek. Alles wat het kunstencentrum aangaat is naar Kristof gegaan, alles wat meer cross-over is naar mij. Ik moet via trial and error evalueren wat al dan niet werkt. Ik heb natuurlijk vroeger al veel prospectie gedaan, waardoor ik ervaring heb.

Franky was een sterke voortrekker van die cross-sectorale samenwerkingen tussen kunst, onderwijs, ondernemerschap, de sociale sector en actief burgerschap. Vandaag bouw ik verder op zijn idee om het voormalig Broelmuseum op de Broelkaai om te vormen tot een creatieve werk- en ontmoetingsplek voor die verschillende sectoren. Het is door ruimte te delen en elkaar spontaan tegen te komen dat de beste ideeën ontstaan: je leert elkaar kennen, en al die verschillende knowhow, netwerken en publieken worden gedeeld. Er komt een café met exporuimte en een concept-store: een soort vitrine van creativiteit in de stad. Er zijn ook ruimtes die je als burger kan huren voor eigen evenementen. En er is een prachtige verborgen stadstuin die wordt opengesteld. Zo wordt BUDA-eiland voor het brede publiek een pak toegankelijker en aantrekkelijker.

Het doel van BUDA vzw, is om een dwarsloper te hebben die door al die sectoren loopt, zodanig dat er knowhow, netwerk en publiek wordt gedeeld, waardoor we allemaal rijker worden. We proberen een gemeenschappelijk profiel en website te bouwen, een gemeenschappelijke toegangsplek – BK6, het vroegere Broelmuseum – dat ook een café wordt en een gemeenschappelijke toegangspoort tot het Buda-eiland - en eveneens een vitrine. Ik moet deze plek laten werken als toegangspoort en de Integriteit tussen de vijf partners en de vijf stadsgebouwen ‘behouden’: de BUDAfabriek, de BUDAscoop, de Paardenstallen, de BUDAtoren en het oud Broelmuseum.

HVC: Waar zie jij het verschil tussen kunst en cultuur?

MR: Wat ik net zeg: de missie in Workspace Brussel was puur om met kunstenaars bezig te zijn en om te proberen zo breed mogelijk interdisciplinair te werken. Maar vandaag kan ik dat ook met designers, stedenbouwkundigen, studenten, enzovoort. Dat is nu veel minder beperkt. De innovatie wordt veel breder. Voor mij is BUDA-eiland met al z’n partners en publieksgroepen die hier aanwezig zijn een soort Petri schaaltje waarop we experimenten doen. BUDA-eiland ligt in het hart van de stad, maar is toch afgezonderd. Het is een experimentele plek, maar volop participatief. Vroeger was experiment vaak niche, maar ik probeer zoveel mogelijk mensen van dermate denkbaar groepen actief te betrekken.

HVC: Dat is toch gemakkelijker gezegd dan gedaan?
Staat jouw praktijk los van al die kunstenaars die hier van over de hele wereld in Buda op residentie komen?

JMR: Je hebt verschillende levels. Op het eiland, los van BUDA, zijn die vijf sectoren aanwezig: je hebt het kunstencentrum, Bubox en B-Part. Die organisaties hebben een duidelijke missie binnen de kunsten. Ze leveren goed werk en trekken veel volk naar hier. Design Regio Kortrijk zit voor mij onder design cultuur. De tweede sector is de zorg en is hier op het eiland een heel grote speler. Ze doen aan ouderen- en jongerenzorg, maar proberen dat op een innovatieve manier te doen. Dan heb je onderwijs: dat is bijzonder boeiend in Kortrijk.

Het is een kleine stad, maar je hebt vier grote spelers op hoger onderwijs: Vives, Howest, Ugent en de Kulak. Daar zit veel gezonde competitie tussen, waardoor het niveau heel hoog ligt. We hebben hier op het eiland al Divine, wat de nieuwe school of arts wordt in de BUDAfabriek. Je hebt DAJ, een wereldvermaarde gameschool. Zo zijn er ook nog andere interessante richtingen waarmee ik in dialoog ben. Daarnaast heb je ook ondernemerschap – dat in West-Vlaanderen heel duidelijk zichtbaar is en actief burgerschap wat je in Kortrijk duidelijk ziet in Bolwerk, Lieve zusjes en stoere broers, enzovoort. Die vijf sectoren doen allemaal heel goed werk, maar vooral naar hun eigen achterban. Ze communiceren met hun eigen netwerk en net dat loopt een beetje naast elkaar.

