Interview met Hans Klein Hofmeijer


Interview met Hans Klein Hofmeijer (Nl °1957), Oostelbeers.

Op zondag 13 mei '18 verschijnt in De Pont Museum, Tilburg, ‘Artefact’ nr.953- Gapingen van mijn geest. Een zeer omvangrijke, 416 tellende, nieuwe boekuitgave van Hans Klein Hofmeijer.





Ik ontmoet Hans Klein Hofmeijer in zijn atelier te Oostelbeers. (Noord-Brabant)

‘Ik heb nog nooit één penseelstreek op linnen of papier gezet voor een ander.’
                            




Uw atelier - uw zelfgenoemde ’tweede schedel’- is verre van een white cube. Lukt het u niet om zonder cocon rondom u te werken?

‘Neen. Ik heb die hoeveelheid informatie, al die invloeden en afzondering nodig. Ik krijg dat allemaal niet in mijn hoofd: mijn harde schijf is vol. Daarom heb ik in het atelier graag veel om me heen. Ik zie het echt als een uitbreiding van mijn harde schijf. Vandaar mijn zogenoemde ‘tweede schedel’







Zelfs toen u een week te gast was in museum van Bommel van Dam in Venlo, bouwde u uw ‘Kunstnest’ na.

‘Ik werd gevraagd om mee te doen aan het project Liveateliers. Veertien kunstenaars werden uitgenodigd om telkens afzonderlijk één week in een museumzaal te werken. Het kostte me anderhalf jaar om tot een besluit te komen en er een concept voor te vinden. Uiteindelijk heb ik een vrachtwagen laten komen die een deel van mijn atelier heeft meegenomen. Ik liet vier muren in het museum zetten die een soort van cirkel vormden; elke muur op ongeveer een meter afstand van de ander. Ik zat als het ware in een arena – een kunstnest – en het publiek had de keuze om er omheen te lopen, vanuit de openingen toe te kijken óf de arena betreden om een gesprek aan te knopen. In feite was het hele instituut ‘museum’ weg en had ik mijn eigen zekerheid meegenomen.’











Terug naar Oostelbeers. Gaat u doorgaans na het ontbijt linea recta naar uw atelier? Naar ik las heeft de ochtendstond altijd goud in de mond, dán gebeurt het namelijk voor u.

‘Ja, dit kleine tafeltje is de plek waarop het gebeurt. Uiteindelijk heb ik maar een klein plekje nodig om te creëren, al ben ik momenteel omgeven door een serie grote schilderijen waar ik al enkele jaren aan werk in een onhedendaagse traagheid.’


U bent destijds begonnen als maker van louter abstracte beelden.

‘Ik studeerde in de tijd van het fundamentele schilderen. Denk daarbij vooral aan kunstenaars als Robert Ryman en Agnes Martin. Langzaam maar zeker raak je verwijderd van die invloeden en is mijn werk naar het persoonlijke gegroeid. Dan raak je sowieso van die abstractie af.’

Waren uw werken in eerste instantie enkel zwart?

‘Ik heb na de academie, tien jaar lang, alleen maar zwarte werken gemaakt. Voor mij zaten toen alle kleuren in het absorptievermogen van zwart. Alleen was wát er in zat, voor de aanschouwer niet zichtbaar. In eerste instantie is daar toen maroon - die bloedrode kleur - uitgekomen, alsook het vergeestelijkte blauw. Dat waren mijn eerste kleuren en die zijn een rol blijven spelen.’

Hebben kleuren bij u ook een andere, diepere laag?


‘Het gaat me ook om de betekenissen die je specifiek aan het beeld kunt geven. De inktman is eigenlijk het lijdensverhaal én de sterk symbolische geschiedenis van Icarus in één beeld. Doordat het daadwerkelijk een realistisch beeld is dat in feite alleen maar in je geest bestaat, is dat verwezenlijkt in het vergeestelijkte blauw. Het rood gebruik ik alleen als een vertaling van het fysieke en het lichamelijke.’







U werkt ook aan grote doeken, waarvan sommige nog work in progress zijn en waarin het lichamelijke een hoofdrol vertolkt.

