Gesprek met Jan Hoet


Interview met Jan Hoet, Gent, maandag 29 en dinsdag 30 juli 2012.

Aangezien Jan Hoet in het ziekenhuis ligt en ik niet té diep wou doorbomen over alles, is het een gewoon fijn eenvoudig rustig gesprekje van man tot man geworden. Ik heb het gesprek dan ook in zijn oorspronkelijke staat gelaten, omdat dat het dichtst staat bij ‘Jan Hoet + Hilde’.

(Ik had dit gesprek voorbereid naar aanleiding van zijn expo 'Sint-Jan' in de Sint-Baafskathedraal te Gent, maar wegens gezondheidsredenen hebben we het het gesprek moeten uitstellen)




Hilde Van Canneyt: Hallo Jan, ik ben ongelooflijk blij dat je zo hard gestreden hebt om hier nog onder ons te zijn! Blijf nog maar wat bij ons voor een tijdje!
Om met de deur in huis te vallen: geef je graag interviews?
Jan Hoet: Ik heb al héél veel interviews gegeven en ik heb dat eigenlijk altijd graag gedaan.

HVC: Welke vraag hebben ze je nog nooit gesteld in een interview?
JH: Hilde, wat een moeilijke vraag.

HVC: Hebben ze je ooit gevraagd wat je lievelingsbloem is?
JH: Ik zie héél graag heidebloemen, rode heidebloemen.

HVC: Wat is jouw lievelingsdier?
JH: Een paard.

HVC: Nog ééntje om het af te leren: wat is jouw lievelingsgerecht?
JH: Gegratineerde hamrolletjes met witloof in kaassaus en puree.

HVC: Hoe maak je je spaghettisaus?
JH: Gehakt, tomaten, uien…

HVC: Ik vond het zàlig om te lezen dat ‘de Gentenaar’ bovenaan jouw woorden kopte: “Ik wilde nog niet sterven, ik heb nog veel te veel werk!” Maar – en gelukkig maar – las ik dan in het interview dat het toch vooral voor je familie is dat je gevochten hebt als een leeuw.
JH: Dat is waar.




HVC: De kunstwereld – (min) Jan Hoet: zou dat een aardverschuiving betekenen?
JH: Eerst en vooral moet ik mij situeren in de tijd van sommige pioniers. Je kan me daar niet buiten plaatsen. Je hebt Johannes Cladders, Kasper König, Rudi Fuchs, Karl Rührberg, Pontus Hultén, enz… Zij hebben dat uit zichzelf gevoeld, zij hebben nooit gestudeerd voor tentoonstellingsmaker. Als ze ergens een schilderij ophingen, dachten ze daarbij aan de kunstenaar en aan het publiek. Dat is een heel andere generatie. Vandaag is alles afgemeten en gecalculeerd: alles is network. Ik vind netwerken oppervlakkig. Wat is een netwerk voor mij? Als ik die tentoonstelling maakte - samen met Hans Martens - voor Sint-Jan, dan liep ik rond in de Sint-Baafskathedraal in Gent en zag ik voor mij een kapel die ik direct zag als de perfecte plaats voor een specifiek werk van Thierry Decordier. Dat zijn de linken die ik leg.

HVC: Bestaat vriendschap in de kunst?
JH: Dat is toch iets moeilijks. Ik denk dat ik weinig échte vrienden heb. Ik ben nogal vrijgevochten. Ik voel vooral spanning en concurrentie tegenover mij bij de jongere generatie. Bij de oudere generatie heb ik dat probleem niet. Ik heb met Karel Geirlandt – mijn voorganger in het S.M.A.K. - tot de dood een goede verhouding gehad.

HVC: Voel je dat er sommigen je van je troon willen stoten?
JH: Ja natuurlijk! (hij noemt namen, maar ik hoor, zie en zwijg wijselijk… ,red)

Tegenwoordig zijn museumdirecteuren zoals bankieren: ze komen naar de bank met de sleutel, openen de bank en op sluitingsuur zijn ze weer weg. Ze hebben geen échte passie meer.
HVC: Je hebt veel medestanders, maar je hebt ook bakken kritiek over je heen gehad. Hoe ging je daar mee om? Daar moet je toch supersterk voor in je schoenen staan. Ik ben met jou vergeleken een echt watje.