HVC: Wat zijn dan de specifieke taken van BUDA vzw?

MR: Wij hebben drie taken: verbinden van alle partners die ik al beschreven heb, zowel op inhoudelijk als op praktisch niveau. Dat willen we ontsluiten naar een breder publiek via deze prachtige plek. Een derde is betrekken. Voor mij staat de 21e eeuw voor hernieuwde participaties. Deze eeuw staat voor globalisme: outsourcing, Fordisme. Voor Ford bouwde een garagist een volledige auto. Dan heeft meneer Ford gezien: als ik alles op een band laat monteren en iedereen houdt zich bezig met die of die vijs, gaat de productie veel sneller. Dat heeft ons economisch veel opgeleverd, maar heeft ook isolering teweeg gebracht.

Mensen willen terug weten: ‘Waar komen mijn schoenen vandaan? Zijn die wel in goeie omstandigheden gemaakt? Vanwaar komt die tomaat? Is die niet met pesticide besmet?’ We zijn totaal vervreemd van onze productiemiddelen en willen er terug contact mee hebben. Dat zie je in al die tendensen van do-it-yourself, bottom-up, etc. De 21e eeuw is voor mij de eeuw van het engagement. Dat wil zeggen: verbinden en ontsluiten.

HVC: Is het geen straatje zonder einde om al die tentakels naar alles en iedereen uit te zetten? Jij komt als Belgenburger naar hier in een kleinere provinciestad, voelt aan wat hier te doen valt en begint eraan? Moet ik dat zo zien?

MR: Het doet me deugd om op zo’n kleine schaal te werken. In Brussel kan je heel gemakkelijk in een kleine niche blijven werken. Ik kan morgen een niche-expootje opzetten, op Facebook zetten en heb tweehonderd man. Dat loopt zonder probleem. In Kortrijk gaat dat niet. Je hebt hier relatief weinig niche-publiek. Of het werkt voor een breder publiek, of het werkt hier niet. Het is de taak van cultuurontwikkelaars zoals ik om dat open te trekken. Het is gemakkelijker om in een niche te blijven werken zoals in diezelfde sociale groep. Maar dat leidt tot isolement. We preken teveel voor de eigen parochie. Iedereen doet iets voor z’n eigen publiek en doet te weinig met de in- en uitstroom.

HVC: Waarom niet? Is het door de andere bevolking die hier woont dan in pakweg typische cultuursteden als Gent, Antwerpen en Brussel?

MR: Wat ik hier heel tof vind is de nuchterheid van een soort ondernemerschap. Zo van: ‘Ja maar, dat zijn mooie woorden, maar werkt het?’

HVC: Had je vroeger al een link met West-Vlaanderen toen je hier nog geen werkvoet had binnengezet?

MR: Een van mijn eerste residenties met mijn eerste dramaturgietjes, was hier in het BUDAcentrum in Kortrijk. Met Benjamin Vandewalle, Thomas Ryckewaert. Ik ken Kortrijk door die werking, de Budascoop, Bubox en Biënnale Interieur. Die cultuurspelers werken niet stedelijk, ze hebben allemaal een bredere scope scope. Maar het gevaar is dat je soms het regionale verliest. Dat is het moeilijke van dit kunstencentrum, omdat zij zodanig op de artist en de internationale werking gefocust zijn. We moeten erover waken dat we de regionale bedding voldoende stevig houden. Dat is mijn eerste bezorgdheid met BUDA kunstencentrum.

Je hebt al de BUDAscoop met haar art house cinema. Dan de belangrijkste poot: de residentiewerking, maar daar is in Kortrijk veel misverstand rond, omdat de kunstenaars er zich net isoleren om zonder presentatie- of productiedruk, aan onderzoek te kunnen doen. Dat is vaak niche, heel onaf. Dat zijn korte trajecten en daar zit per definitie geen uitwisseling op met de stad, waardoor dat soms wat gevoelig ligt. De derde poot zijn de festivals. Ze doen er twee kleinere: Almost Summer en End of Winter en het grote Next Festival. Maar dat is ook allemaal internationaal podiumkunstenwerk. Take it or leave it.

HVC: Heb je het zelfgeloof al die ambities waar te maken?