‘Het gaat om dat zélf lichaam en zélf die huid zijn. Dit is geen verwijzing naar een realistisch beeld: het is de mens, de kunst zelf. En de aanraking van de huid is één van de meest intieme handelingen tussen mensen, de meest pure vorm van communiceren. De thematiek in mijn hoofd werd zó groot, daarom besliste ik op een gegeven moment: ‘Ik ga het doen’. Zodoende spande ik een aantal mensgrote doeken op en kocht een berg olieverf. Na het uitvoeren van een opeenstapeling van handelingen wordt het schilderij zelf huid en begint de intimiteit van het communiceren. Je moet het je niet verbeelden. Het moet het zíjn. Alsof je iemand fysiek aanraakt.’

U noemt deze serie grote werken bewust Human Paintings?

‘Beeldende kunst is een fantastisch medium om heel dicht bij privé-gevoelens te komen. Daarom heten deze doeken Human Paintings. Ik heb ze ook heel klassiek ingekaderd. Ik maak mijn werk ín de lijst, waardoor de sporen van het proces zichtbaar blijven, want het is een fysiek gevecht. Een beeld is geen clean iets: het wordt gemaakt én veroverd door de maker.’




Is het uw betrachting om leesbare beelden te maken?

‘Ik blijf dat een ingewikkeld terrein vinden dat ik zelf altijd benoem als de zachte kracht van de kunst. Het maken van kunst is een heel intimistisch privé-gebeuren. Het aanschouwen van kunst is dat evenzeer. Ik weet niet wat er in jouw hoofd afspeelt als je naar mijn grote schildersdoeken kijkt. Dat is op dat moment ook nog volkomen privé. Pas als wij daar woorden voor gebruiken en dat deelbaar maken in een gesprek, kom ik erachter wat jij ziet of voelt. Juist dat privé-gedeelte voor de maker - want jij weet tenslotte niet wat mijn beweegredenen en gevoelens zijn als ik zo'n doek maak - áls voor de kijker, die ook op élk moment anders kan kijken op het gebeuren, is het interessant. Men kan er de betekenis aan geven dat het om lijden gaat of seksualiteit is, maar voor mij is het huid.’

Begrijpt men soms z’n eigen werk beter door de woorden van anderen?

‘Ik vind schilderen een prachtig medium om twee intimistische werelden bij elkaar te brengen: mijn zielenroerselen tezamen met die van de aanschouwer. Als dat een verhaal is dat elkaar raakt, heb je een dialoog en wellicht elkaar iets te vertellen. Het zijn natuurlijk beelden die zonder woorden zijn gemaakt. Mededeelzaamheid bestaat louter bij de gratie van het gebruik van woorden. Je moet verwoorden terwijl er mogelijkerwijs helemaal niets te verwoorden valt.’

Wanneer weet u tijdens het maken van werk: ‘Ik blijf er af.’?

‘Dat weet ik zelf niet echt. Misschien is binnen een jaar de spanningsboog op, mogelijk ben ik er over tien jaar nog aan bezig. Wanneer geeft het doek aan dat er nog iets moet gebeuren? Ik kan drie maanden naar mijn doeken kijken - ik noem dat ook ‘hedendaagse traagheid’ - tot een doek op een gegeven moment tegen me zegt: ‘Doe hier nou nog eens wat!’






U tekent daarnaast ook bijzonder veel. Uw tekeningen monden in het eindbeeld veelal uit in een organische vorm; bijna van amorfe tot erotische over dierlijke vormen en dingen die in ontwikkeling zijn ... Wanneer weet u/voelt u dat u moet stoppen?

‘Bij mijn zogenaamde concentratietekeningen heb je een energiepunt dat ergens begint. Op een gegeven moment gaat die hand maar door en stopt de tekening op het ogenblik dat mijn concentratie én de spanningsboog verslapt. Ik merk altijd meteen of een lijn te slap wordt, niet krachtig genoeg is of geen betekenis meer heeft. Dan houdt het scheppen pardoes op. Het maken van kunst is een neerslag van een concentratie van dat moment.’

Het zoeken naar een materiaal - omdat je tekening een kleur nodig heeft bijvoorbeeld – zoekt u wél in dat momentum?

