skip to main |
skip to sidebar
Rudi Bogaerts is geen fotograaf. Hij is een kunstenaar. Het verschil tussen beiden kom je zo dadelijk te weten. Ik ontmoet hem daags voor zijn solotentoonstelling – gehuld in zijn overall – in Galerie Jan Dhaese te Gent.Hilde Van Canneyt: Als ik je een fotograaf zou noemen, wat antwoord je daar dan op?Rudi Bogaerts: Ik vind dat geen compliment. Ik zie mezelf helemaal niet als een fotograaf. Fotografie kan wel kunst zijn, maar een fotograaf is meestal geen kunstenaar.
Waarom niet?Bogaerts: Ik heb daar lang over nagedacht. Zelf heb ik eerst schilderkunst gestudeerd en daarna fotografie. Op een bepaald moment kwam ik tot de constatatie dat de meeste fotografen een heel andere kijk hebben op het ervaren van de werkelijkheid en de omgeving dan een kunstenaar. Vorig jaar ben ik in New York geweest waar ik een tentoonstelling van Anthony Gormley zag. Hij had een glazen kubus van 10m3 gevuld met waterdamp en in de ruimte geplaatst, letterlijk één mistwolk. Ik had me de bedenking gemaakt: wat zou een fotograaf doen als hij in die kubus komt en wat zou een kunstenaar doen? De fotograaf zal - denk ik - een paar shots nemen en dan naar huis gaan, waar hij zich concreet zal vasthouden aan die mist die daar aanwezig was, want hij wil die mist vatten, adapteren. Wat doet de kunstenaar? Niets, hij zal erin gaan staan en die ervaring op zich laten inwerken. Misschien zal hij pas drie maanden later die ervaring kunnen verwerken in een werk.
Je noemt jezelf vaak een beeldend archivaris, vanwaar die term?Bogaerts: In 1999 heb ik voor het Brusselse Parlement een in situ project gerealiseerd, ‘De ontmoetingsmuur’ waar ik een werk heb gemaakt rond de straten van Brussel die een persoonsnaam bevatten. Op zoek naar een portret en de achtergrond van die personen, belandde ik oa. in het Brussels stadsarchief. Ik ben toen tot de conclusie gekomen dat je in zo’n archief veel bruikbare info vindt die het daglicht niet meer ziet. Zo is mijn interesse ontstaan om oud beeldmateriaal opnieuw te gebruiken en er een andere betekenis en invulling aan te geven. Dat kan zowel vanuit fotografische als schilderkundige hoek komen. Oud beeldmateriaal vind ik trouwens interessanter dan het huidige digitale materiaal: ik hou van de tactiliteit en plasticiteit ervan.
Waarom kunnen je werken als kunst beschouwd worden?
Bogaerts: Ik wil de mensen een andere wereld tonen en hen bewust maken van dagdagelijkse dingen door ze in een andere context te plaatsen, waardoor ze een andere betekenis krijgen. Met mijn werk ‘Pinewood air 300ml e’ bijvoorbeeld wou ik er de aandacht op vestigen dat geurverfrissers kankerverwekkend zijn. Je spuit een dennegeurtje in je huis maar tegelijkertijd kan je je eigen dood in de hand werken en niemand staat daar bij stil. Ik hou ervan dat contradictorische aan te tonen. Alles waarmee ik in aanraking kom wil ik langs een andere kant gaan invullen of er een andere interpretatie aan geven. Ik wil mensen bewuster maken.
Is het feit dat je werken esthetisch zijn een meerwaarde ?Bogaerts: Een meerwaarde niet: ik vind esthetiek wel belangrijk, maar de gelaagdheid is het belangrijkst. Ik heb zoveel beelden liggen die echt (gewoon) mooi zijn, maar als ik er geen meerwaarde of grotere invulling kan aan geven, gebruik ik ze niet.
We zijn hier in Galerie Jan Dhaese ter gelegenheid van je solo-tentoonstelling. Vanwaar de titel: Hinweise zum Lexicon?