MR: Mijn hoofdvraag is altijd geweest: ‘Wat kunnen we doen met kunst en cultuur in de samenleving?’ Wat kunstenaar Joseph Beuys zegt: ‘Iedereen is kunstenaar’, vind ik een vaag en zelfs oninteressant statement. Maar dat iedereen creatief is, dáár ben ik van overtuigd. Dat is wat ons verbindt. De ene vanuit schoenen maken, de ander vanuit technologie, de ander vanuit een businessmodel te ontwikkelen. Creatie, inspiratie. Innovatie

Het gaat ook over de manier waarop we ons kleden, wat we eten, welke producten we produceren, hoe we aan politiek doen en hoe we kennis doorgeven. Evenals we over hoe we huizen en steden bouwen, hoe we met religie, ons lichaam en met gezondheid, sport en seksualiteit omgaan. En hoe verhouden we ons tot de natuur en ecologie? Al die zaken maken deel uit van onze cultuur. In die zin is iedereen actief betrokken bij het ontwikkelen van die cultuur. Net dat maakt het zo boeiend. Cultuur als samenlevingsopbouw: collectief en over disciplines heen nadenken over welke wereld we voor onze kinderen maken.

HVC: Mooie uitspraken …

MR: Ik heb een zeer duidelijke droom – ik had die al voor Kortrijk en zal die ook na Kortrijk hebben – maar die is hier zo wel enorm versterkt en verhelderd. Omdat je hier een heel hoge concentratie hebt van kwalitatief werk binnen kunst en design, hoger onderwijs, zorg, ondernemerschap en actief burgerschap. Het beeld dat ik voor ogen kreeg vanaf maand één dat ik hier rondliep, was een Bauhaus van de 21e eeuw. Een plek waar ontwerpers, wetenschappers, kunstenaars, ondernemers, politici en burgers kennis delen en elkaar stimuleren.

Ik weet dat het een ambitieuze referentie is. Maar wat was Bauhaus? Een plek waar zowel autonome kunsten - zoals beeldende kunst, theater en muziek - en toegepaste kunsten - zoals design, architectuur en mode - samenkomen en elkaar versterken. dat in een context waar onderwijs wordt gegeven, onderzoek wordt gedaan en innovatieve producten worden geproduceerd. Dat is exact wat op BUDA-eiland gebeurt! Alleen is het nog te vaak naast elkaar om. Je hebt hier ook het verleden van Jozef De Coene, een visionair ontwerper en industrieel die verbonden was met de Arts and Crafts-beweging die aan de oorsprong lag van Bauhaus. Dat samenkomen van autonoom en toegepast vakmanschap kan een ongelofelijke verrijking zijn voor alle betrokkenen. Alle ingrediënten om dat nieuwe Bauhaus te maken, zijn hier vandaag aanwezig. Kortrijk neemt daar gewoonweg een unieke plaats in! Al moet de politiek nu wel duidelijke keuzes maken.

Het gevaar van Kortrijk is dat ze zich blijft spiegelen aan lichtgrotere steden zoals Gent. Zoals met de verlaagde Leieboorden hier. ‘Dat is de Graslei gelijk in Gent.’ Of Sinxenfeesten is dan de Gentse feesten van Kortrijk maar kleiner. Dat vind ik nefast. Kortrijk moet kijken naar wat Kortrijk doet en wat Kortrijk uniek maakt. Je hebt hier dat verleden van De Coene. Die was verbonden met de arts and craftsbeweging van Henry Van de Velde, die dus historisch een rechtstreekse link had met Bauhaus! Dat is het samenkomen van autonoom en toegepast vakmanschap. Het organisatiemodel dat ik voor ogen heb en denk dat we nog altijd kunnen vinden op enkele jaren tijd, bestaat nog nergens ter wereld.

HVC: Denk je dat de burger mee zal zijn?

MR: Je moet de go krijgen, iedereen warm krijgen voor dat verhaal, zorgen dat iedereen betrokken wordt: zowel de partners als het publiek als de politiek. Het gaat net niet om kunst, dat ik het makkelijke! Maar dat vind ik niet erg. Dat is ook zo schoon aan Kortrijk: elitisme valt hier direct door de mand. Wat ik niet probeer, is een nieuw elitair eiland binnen te koppen. Ik wil dat mensen ook kunnen komen om nieuwe gerechten te proeven of nieuwe mode en technologie komen ontdekken. Zo heb ik ook die expo Landscapes gemaakt.