Als Frans Boenders mij vroeger bekritiseerde, wist ik dat dat een soort spel was om me uit te dagen. Hij was ook diplomatisch. Ik kon daar wel tegen. Of ik wakker lag in bed van de anderen die me neermaaiden? Nee, dat interesseerde me niet..
HVC: Want je durft ook stout zijn door bijvoorbeeld namen te noemen. Zelf heb ik dat niet in mij. In een interview met Luc Alloo zeg je ergens: “Met diplomatie en zachtheid kom je nergens. Dan verstik je. Je moet zeggen waar het op staat en durven heilige huisjes neer te halen.” Ik durf dat niet… ben ik dan zwak?

JH: Natuurlijk. Hoe oud ben je eigenlijk, Hilde?
HVC: (fluistert hem haar leeftijd in, red)

JH: Je bent nog zoals de vrouwen van vroeger Hilde: braaf.

HVC: Help me om stouter te worden! Geef me tips Jan!
JH: Je zou dat kunnen doen met een vraagteken, ondervragend… Niet zeggen: “Dat is slecht!”, zoals ik gedaan heb, maar gewoon genuanceerder.

HVC: Als je alles zou overdoen, zou je de dingen genuanceerder zeggen? Want je hebt namen gemaakt en gekraakt door je openhartige uitspraken.
JH: Ja, dat zou ik doen. Bij sommigen toch. Al bepaal je je positie door een stelling in te nemen over een kunstenaar. Je bepaalt je identiteit doorheen de kunstenaar. Maar in principe hoeft een kunstenaar niet ondersteund te worden. Veel jonge curatoren denken dat ze er zijn om de kunstenaars te ondersteunen. Maar dat is hun probleem. Van Gogh zou het een vernedering gevonden hebben om ondersteund te worden. Of Paul Gauguin, Edgar Degas, Claude Monet, Constant Permeke…

HVC: Wij moeten het ook zelf doen.
JH: Inderdaad.

HVC: In interviews met jou komt ook veel terug dat je geld niet belangrijk vindt.
JH: Ik heb tien jaar in stations geslapen als ik op reis ging naar één of andere kunstbeurs. Waarom? Omdat ik geen geld had. En ik wilde het absoluut zien. Ik wilde James Lee Bayers zien, en ik ging er naartoe. Van mijn 39 jaar tot mijn 49 jaar. Ik was toen al directeur!

HVC: Als je arm bent, moet je inderdaad creatief zijn.
JH: Creativiteit gaat veel gepaard met de mogelijkheden. Veel mensen zien de mogelijkheden niet, en zijn dan ook niet creatief.

HVC: Wat is kunst zonder geld?
Nochtans heb je met Sint-Jan – het nevenproject van TRACK – wel bewezen dat het kan. Al ken ik er het fijne niet van.
JH: De kunstenaar is tegelijkertijd heel ver en heel dicht. Tijdens het maken van Sint Jan voelden ze heel dichtbij.

HVC: Wat is altijd je sterkte geweest als curator? Wat had – en heb – jij meer dan de rest? Want ik denk niet dat er tussen hier en 25 jaar een nieuwe kunstpaus opstaat.
JH: Dat komt uit de behoefte om te krijgen van de kunstenaar wat hij te geven heeft en de behoefte – zelfs absolute noodzaak –  om dat naar een publiek te brengen. Ik wil niet dat ik alleen sta in de wereld om iets goed te vinden. Ik wil dat tonen. Ik wil dat delen. Ik heb dat zelfs gedaan in de Culturele Kring. Mensen die van kunst niets kenden, toch proberen warm maken. Ik herinner me dat ik Richard Tuttle – die kunstenaar met zijn lijntjes - verdedigde.

Ondertussen worden we tot de scan gereden en zitten we even later in een andere ruimte te wachten voor een scancontrole… waar we het gesprek verderzetten…




HVC: Hoelang ben je nu al gestopt met roken?
JH: Negen weken.

HVC: Hoe anders ziet het leven er anders uit mét sigaret of zonder?
JH: Ik mis het niet. Er is geen verschil.