Bogaerts: De vorige tentoonstelling had de titel Lexicon, ik ga in dit werk nu een stap verder. Het werk toont een grotere gelaagdheid en verdieping en langs de andere zijde een vereenvoudiging in de beeldtaal, de wisselwerking van beeld en taal staat veel scherper. Ik kan me niet voorstellen dat mijn werken geen titels zouden hebben: het zou voor mij aanvoelen alsof ik mijn kind geen naam zou geven.
Wil je met je titels nog een extra gelaagdheid geven?
Bogaerts: Mijn titels zijn een extra sleutel: Als je die leest zal je makkelijker toegang vinden tot mijn werk. Het is niet de bedoeling alles zo hermetisch mogelijk te houden.
Zondag was de vernissage. Welke openlijke reacties heb je gekregen van je publiek?
Bogaerts: De mensen die me al iets langer volgen vonden het een grote en mooie evolutie, men vond dat het plastischer werd, picturaler ook. Vaak kwamen mensen me zeggen welk werk hun absolute voorkeur genoot - veel opbouwende feedback dus - goeie reacties ook op de monografie. Op de installatiewand ‘Energy stars’ heb ik veel reacties gekregen. Wat me bij bleef is hoe sterk dat een beeld werkt. De eerste reactie was meestal dat het nogal pornografisch was. Als ik dan opmerkte dat het handelde over het groene gedachtengoed begon men pas de tekst te lezen.
Ben je tijdens je werkproces bezig met feedback van vorige tentoonstellingen?
Bogaerts: Nee. Al wil ik de kijker wel attent maken op dingen. Zo lijkt het mij dat vele mensen Het Nieuws bijvoorbeeld klakkeloos overnemen zonder zich daarbij vragen te stellen. Als kunstenaar moet je kritisch en geëngageerd in de maatschappij staan en ik vind dat velen daar tegenwoordig meer dan ooit oppervlakkig in zijn.
Hoe heb je deze tentoonstelling opgebouwd?
Bogaerts: De eerste ruimte is het meest op de verduidelijking van mijn lexicon gericht. De middenruimte heb ik iets poëtischer en sensueler opgebouwd.
In de laatste ruimte toon ik meer de publicitaire kant. Ken je Energy star? Dat is een soort keuringslabel voor producten die weinig energie verbruiken. Ik ben voor dit werk op zoek gegaan naar oudere beelden van schaars geklede dames die bij zo’n elektrisch apparaat staan waar je dat Energy star label zou kunnen aan toevoegen. Ik heb van die dames ‘Energy stars’ gemaakt
en op die foto’s teksten gedropt over energie. Door die ombuiging van erotiek naar de groene gedachte krijg je een bevreemdend effect, een soort clash.
Op de kunstenaarspagina in het tijdschrift H-art (#48) werkt dat goed, omdat het overkomt als een publiciteit, wat uiteindelijk mijn bedoeling is.De andere vrije wand heb ik vol gehangen met notes die ik van Flick’r heb gehaald.
Zie jij zelf een evolutie in je werk tegenover je solo hier twee jaar geleden?
Bogaerts: In de vormelijke taal ben ik meer teruggegaan naar de plasticiteit, je voelt duidelijker de penseelstreek. Ik ben meer losgekomen van het fotografische. Inhoudelijk is mijn werk uitgediept. Twee jaar geleden formuleerde ik eerder een kritische, ironische mening over de kunst zelf, terwijl ik dat nu helemaal heb laten varen, veel meer in de wereld sta en naar de wereld kijk. Het is ook een stuk gevoelsmatiger.
Er is een catalogus uitgegeven naar aanleiding van je tentoonstelling hier in Galerie Jan Dhaese. Ik zie er vooral nieuw werk in staan. Had je geen behoefte aan een ’10 jaar Rudi Bogaerts-overzicht’ of zoiets?
Bogaerts: Nee. Ik wou tonen wat ik nu maak. Het is nog wat te vroeg voor een retrospectieve (lacht).
Een werk dat in je catalogus staat, maar dat ik hier niet zie hangen is: ‘J’ai appris à dessiner chez toi’, uit zowel ’06 als ’08. Het is wat we noemen een interactief werk.