HVC: De expo landscapes liep van 18 oktober tot 4 november 18 in het Sint-Maartensziekenhuis in Kortrijk.

MR: Dat is echt een concreet voorbeeld. De expo ging over het landschap binnen de beeldvorming door de eeuwen heen. Hoe hebben beeldenmakers van vroeger en nu gezocht naar technieken om een landschap zo overtuigend mogelijk te maken voor een publiek? Je komt sowieso uit bij schilderkunst, maar ook bij animatiefilm en design. We hebben een rechtstreekse lijn getrokken bij de allereerste tekening van de mensheid in de grotten van Lascaux. Die bizons zijn heel schetsmatig opgesteld, maar ze zijn niet toevallig getekend op de bolle kant van de rots, zodat die bizon al body krijgt en er toen eigenlijk al gezocht werd naar een 3D-effect. Er zijn sindsdien veel ontwikkelingen van het perspectief. Vlaamse primitieven, dat is 1420. Voordien hadden ze symbolische afbeeldingen met het atmosferisch perspectief en dieptezicht met kleur.

Dan heb je een aantal nieuwe technieken zoals de stereoscopie, denk maar aan de viewmaster vanaf de jaren 50 dat ze nu in de 3D-cinema nog gebruiken. Vanaf 1900 worden dat filmtechnieken: de allereerste films filmden theaterdecors: dat was heel onrealistisch en vanaf dat ze meer diepte wilden en grotere sets – een film maken over Rome maar we kunnen Rome niet bouwen – zijn ze begonnen met een techniek die mattepainting noemt. Letterlijk: je bouwt de onderkant van je tempel, honderd meter ervoor zet je een gigantische glasplaat met je camera achter en je schildert de bovenkant van je tempel op die glasplaat. Het transparante stuk in die glasplaat waarin je de échte ingang ziet – waar acteurs binnen en buiten kunnen – maar daarboven is de rest geschilderd.

Er is een link met schilderkunst – de schilders van toen zijn matteschilders geworden. Die mattepainting, die glazen plaat, is vermenigvuldigd door Walt Disney, want zij wilden dynamische achtergronden creëren. Vanaf we computers hebben is die techniek gedigitaliseerd en zit die in de gaming. Je ziet technisch een letterlijke link tussen de kunst en de gamings.

Het mooie van die opzet is: we hebben daar schilderkunst, games in verschillende stadia – je kan daar met die games en artbrillen experimenteren – en het is allemaal interactief. Het heeft een artistieke, technische en speels-educatieve component. Dat soort expo, hoe klein het ook is, werkte goed. Het was een klein hitje in Kortrijk. Dit soort typische contexten, vraagt ook andere manieren van aanpak. Dat verplicht je ook tot innovatie.

HVC: Het stadsparcours voor beeldende kunst Play (van 23 juni tot 11 november) lokte toch veel volk?

MR: De expo Play is ook geen klassieke expo en zat qua thematiek tof in elkaar – het gaat over spelen – en het is een stadsparcours. Het is wel de beeldende kunst in de klassieke vorm, maar door de thematiek is het ook een hit geworden. Het hoogdravende is eruit.

HVC: Het museum moet naar de mensen komen, wordt gezegd.

MR: Ja, maar het museum moet ook veranderen als je naar de mensen gaat. Dat is ook de fout van de musea: ‘Ah, we moeten intercultureel doen?’ ‘Wel, we moeten minderheidsgroepen in het museum krijgen, dat doen we met een exotische naam – waar nóg minder mensen op afkomen – óf we gaan muntthee en appeltaart geven: wat op het racistische af is omdat ze in stereotypen blijven denken. Maar hun werking blijft toch ook: we blijven beelden en schilderijen tonen.
Wij gaan deze zomer een project doen op Pukkelpop, samen met het S.M.A.K. en het M HKA. Toch zullen we moeten opletten. We gaan niet de werking van een museum mogen vertalen naar een andere context. Het vraagt andere formats, andere manieren van begeleiding en communicatie.

HVC: Hoe ga je dat aanpakken?