HVC: Dan had je 50 jaar vroeger kunnen stoppen met roken.
JH: Dat had beter geweest. Maar ik heb er ook van genoten hoor. Het is ook een bezigheid hé.

HVC: Was jij iemand die veel dronk? Ik denk niet dat je daarmee ooit in de krant hebt gestaan…
JH: Niet echt. Vroeger heb ik af en toe wat gedronken, maar niet tijdens het werk.

HVC: Ergens zeg je: de vergankelijkheid moet je erkennen. Ook in de kunst? Want we hebben de neiging kunstwerken eeuwig te willen behouden.
JH: Dat is inderdaad een moeilijk vraagstuk.

HVC: Wanneer moet je kunnen zeggen: het kunstwerk is op.
JH: Wanneer het verdwijnt doorheen de geschiedenis. Denk maar aan al die crypten en kerken en beelden die verdwenen of vernietigd zijn. Wat je wel ziet, dat ze de heel grote beelden niet vernietigden, dit om te kunnen overleven. Of denk aan de Venus van Milo: zoveel keren gebroken, maar toch zit daar nog alle kracht in.

HVC: In je boek ‘Op weg naar Documenta IX’ van Matthias Matussek uit ’91, zeg je: “Ik weet niet wat kunst is. De kunst zal ons vertellen wie ze is. Ik niet. Ik kan alleen maar een ticket voor de ontdekkingsreis aanbieden.”
Weet jij trouwens wat kunst is? Ik ben er nog niet uit. Heb jij een idee wat ‘een kunstenaar’ is? Zie je dat in de ogen?
JH: Soms wel. Weet je, er is onlangs een wereldrecord gebroken door iemand die niet ziet. Puur 100% intuïtief. Fenomenaal toch? Wel, dàt is het.

HVC: Ik weet dat je het niet zo hebt voor de Canvascollectie, maar ik was daar soms jurylid. Een criterium om een ‘kunstenaar’ te verkiezen, was voor mij toch dat de persoon, wat hij te vertellen had én het kunstwerk natuurlijk, alle drie tezamen, klopte.
JH: De Canvascollectie is zo democratisch, ik kan dat niet verdragen. Maar wat jij vertelt is theorie.

HVC: Heb jij dat nooit dat je een kunstwerk goed vindt, maar de persoon in kwestie ‘een eikel’ vindt?
JH: Dat gebeurt hé. Ik denk dat iedereen dat gevoel had toen hij Van Gogh zag: dat moet een vreselijke mens geweest zijn. Of Gauguin… dat waren geen gemakkelijke mensen.




HVC: Heb je al ooit Absint gedronken?
JH: Jaja. Dat is straf hé.

HVC: Ik wil dat ooit wel eens drinken: misschien als ik eens een moeilijke kunstenaar ga interviewen. (knipoogt)
Je zegt ook ergens: “Het leven is een schommel. Ik zoek altijd een tegenpool, na de ronde van Frankrijk, een kermiskoers.
JH: Dat is inderdaad altijd zo geweest.

HVC: Dan mag je nu nog een expo doen in een klein kapelletje als tegenwicht voor ‘Sint-Jan’. (knipoogt)
JH: (lacht)

HVC: Je zegt ook ergens: “Ik ben niet Hegel, ik ben niet Kant, ik ben veeleer Hölderlin.”
JH: Hölderlin was schrijver, maar evengoed een psychiatrisch patiënt.

HVC: Jij hebt geen rare kantjes op dat gebied, lijkt me. Je lijkt me heel gezonde hersenen te hebben.
JH: Dat is waar. Maar doordat ik opgegroeid ben in Geel tussen de psychiatrische patiënten, heb ik er een goed oog voor en beheers ik dat ziektebeeld.

HVC: Nog een uitspraak van jou: “Toegeven, je kan geen vat op mij krijgen.”
Daarom dat mensen geboeid blijven door jou, denk ik. Ze kunnen geen stempel op je drukken. Sommigen kunnen daar ook niet goed tegen: het wekt jaloezie op.
JH: Dat komt ook omdat ik mij verspring naargelang de kunstwerken die ik zie. Daardoor waait er een soort wind door mij.