Bogaerts: Eigenlijk is dat heel spontaan gegroeid. Ik had eerst dit werk gemaakt (‘J’ai appris à dessiner chez moi’, 2006), kreeg daar veel reactie op en voor ik het wist vroeg ik mensen een foto van zichzelf in bad op te sturen. Ik heb die foto’s verwerkt, ze nog eens nagetekend – een beetje de ‘Broodthaers-gedachte’ – en dan met die Flick’r-notes beginnen werken. Het is wel boeiend om te zien hoe iedereen zich profileert in zo’n bad en op een andere manier zichzelf letterlijk blootgeeft.
Ik heb een lexicon van woorden samengesteld. Vertel me eens over:
VIERKLEUREN-GOMBRICHROMAAT- PROCEDE
Bogaerts: Dat is een oud fotografisch procédé waar ik tot nog toe de meeste van mijn werken heb in uitgevoerd: Arabische gom met pigment
waaraan ik een chemisch product toevoeg, wat het lichtgevoelig maakt: je smeert er papier mee in, legt er een negatief op en daarna leg je het onder UV-licht; nadien spoelen in water. Na de spoeling heb je het beeld in één kleur. En zo leg je je kleuren laag per laag: een soort glaceer-techniek uit de schilderkunst van de 17e eeuw.
SCHILDERKUNST
Bogaerts: Het is mogelijk dat ik later terug begin te schilderen, maar ik heb heel lang gezocht naar het perfectioneren van wat ik nu doe, het gombichromaat. Aan de ene kant ben ik heel technisch, wil ik alles onder controle hebben en is alles goed voorbereid, maar de techniek zet me er toe aan imperfect te werken, want je kan nooit tweemaal hetzelfde resultaat bekomen: een seconde meer of minder belichten of spoelen leidt tot een ander resultaat. Dit edelprocédé ligt eigenlijk tussen fotografie, drukkunst en schilderkunst. Doordat ik met een penseel en in dunne laagjes werk, voel ik me door die handeling ook nauw verbonden met schilderkunst.
KUNSTGESCHIEDENIS
Bogaerts: In ons land zitten we echt op een kruispunt waar we invloeden van overal krijgen en onze kunst levert dan ook een unieke stijl op. Broodthaers en Magritte kunnen alleen maar Belgische kunstenaars zijn, vind ik, als je kijkt naar de ironie die in hun werken zit.
Hoop je later een plaatsje te veroveren in de kunstgeschiedenis?
Bogaerts: Natuurlijk wil ik dat, ik denk wel dat we allemaal zo ijdel zijn. Maar ik ben daar momenteel niet mee bezig, Ik concentreer me op mijn werk: ik vind het al fantastich dat ik kan ventileren wat in me leeft. Ensor zal er waarschijnlijk ook geen vermoeden van hebben gehad dat zijn werk 100 jaar later de huidige betekenis zou hebben.
TALENT
Bogaerts: Het is een abstract begrip, maar in het onderwijs zag ik wel dat je mensen zonder talent toch iets kunt bijbrengen. Op een bepaald moment zie je dan helaas toch dat er iets niét is: het overstijgende ontbreekt, waardoor het werk of de persoon niet verder raakt.
WERKETHOS
Bogaerts: Met momenten heb ik dat héél veel, maar er zijn ook momenten dat ik ontzettend lui kan zijn. Die luie momenten noem ik mijn sponsmomenten. Meestal werk ik van 9 tot 5. Ben ik met een interessant project bezig, of in aanloop van een tentoonstelling, loopt dat natuurlijk wel meer uit de hand en zit ik tot 2-3 uur 's nachts te werken.
DENN ES SCHEINT DASS UNS ALLES VERHEIMLICHT (Rilke)
Bogaerts: Inge Braeckman heeft dat citaat van Rilke als intro in mijn catalogus gebruikt en het klopt wel met mijn werk, vind ik. Ik werk rond het verborgene, dat wat niet vergeten mag worden. Het verborgene op elk vlak, je kan er geen duidelijk stempel opdrukken. Maar als ik nadien terug kijk op het werk verbaast het me telkens weer dat dit de rode draad vormt in mijn werk.