MR: Wat mijn droom is en dat zal ik zolang mogelijk in Kortrijk doen en deed ik ervoor en zal ik ook erna doen: hoe kan kunst terug een centrale rol krijgen in het dagelijkse leven – in niet artistieke contexten – en hoe verandert dat de kunst? Want dat is de denkfout die vele kunstenaars en kunstinstellingen blijven maken: kunst blijft dan kunst, dat wil zeggen: kunst blijft autonoom. ‘Ik bedenk het en je bekijkt het of bekijkt het niet. Dat is 20e eeuws denken! Het model van de romantiek van 1850. Dat is de genie die iets op de zolderkamer maakt ter verheffing van het volk. We zijn ondertussen in een ander tijdperk, de 21e eeuw, waar er ook plek is voor co-creatie, participatie, interactie.

Wat is geëmancipeerde participatie? Dat gaat niet over: ‘Zing maar mee met de zaal, handjes in de lucht!’ Daar spreek ik niet over. Hoe geef je het publiek een volwaardige en evenwaardige rol in het creatieproces van het werk? Ik zeg niet dat dat de enige heiligmakende vorm is, maar het zijn methodologieën die vandaag schreeuwen om aandacht. Alle andere sectoren – en dat is weer het interessante van dat multidisciplinaire -, of dat nu over horeca, winkels of politiek gaat, participatie speelt daarin een centrale rol.

In de klassieke kunstsector blijft dat toch heel traag in die oude 20e eeuwse modellen hangen. Unilaterale presentatie, noem ik dat. Ze vergaren een collectie, tonen dat en jij kan komen kijken of niet komen kijken. Wel, steeds meer en meer mensen gaan niet komen kijken. Ook al door de sociale codes die aan die instellingen hangen. Ik vind dat uitgepuurde van de white cube en black box nog altijd een zeer waardevol model. Maar je moet daarvoor al de boekjes lezen, soms met moeilijke communicatieteksen. Je dient een selectie te maken en zeker voor theater, dans, muziek moet je dat plannen, tickets kopen ... De drempels zijn niet alleen de ticketkosten, je moet ook op tijd zijn, in die zaal zitten, stil zijn ...

Er zijn veel mensen die niet naar theater komen, vanwege de sociale set-up.
Ze moeten zeker blijven bestaan, maar daarnaast moeten nieuwe modellen met nieuwe codes komen, met diversiteit op presentatiegebied. We worden vandaag allemaal geil van het woordje diversiteit en we willen allemaal tonen dat we vrouwelijke kunstenaars met liefst nog exotische namen op ons programma willen. Maar wat verandert er niet? De manier waarop gepresenteerd wordt. Dat staat al veertig jaar vast. ‘Produceren, presenteren, communiceren, spreiden’ is niet noemenswaardig verandert. We hebben alleen een nieuwsbrief bijgekregen - want internet is erbij gekomen – en een facebookaccount.

HVC: Hoe bolwerk je dat allemaal?
Je woont in Brussel, komt elke dag met de trein naar Kortrijk – toch een honderd kilometer – en dan?

MR: Verbinden, verbinden, verbinden. Ik ben een broker, een mediator. Ik zit nooit op mijn bureau. De meeste dagen ga ik van meeting naar meeting: ont-moeten.

HVC: Wanneer ‘denk’ je dan ‘je ideeën uit’? Onderweg?

MR: Dat is dan ook weer het mooie: het een stimuleert het ander. Vanaf je zegt: ‘Ik ga niet meer alleen voor één kunstniche werken - omdat je met verschillende groepen wilt werken - begin je iedereen te ontmoeten. Doordat je die andere ontmoet, leer je de zaken vanuit hun perspectief te bekijken. Bij iedereen leven andere benodigdheden of accenten die ze willen leggen. Door dat brokerschap, door die verschillende perspectieven aan te nemen en die andere talen te leren spreken – denk alleen nog maar aan een senior en een student waar ik dan moet mee leren puzzelen, hierdoor creëer je een lerend archief in je hoofd.

HVC: Je kop zit altijd vol met cultuur. Wat ontspant je?

MR: Wat mij ontspant? Mijn huis verbouwen op zondag! Ik vind het super dat mijn werk zo veelzijdig is. Maar een nieuwe ruimte ontwikkelen of een expo maken, daar zit ook een heel concipiërend luik aan. Soms kan dat zweverig worden en dan is verbouwen een ideaal tegenwicht, omdat het echt handenarbeid is. Je ziet ook direct resultaat. Ik ben geen sporter, ik heb op dit moment geen gezinsleven … Al wil ik later graag kinderen. Maar eerst mijn huis aanpakken. En Kortrijk! (lacht)

Hilde Van Canneyt




statcounter