HVC: Ik las in de krant dat je – als je uit de kliniek bent – je je graag zou afzonderen en schrijven over kunst. Heb je nog niet alles gezegd?
JH: Ik heb veel gezegd, maar nooit écht precies alles uitgelegd. Of ik dat op de pc doe? Neen, ik schrijf altijd alles uit op papier.

HVC: Je wilt nog een écht boek schrijven: zitten en schrijven.
JH: Ik moet dat wel buiten de stad Gent doen.

HVC: Joseph Beuys zei: “Iedereen kunstenaar.” Ben je daarmee akkoord?
JH: Neen. Impotentie, dat zie je veel!

Na de controle…

HVC: Twintig jaar geleden zei je: “Mocht ik vandaag beginnen schilderen, dat zou genieten zijn! Maar als je daar niets aan toe te voegen hebt, is het geen kunst.
JH: Ja, voilà.

HVC: Je zei toen ook: “In de kunst staat handwerk niet meer op de eerste plaats. Het denken, het zijn, is belangrijker geworden dan het handwerk. “Je pense, donc je suis.” Gevolg: de kunstenaar met de rijkste gedachtewereld, wint. “
Hoewel Michaël Borremans evengoed voor zijn handwerk ‘bewonderd wordt’.
JH: Ik weet het niet, want de best geschilderde werken van Borremans, zijn daarom niet de beste werken. Ah ja!

HVC: In Sint-Jan heb jij zijn video getoond. Op de stadstentoonstelling TRACK toonde hij zijn sculpturen voor het eerst.
JH: Zijn video’s zijn zo puur! Ook de keuze van het meisje… prachtig! Het blijft 100% Borremans.

HVC: Ik kan nog niet goed in de sculpturen van Borremans komen, maar dat kan ook aan mij liggen. Hij weet het al hoor.
“Kunstenaar is geen beroep”, zei je ooit. Anders zou je minder streng op hen zijn. “Het is een gave die van bovenaf wordt opgedrongen”, zei je.
JH: Dat klopt. Het is een ‘zijn en genade’.

HVC: Nog enkele uitspraken waaraan te merken is dat je ‘kunst niet kan vangen’: ”Het aanvoelen komt voor het kennen.” “Ik verzamel met mijn intuïtie.” “In kunst gaat het om risico’s.” De grootste eigenschap in een kunstwerk is ‘toeval’. Ik las ergens nog dat Nietzsche zei: “Kennis kan belastend zijn.”
JH: Volgens mij komt de theorie achteraf. Maar de mensen hebben daar niet veel aan: ze verlangen dat je weet en kan uitleggen waarom je dat een echt goed kunstwerk vindt.
Goede kunst… wat is dat? Het blijft een goede vraag.

HVC: Wat is voor jou het verschil in schoonheid tussen de mens en de kunst?
JH: In de mens is schoonheid een altijd terugkerend gegeven. Dat gaat in golven. In de kunst is het iets dat er plots is.

HVC: Er zijn weinig kunstenaars die constant schoonheid bieden.


The day after: 10.30 AM

HVC: Ik ben héél traag ’s morgens. Sta je vroeg op of heb je je slaap nodig?
JH: Ik slaap mijn zeven uren. Al kon ik vroeger wel met minder slaap, nu niet meer.

HVC: Hoe was het om museumdirecteur in MARTa in het Duitse Herfort te zijn? Geen spijt van?
JH: Zeker niet! Nu is het er wel schoolser met mijn opvolger, maar het is goed opgevolgd door Roland Nachtigäller. Hij was mijn assistent in Documenta.

HVC: Vertel eens wat jij in het roddeltijdschrift ‘Dag Allemaal’ deed? Hoe ben je daar terechtgekomen? Je schreef daar een tijdje een column..
JH: Dag Allemaal heeft me dat gevraagd. Niet dat dat zo formidabel is, maar ja… Ze hebben me wekelijks gebeld en me uitgehoord over een onderwerp en dat dan zelf uitgetypt. Zo vroegen ze me bijvoorbeeld: “Wat denk je over Wendy Van Wanten?”.

HVC: Oh fijn, ik zoek ook mensen die alles uittypen, dat zou alles vergemakkelijken! Controleer je dan achteraf wat ze er van gebakken hebben?
JH: Neen.