Wanneer is bij jou de klik van fotograaf naar kunstenaar gekomen?
Bogaerts: Ik heb mij altijd als kunstenaar gedragen, zonder dat misschien zelf te beseffen, maar uiteindelijk voel ik het aan als onontkoombaar. In mijn studietijd zag ik wel dat ik heel anders met fotografie omging dan mijn medestudenten.
Wie heeft je beïnvloed in de schilderkunst of in de fotografie?
Bogaerts: Joseph Cornell vooral ook omdat hij zo een verwoed verzamelaar was en de hedendaagse kunstenaar Keith Tyson, vooral zijn denkpatronen boeien me mateloos. Zijn presentatie “Drawing and Thinking” op de Biënnale van Ventië in 2001 heeft me ook anders doen nadenken over werk. Ook de fotograaf Fontcuberta kan me enorm bekoren, de humor en het spelen met valse waarheden.
Wat doet kunst maken voor je eigenwaarde? Zou je je waardeloos voelen als je geen kunst zou maken?
Bogaerts: waardeloos klinkt wat straf, maar ik voel kunst maken wel als een noodzakelijkheid, of zoals ik al net zei: onontkoombaar.
Zijn er hobby’s die je als tegenwicht voor je kunst beoefent?
Bogaerts: Ik ga lopen, al is dat eerder een moment van mentale bezinning dan om me af te reageren op de kunst. (lacht) Mijn kinderen zorgen natuurlijk ook al voor een gezond tegenwicht. Die zijn zo ontzettend rijk, ongelooflijk wat je van hen leert en welke inzichten ze je bijbrengen.
Welke kunst kan je het minst bekoren?
Bogaerts: Pottenbakken. (lacht)
Welke plaats heeft de hedendaagse kunstenaar voor je?
Bogaerts: Zoals ik al zei, hij moet kritisch en geëngageerd zijn.
In welke val mag de kunstenaar niet trappen?
Bogaerts: In de val van de hoogmoed.
Nooit zin om eens helemaal uit de bocht te gaan in je kunstwerken?
Bogaerts: Nee, de manier waarop ik kunst maak hoort bij mijn karakter, al wil ik nog wel eens een heel groot werk maken.
Wat zou binnen tien jaar je grootste schrikbeeld als kunstenaar zijn?
Bogaerts: Dat ik als kunstenaar een bekrompen geest zou krijgen, een cynicus zou worden die zit te prevelen van: “ze vinden mij niet goed omdat ze me niet verstaan, blabla…”.
Hoe zou je willen dat het allemaal uitdijt?
Bogaerts: ik zou mezelf en anderen blijvend willen verrassen.
Hilde Van Canneyt, Gent, do 19 maart 2009
Rudi Bogaerts stelt tentoon t.e.m. 26/04/’09 in Galerie Jan Dhaese, Ajuinlei 15B, Gent.
www.rudibogaerts.com
www.jandhaese.be
Elke Boon en Dolores Bouckaert keken samen over de grenzen van de beeldende kunst heen en stortten zich in het toneelproject 'Honger', een sprookje over de vertering van de liefde -of hoe de liefde niet in beelden, maar in woorden en daden om te zetten...
Gesprek over ‘Honger’ tussen Dolores Bouckaert , Elke Boon en Hilde Van Canneyt.
Vraagjes van Dolores Bouckaert aan Elke Boon:
Dolly: Wat betekent honger voor jou?
Elke: Een drang, een noodzaak, een verlangen… het komt allemaal op hetzelfde neer. Honger kan op alles slaan: honger om te eten, om te vrijen, te creëren, te leren.
Een drang naar impulsen die er spontaan zijn of die ik zelf opzoek. Ik had honger om te creëren.
Dolly: Waarom heb je besloten zelf op scène te staan?