HVC: Heb jij je veel  opgesloten om te schrijven?
JH: Soms moest dat wel hé.

HVC: Want je wordt er soms niet blij van hé.
JH: Neen.

HVC: Vond je dat dan niet hard?
JH: Ja, natuurlijk. Maar je moet het doen hé. Ik heb soms niets anders gedaan.

HVC: Heb je je soms eenzaam gevoeld? Lonely at the top?
JH: Daar heb ik niet zoveel last van gehad.

HVC: Kunstenaars hebben daar meer last van.
JH: Inderdaad.

HVC: Is de ijsemmer die je over je hoofd kreeg van Joyce Troch de koudste douche die je ook kreeg?
JH: (lacht)

HVC: Vind je dat je zo nog emmers over je heen moet krijgen? Eventueel van kunstenaars die je op de teen getrapt hebt?
JH: Neen, dat is niet nodig.

HVC: Zijn er dingen of uitspraken waar je spijt van hebt?
JH: Dat hoort bij het leven hé. Op tijd en stond moet je dat rechtzetten.

HVC: Jij hebt waarschijnlijk veel kunstenaars de hoogte zien ingaan als een speer en weer even snel zien neerdalen. Is de beste carrière een trage en gestage opwaartse carrière?
JH: Jimmy Durham of Joseph Beuys, dat zijn grote kunstenaars.

HVC: Kunstenaars die tot de dood doorgaan, zijn dat mensen die het leven anders niet aankunnen zonder kunst maken? Of daar troost in vinden?
JH: Het is tegelijkertijd een bewijs dat de kunstenaar, kunstenaar blijft. Maar stoppen zoals Panamarenko is even goed.

HVC: Is kunst voor jou ook een vluchtweg?
JH: Neen, het is geen vlucht.

HVC: Hoe we gisteren die artsen bezig zagen… op dat moment lijkt kunst gewoon ‘luxe’.
JH: Een luxe is ook niet waar. Bij een dokter, is het altijd de patiënt die iets vraagt. Hij is daar afhankelijk van. Hij kan niet anders dan antwoorden. Een kunstenaar heeft niemand. Niemand wacht er ook op. Hij moet alles zelf ondernemen. Dat is geen luxe.

HVC: Eén van je grootste ontgoochelingen is dat de politiek nooit heeft ingezien wat kunst voor de maatschappij betekent.
JH: Natuurlijk hebben ze gefaald. Ze zien alleen het nut van de kunst. Het nutteloze zien ze niet. Ze hebben het moeilijk met het nutteloze om te gaan. Met een schilderij kan je niets doen hé. Je kan het alleen maar verkopen. Het helpt hen alleen maar met hun verkiezingen. Dat is ook zo bij toneel: sommigen gaan wel graag, maar de meesten gaan omdat ze een mooi gratis plaatsje op de eerste rij krijgen waar ze gezien worden.

HVC: Jij hebt als contra-zet ook nog even met je hoofd op een affiche van de CVP gestaan…
JH: Ik was verkozen, maar ik heb dat niet voortgedaan. Burgemeester Beke met schepen van cultuur Dany Vandenbossche zijn toen bij mij geweest. Ze vroegen: “Wat ga je doen?” Ik zeg: “Wat jullie beslissen. Als jullie beslissen een museum te maken, dan stap ik uit de politiek.” Ze zeiden: “Het is goed, je hebt je museum.”

HVC: Ben je ijdel?
JH: Soms wel… zeker als een expo goed gelukt is, dan ben ik trots.

HVC: Ben je ijdel op uiterlijk vlak? Je bent toch een mooie man…
JH: Neen.

HVC: Je draagt een hippe blauwe bril…
JH: Dat wil toch niets zeggen…

HVC: Heb je innerlijk of uiterlijk complexen?
JH: Neen, niks.

HVC: Heb je al je tennismatchen gewonnen?
JH: Dat nu ook weer niet. Ik zie er nog altijd van af dat ik die tentoonstelling van de Amerikaanse James Lee Byars niet heb kunnen maken. Ik had dat voorbereid en hij was hier een maand in Gent geweest. Ik had dan een budget opgesteld en van ‘het stad’ zeiden ze dat het niet kon. Ik had graag aan die kunstenaar mijn naam verbonden. Mijn naam is altijd verbonden geweest aan Joseph Beuys, Panamarenko, Marcel Broodthaers, Mario Merz…

HVC: Wat is het krankzinnigste voorstel dat men je ooit gedaan heeft?
JH: Toch James Lee Byars… maar het mocht niet zijn. Zo gingen we heel de ruimte van het MSK – waar toen ook het hedendaags deel gevestigd was – beschilderen met lippenstiften.

HVC: Welke vraag hebben ze je het vaakst gesteld?
JH: Dat kan ik je niet zeggen zulle meiske. Dat is een vré vraag ze.

HVC: Is onderstaande nog altijd hetzelfde? Ik vermoed dat dit lijstje ook al twintig jaar oud is.
Thuisstad = Gent
Lievelingsstad = Praag
Lievelingsmuziek = Brahms
Mooiste kunstwerk = Alle werken van Vermeer
Mooiste vrouw = De madonna op het Lam Gods retabel.
JH: Dat klopt nog altijd. Daar is niets aan veranderd. Ik stel ook vast dat veel kunstenaars – ondanks ze veelal pionier zijn – ook enorm conservatief kunnen zijn.

HVC: Als je leven een film was, wat zou dan de titel zijn? ‘Jan Hoet de veroveraar’?
JH: Mijn leven heeft veel met ontdekken te maken. Laten we er ‘Jan Hoet de ontdekker’ van maken.

HVC: Wat is in het echt je lievelingsfilm?
JH: ‘Hiroshima, mon amour’ van Alain Resnais. Igmar Bergman is ook heel goed.

HVC: Wat is je lievelingslectuur?
JH: Dat is lang Hugo Claus geweest. Ook Marguerite Yourcenar uit Noord –Frankrijk. Paul Auster…

HVC: Paul Auster zegt: “Ik ben ervan overtuigt dat alle kunstenaars op één of andere manier pijn met zich meedragen.”
JH: Dat is natuurlijk waar. Dat is een tunnel. Elke kunstenaar zit in die tunnel en ze moeten telkens weer dat licht ontdekken in hun werk. Maar sommigen zijn zo groot geworden, dat ze die pijn overwonnen hebben.





HVC: Heb je ooit gesport? Ah ja, mijn frank valt: boksen!
JH: Ja, maar dat was maar tot mijn 21 jaar. Ik was tot mijn 35 jaar keeper in de voetbalclub Thor Ganda Sparta.

HVC: Wat is je favoriete voetbalploeg?
JH: Real Madrid.

HVC: Ik las wederom ergens, dat het je fijn leek om pianist te zijn, omdat dat een goede manier is om te vluchten uit het leven.
JH: Piano spelen zou inderdaad een vlucht geweest zijn.

HVC: Is kunst ook een manier om te vluchten van het kleffe dagdagelijkse leven?
JH: Neen, toch niet. De kunst was een bezit. Een identificatie voor mezelf en de wereld.

HVC: Je noemt jezelf vaak een deugniet.
JH: Dat klopt. Ik ben nog altijd deugnietachtig.

HVC: Wat denk je over Facebook?
JH: Ik ben daarmee begonnen, maar ik ben ermee gestopt. Dat is niet te doen. Je kan je daar niet mee bezighouden.

HVC: Voor mij is dat rock’-n-roll achter de pc.
JH: Dat houdt inderdaad niks in, totaal inhoudsloos.

HVC: Heeft de opkomst van de computer veel veranderd voor jou?
JH: Ik heb weinig een pc gekend. Dat was altijd contact zoeken en dan telefoneren. Zo ging dat. Dat zat allemaal in ons koppie. Je stond ook dichter bij de mens. Zo zal ik bijvoorbeeld nooit vergeten dat ik in het atelier van Mario Merz, Ettore Spaletti of Gilberto Zorrio was…

HVC. Mij lijk je een volksmens. Als je lang alleen bent, begin je dan te piekeren?
JH: Dat weet ik niet. Ik ben weinig alleen. Ook hier in het hospitaal pieker ik niets. Denken doe ik veel, maar niet negatief denken.