Elke: Dat is niet iets dat ik nu besloten heb, dat is iets wat ik wou doen. Het was duidelijk dat ik ging meespelen, ik wou de andere kant van regisseren meemaken. Als kind heb ik zowel klassiek ballet optredens gedaan als amateurtoneel gevolgd. Nu zing ik met ‘Mary and me’ op een podium.
Dolly: Benader je de manier van een voorstelling op dezelfde manier als het maken van een kunstwerk? Waar ligt voor jou de grens en waar ligt voor jou het verschil?
Elke: Er is geen verschil, al moet ik nu wel rekening houden met jou (lacht). Tegelijkertijd kan ik mij ook voeden, maar wanneer verrijk je elkaar en wanneer loop je elkaar in de weg? Het stuk maakt zichzelf en neemt ons mee, wij moeten dat aanvullen. Eerst heb je dat in handen en dan begint dat iets te worden. Maar eigenlijk zijn tekenen, muziek, video, tekst… allemaal hetzelfde, het is een creatie die aan het groeien is en waarmee je communiceert en dialogeert.
Dolly: Waar en hoe vult het medium theater jouw reeds afgelegde parcours aan?
Elke: Dat is een moeilijke vraag, want vanaf je met een werk begint, moet je je afvragen welk medium dat werk nodig heeft. Aanvankelijk wou ik een vleesplank met daarop een kookboek voorstellen: die vleesplank was een bed en dat kookboek een allusie op hoe je je lief moet opeten om eeuwig samen te zijn. Later werden dat recepten, nadien een verhaal met twee personages en uiteindelijk dit (toneel)stuk.
Dolly: Waar zit voor jou de magie van het theater?
Elke: Op het podium, waar alles zeer duidelijk ‘gespeeld’ wordt, proberen we toch een puurheid, eerlijkheid, en spontaniteit te benaderen, en soms vinden we dat nog ook! Ook via de coaching van Charlotte Vandeneynde en Kurt Vandendriesche leer ik nu een groot deel van mijn body-language kennen waarvan ik me niet bewust was. Ik ben als maker nu ook geconfronteerd met mijzelf als deel van het werk.
Dolly: Wat heb je geleerd uit Honger?
Elke: Geduld hebben. Het is voor mij een nieuwe bron van interessante mogelijkheden die ik kan ontdekken. Het is belangrijk dat iedereen achter de dingen staat die gebeuren, anders werkt het niet. Wat ik geleerd heb? Wachten en graven, heel diep graven...
Vraagjes van Elke aan Dolly:
Elke: Waarom werk je graag samen met ‘iemand’?
Dolly: Ik ben een beter mens als ik met anderen samenwerk. Als ik alleen werk, werk ik vanuit de persoonlijke vraag. Samenwerken is het verruimen van de eigen horizon. Ik word gedwongen mij over te geven aan de ander wat in eerste instantie altijd moeilijk is, je moet delen en vooral communiceren. Je stelt jezelf fragiel op, je moet je fixaties en totale controle lossen en iemand anders binnenlaten. In het geval van Honger oppert iemand een idee en gaat iemand anders daar op verder werken, waardoor je elkaar omhoog trekt en invalshoeken krijgt die helemaal onbekend zijn. Mijn Honger is heel anders dan die van jou, maar het is maar door jouw Honger te ontdekken dat ik de mijne een plaats kan geven. Zo bouwen we samen een wereld. Een wereld die ik als ‘uniek’ beschouw. ‘Onze’ wereld. De weg die we daarvoor moeten afleggen is soms wankel en uiterst fragiel, maar komt gelukkig ook vaak samen. Er is iets tussen ons beiden dat ik als bijna magisch beschouw en wat ik nooit op die manier in individueel werk ervaar. Dit overstijgt de egotrip waar ik ook mijzelf soms op betrap maar vreselijk verafschuw.
Elke: Wat in het verhaal van Honger heeft je 'goesting' aangewakkerd?