HVC: Dan ben je een positieve mens.
JH: Jaja, daar ga ik van uit. Ik ben niet veel ongelukkig geweest.

HVC: Wie zijn altijd je klankborden geweest?
JH: De mensen die op dat moment bij mij stonden.

HVC: Wat doe je dan met die messen in de rug? Dat is toch rot?
JH: Je moet je schapen tellen, Hilde. Je moet zien dat er altijd een evenwicht tussen negatief en positief. Je moet zien dat je altijd nog wat schaapjes over hebt. Ik heb dat nu gevoeld met Sint Jan: ik voelde hoeveel mensen achter mij stonden.

HVC: Wat zijn voor jou de goede galeries in België?
JH: Meert-Rihoux gallery , Almine Reich, Gladstone gallery, Baronian gallery,…

HVC: Er is wel veel snobisme in de kunst…
JH: Ik vroeg een Belgische kunstenares om mee te doen aan Sint-Jan, maar haar reactie was: “Maar Jan, is dat wel goed voor mijn carrière?” Ik zei: “Jongske, het is al gedaan, ge moet er zelfs al niet meer aan peinzen.”

HVC: Wat denk jij – als vooruitstrevend persoon - over dat nieuwe ding dat ze gezet hebben tussen de Sint-Niklaaskerk en het belfort in Gent?
JH: Ik vind het erg. Ik versta het niet goed van Robrecht. Ik vind dat echt spijtig.

HVC: Ik had het liever ergens anders zien staan. Voor mij is dat een overbodige luxe-ding in de oude binnenstad van Gent. Met alle respect voor de architecten.

HVC: Waren er soms dutskes in de kunst, waarvan je dan achteraf verschoot dat ze toch plots hoge toppen scheerden? Of ziet dat karakter er meestal al van jongsaf in?
JH: Jaja. Ik zie dat ook in de helderheid waarmee ze kijken.

HVC: Ik durf wedden dat jij bijna nooit gezegd hebt: “Ik ga naar mijn werk.”
JH: Nooit.

HVC: Heb je je soms als een BV gedragen?
JH: Nee nee.

HVC: Bij het grote kunstminnende publiek ben je bekend geworden met Chambres d’Amis in Gent.
Maar je bent echt bekend bij iedereen, ook de man in de straat. Dat komt denk ik omdat je je nooit als een snob gedragen hebt, denk ik.
JH: Dat klopt.

HVC: Voel je je nooit bekeken op straat?
JH: Enorm.

HVC: Wat moet een mens doen om een goed mens te zijn?
JH: Autoriteit opzoeken. Uw autoriteit en identiteit.

HVC: Je zegt ook dat je elke dag opnieuw begint. Stel dat je nu – na je ziektebed – je geheugen kwijtgeraakt was en je opnieuw moest beginnen: welke kunstenaar of kunstwerk zou je dan graag voor de eerste keer willen (terug)zien.
JH: Een werk van El Greco. Philips De Goede wilde ze niet, daarom zijn ze naar Toledo gegaan.

HVC: Stel dat je vijf dingen mag meenemen naar een onbewoond eiland…
JH: Vooral boeken dan… en een schilderij van Marlene Dumas, Michaël Borremans, Luc Tuymans en een werk van Beuys.  

HVC: Hoe word je graag beschreven?
JH: Als iemand die gedreven is.

HVC: Je gelooft dat er overal energieën zijn van andere – en overleden - mensen. Ik las dat je gelooft in het leven na de dood. Eigenlijk ben je niet zo bang van de dood.
JH: Neen. Ik zeg nu ook niet dat ik in de eeuwigheid van de dood geloof. Daar geloof ik niet in. Ik geloof in het leven erna…

HVC: Wat zou je later – maar eerst moet je honderd jaar worden! – op je grafschrift willen gekerfd zien? ‘He did it’?
Ik wil bij mij dat er gewoon opstaat: ‘Ze wou een goede vriend zijn.’
JH: Ik wil dat er staat: ‘Liefde breekt nooit af, zelfs niet na het overlijden.’

HVC: Oooh, dat is mooi gezegd!



Hilde Van Canneyt, copyright 2012.

statcounter