Dolly: De tekst werd initieel door jou geschreven. Ik herinner mij goed hoe een acteur sereen de tekst voorlas op een scène waar enkel een tafel en stoel stond. Puur de essentie. Ik kende je absoluut niet maar toen ik de tekst hoorde ervoer ik iets als pure erkenning en herkenning. ’Ik wil dat spelen!’, 'Wie schreef dit?' is het enige wat ik dacht. Het is duidelijk dat er ondergrondse onuitspreekbare liaisons tussen ons beiden zijn. Ik kan ze niet direct benoemen en ik weet niet of jij dit ook zo aanvoelt, het is iets dat tussen ons heen zweeft. Ik hoop dat dit de voorstelling naar een hoger niveau kan tillen. Ik hield heel erg van het ritme, de poëzie en de inhoud natuurlijk. Mag ik niet gewoon zeggen dat ik hem heel mooi vond?
Elke: Wat zie je als je aan honger denkt?
Dolly: Het is weinig verbonden met het woord honger, maar ik zie wel die buik, het grijpen naar die buik. Mijn buik is leeg en hij moet gevoed worden. Alle pijn en schoonheid komen samen in de buik, het leven ontstaat daar ook. Honger gaat deels over keuzes maken en dingen achterlaten. De moord in het stuk gaat ook over dingen kapot maken die je zo dierbaar zijn dat ze destructief voor je worden, soms kan je ze dan nog enkel doden, figuurlijk dan, om te overleven. Op scène voel ik me gedragen door jou, de scène trilt stil maar onophoudelijk - op het scherp van de snede - de ganse tijd. Ik heb een beeld dat we samen lopen op een heel dun koordje waar we elkaar af en toe moeten vastgrijpen om er niet af te vallen. Honger ziet er voor mij uit als een heel gevaarlijke, maar magische, wonderschone evenwichts- en acrobatenact.
Elke: Wanneer heeft onze samenwerking je iets bijgebracht?
Dolly: Ik heb het gevoel dat we al heel veel verschillende versies van Honger geschreven hebben, maar het moeilijkste was de tekst herschrijven zonder jou, als een antwoord op jou en je tekst. Ik heb echt in je zitten graven en zo leer je ook lelijke en schone dingen bij jezelf kennen. In dat opzicht is het één van de heftigste dingen die ik gedaan heb, te vergelijken met een emotionele trip. Telkens wanneer ik Honger lees, zie ik zowel jou als mijn verhaal, het is een bijna therapeutisch ‘ding’ geworden, het zoveelste onderzoek... en net ik die er naar streef iets lichts en luchtigs te maken (lacht).
Onze improvisaties op de vloer brengen mij ook heel veel bij, jouw naturel is voor mij vaak heel confronterend maar zéér goed. Dus elke repetitie, iedere stap naar ons eindbeeld brengt mij iets bij.
Elke: Wanneer stond de samenwerking je in de weg?
Dolly: Bijna altijd, hoe feller het gaat, hoe meer, zowel in positieve als in negatieve zin. In eerste instantie bots je eerst ergens tegen. Tegen jou, mijzelf… Maar goed, ondertussen weet en vertrouw ik erop dat wat eerst als een obstructie en moeilijk aanvoelt een klein beetje later tot iets heel schoons kan leiden.
Elke: Zou je dit opnieuw doen?
Dolly: Ik denk het wel… alhoewel, niet direct (lacht). Want deze samenwerking vraagt veel van mijn hoofd en lijf, maar daar weet jij alles van, toch?Ik zou in de toekomst wel graag een scenario met je schrijven, maar dat moet ik je nog vragen.
Hilde: Elke heeft nog een vraag teruggekaatst: Waar vult beeldende kunst bij jou theater aan?
Dolly: Ik zie het niet echt als een echte aanvulling, voor mij zijn het twee verschillende manieren van werken. Ik ben met foto’s en video’s begonnen omdat ik het individueel onderzoek miste in theater. De individualisering van mijn meest individuele gedachten met mijn resultaat. Anders dan bij jou dienen mijn video’s om het eindresultaat te tonen van mijn onderzoek. Ik vroeg me bij jou gewoon af of dit iets nieuws was, een autonoom verhaal…
Vraagjes van Hilde Van Canneyt aan Elke en Dolly.
(Apart ondervraagd)
Hilde Van Canneyt: Hoe combineren jullie jullie talenten? Zijn er vastgelegde afspraken over de taakverdeling? Hoe vormen jullie één geheel? Hoe slagen twee sterke individuen erin één werk te maken dat van beiden is? Is dit een onderzoek binnen een onderzoek?
Elke: Het is zeker een onderzoek binnen het onderzoek. Er is geen regel voor, het is een strijd, een gevecht, soms tegen elkaar, maar vooral om Honger sterk te maken, daarin hebben we hetzelfde doel. We willen opkomen voor dat werk. Niet omdat we ego’s zijn, Honger moet gewoon goed worden. Er worden geen compromissen gesloten. Je werkt en werkt dieper tot je allebei zegt: ”Ja, dààr ligt het!”. Het is een harde eerlijke manier van werken. Wat mijn beeld en Dolores’ beeld is, is wat Honger moet zijn. We willen op een bepaalde graad van zuiverheid gaan. Honger is niet ‘af’ en zal nooit ‘af’ zijn.
Dolly: Die vraag is eigenlijk Honger. Het creëren van een idee. We zijn alletwee maker en hebben afgesproken over alles samen te beslissen en ons kind te maken. Dan stuit je al gauw op een probleem en begint de confrontatie, want voor mij is een kleur rood en voor Elke is die kleur blauw, welke kleur moet het dan worden? Zo kan je over alles discussiëren. Eén van de talenten van Elke is haar drang tot precisie, terwijl ik net vanuit improvisatie en vrijheid dingen wil laten ontstaan. Ik probeer heel hard haar noodzaak daarin te betrekken en probeer daaraan mee te werken. Omgekeerd ook hé. Zo ontstaan er tijdens het werken kantelmomenten binnenin onszelf en dat vind ik boeiend. Soms zie ik de verrukking op Elke’s gezicht wanneer ze iets doet wat nieuw voor haar is, dat is super.
Hilde: Wat geeft jullie meest voldoening? Het schrijf- of creatieproces of de uitvoering voor het publiek?
Elke: Het samenkomen van alles, de dode zinnen op papier tot leven brengen. Voor je het weet gebeuren er dingen met woorden, beelden, muziek, choreografie, dààr doe je het voor. De uitvoering is de kroon. Ik hoop dat ik er enorm van zal houden Honger uit te voeren.
Dolly: Heel globaal: het werkproces. Het dagdagelijkse samenzijn en de weg die je aflegt met vallen en opstaan boeien me het meest. Al de stapjes tussendoor zijn op zich allemaal kleine overwinninkjes. Als het werkproces goed zit - wat de verwachtingen ook zijn - dan is het goed. Je moet bereid zijn elkaar te bundelen. Geen enkele voorstelling kan slagen als je twee eilanden bent. Je moet elkaar voeden en toestaan dat de andere je iets geeft. Dat is dubbel omdat onze samenwerking ook honger is.
Hilde: Wat wil je teweegbrengen bij het publiek? Wil je hen meer dan gewoon een fijne avond bezorgen? Wil je dat ze na de voorstelling op een andere manier naar het leven kijken?
Elke: Ik hoop echt vooral dat ze een fijne avond hebben. Wij willen een situatie schetsen die zij hopelijk een beetje herkennen in hun eigen leven. Meer niet. Ik ga de wereld niet veranderen. Liefde is soms ook een loodzwaar onverteerbaar ding. Hoe kan je je zo wegcijferen voor liefde en ophouden te bestaan? Daar gaat het in het stuk wel wat over.
Dolly: Ik ben daar niet te ambitieus of veeleisend in, ik merk dat wat uw intentie ook is, er op duizend man misschien één iemand zal zijn die voelt wat je wilt vertellen. Alles begint bij jezelf. Wat wil ik vertellen en hoe vertel ik het? Hoe communiceer ik het naar het publiek? Ik betracht altijd een soort van verroering en herkenning teweeg te brengen. Dat is een interessant onderzoek waar je bewust bezig mee moet zijn. Ze moeten de gelaagdheid voelen, maar ik wil aan niemand opdringen hoe ik in het leven sta. We hebben een video waar we beiden een witte jurk aanhebben en waar je ziet dat eerst Elke vol bloed loopt en ik leegloop en dan omgekeerd, in een ‘loop’. Ik geef en ik neem en dat is voor mij die voorstelling, dat wil ik bereiken op scene.
Hilde: Hoe belangrijk is het dat dit stuk hedendaags is? Hoe dialogeer je met toneelstukken van vroeger?
Elke: Alles is al gedaan, maar niet door ons. We doen wat we nodig vinden voor dat stuk. Iets dat goed is, is goed.
Dolly: Elke voorstelling is van nul beginnen. Ik merk wel dat ik veel speel met de retoriek van klassiek theater, het spreken, het woord. Ik kijk naar speechen van Hitler en Goebbels om me te inspireren. Hoe beweeg je als je iets vertelt? Ik ben nu ook Shakespeare aan het herlezen om te kijken hoe we best onze teksten kunnen vertellen.
Hilde: Hoe belangrijk is decor, muziek, kledij?
Elke: Alle zintuiglijke gewaarwordingen zijn belangrijke elementen die deel uitmaken van dat stuk, even belangrijk als tekst en uitvoering.
Dolly: Als je tien pijlers hebt in een voorstelling, wil je ze allemaal evenveel aandacht geven. Het is een apart onderzoek naast de tekst die je geleidelijk opbouwt.
Hilde: Is er tijdens het stuk plaats voor het oncontroleerbare, het onvoorziene?
Elke: Er zijn scènes waar improvisatie mogelijk moet zijn. Je kan ‘iets’ nooit twee maal op dezelfde manier brengen.
Dolly: Dat moet! Voor je begint is er een leegte en denk je: oei, we moeten ons opnieuw gaan uitvinden.
Hilde: Is het onrust die jullie dwingt een stuk te maken? Wat drijft jullie?
Elke: Het is een levenslust. Wat me drijft? Iedereen creëert wel iets, of het nu kinderen zijn of oorlog. Ik doe nu dit. Ik volg niet, maar neem zelf het initiatief om iets te maken, hoe klein en onschuldig het ook is. Dit is mijn weg, en soms is er een kassei, val ik erover, maar ik kies hiervoor. Er is voor mij geen andere manier om te leven. En al zit ik dan ook veel te wroeten, als ik niet zou creëren zou ik jeuk krijgen denk ik.
Dolly: Goesting gecombineerd met een positieve onrust. De drang naar creatie, nieuwsgierigheid, naar ons, het gemeenschappelijk resultaat… wat zit er allemaal in die Honger. Het is evenzeer een ontdekken. Goesting om dat groot verhaal aan te gaan, in de diepte springen en zien wat eruit komt. Je zit met een ei dat eruit moet.
Hilde: Is er voor jou een scheiding tussen je kunst en je privéleven?
Elke: Het zijn anderen die bepalen of ik al dan niet kunstenaar ben. Ben ik een ander mens als ik aan het werk ben of met mijn lief in de zetel zit? Nee. Ik ben altijd wel ergens dezelfde, dus ja, ik ben er altijd mee bezig.
Dolly: Nee, zeker niet in het creëren, je werkt vanuit jezelf, zo niet kan je niets waarachtigs brengen. Nu droom ik letterlijk Honger, zolang het niet af is zit dat in elke porie van mijn lijf.
Hilde: Kan je ons heel kort ‘teasen’? Waarom moeten de mensen naar Honger komen zien?
Elke: Het is een proces van twee gedreven mensen, het is het resultaat van hard werken.
Dolly: Kom kijken, het is één grote verassing !
Hilde: Doen we zeker!
Gent, 18 februari '09.
Elke Boon en Dolores Bouckaert spelen op 26, 27 en 28/03/09 in CAMPO victoria, Gent. Ze werden gecoacht door Charlotte Vanden Eynde en Kurt Vandendriessche.
www.campo.nu
www.elkeboon.be
www.myspace.com/maryandmemusic
www.salon-d.be