‘Ja, zeker. Het ontstaan van de serie tekeningen de ‘wijnachtigen’ bijvoorbeeld, vond zijn oorsprong in een vergeten glas rode wijn van de vorige avond, dat nu als kleurstof zijn diensten bewees. Dat zijn de momenten dat er iets kan ontstaan. Alleen moet je ze toelaten.’

Werkt u er de dag erna op door of blijft het bij die ene sessie, want de gevoeligheid die u de ene dag aan hand legt, kan u de volgende dag niet meer op dezelfde manier oproepen, denk ik?

‘Precies. Daarom werk ik de volgende dag aan een nieuwe tekening. Die ziet er dan ook compleet anders uit. Zo niet ga je een product maken en wil je het bijvoorbeeld mooier gaan maken, omdat je nog iets mist. Een tekening biedt juist de mogelijkheid om heel direct en zuiver in het moment te zijn. Want je hebt geen hulpmiddelen nodig om een beeld te maken. Het is het directe verlengde van je voelen, je geest en je materiaal.






Laat u besognes makkelijk in de keuken achter?

‘Ja, maar ook de invloeden van sociale contacten en economische systemen. Je zou je daar allemaal aan moeten onttrekken. Zoals wijlen Jan Hoet zei: 'De positie van de kunstenaar is aan de rand der dingen.' Dat voel ik ook heel sterk. Als alle prikkels en ruis weg zijn, kom je in een soort leegte of vacuüm terecht. Daarin ligt dan de mogelijkheid dat er dingen naar je toe kunnen stromen die anders niet boven kunnen komen drijven. Op een gegeven moment kwam ik er achter dat die grote mate van afzondering voor mij heel goed werkte en ik daar de dingen vond die essentieel waren.’
Je ziet dat deze ‘tweede schedel’ ook het hebben van tijd en aandacht ademt - hier komt niet zomaar iedereen binnenlopen - maar ik ga ook soms naar een plek in Zeeland of in Frankrijk waar ik écht in afzondering ben.
Ik merk als je 24uur/dag dat vacuüm toelaat, je heel erg in je eigen beleving en je eigen tijd komt: dan doe je de meest zuivere dingen waarvan dan een x-aantal 'vondsten' bij zitten die je terug meebrengt. Hier in het atelier geven ze dan aanleiding om daar verder iets mee te doen. De essentie van het werk, vind je op dat soort momenten. Als je er eenmaal achter komt dat het voor jezelf zo werkt en functioneert, kan je dat opzoeken en manipuleren.’







Durft u ook dingen te vernietigen?

‘Durven wel maar doe het niet vaak Het is vooral de tijd die mee-schildert. Als ik na een verblijf elders een stapel tekeningen meebreng en ik op dat moment de betekenis nog niet kan omsluiten en ze nog geheimen bevatten, besef ik dat ik de tijd mee moet laten werken. En alles nog moet toelaten. Nu en dan blijkt zo’n tekening pas een jaar later op z’n plek te vallen. Dan openbaart zich ineens de gedachte: ‘Hé, híer ging het over!’

Wordt u nu en dan verrast door uw eigen werk?

‘Een tekening kan heel ver vooruit zijn op je denken of je voelen. De nieuwe dingen die je overdonderen, verrassen je ook serieus, want je kent ze niet. Het zijn tenslotte beelden die je nog nooit hebt gezien: je moet er zelf ook aan wennen. Als je ze door te kijken eigen hebt gemaakt, wordt het een beeld van jezelf.’

U lijst uw ‘geslaagd’ werk, na nummering, op in oude frames.

‘Ik gebruik kaders die het werk terugdringen in de tijd. Ik ben ook niet geïnteresseerd in het punt van de vernieuwing waar iedereen in de kunstwereld op uit is. Dat heeft niks met de inhoud te maken. Dan is vernieuwing zelf het onderwerp geworden. Een ingelijste tekening kan eruit zien alsof ie in 1920 is gemaakt. Ik zie dat zelf als een statement. Het is een soort tijdloze kwaliteit die erin zit, hoop ik.’







Dat de factor ‘tijd’ voor u een belangrijk gegeven is, ontgaat niemand.

‘Het nemen van tijd, ja, en zodoende wordt de dan stilstaande tijd, scheppend.
Als je enkel op zekere paden blijft, zal je nimmer op andere, nog niet bekende terreinen komen. Twijfel is een van de grootste verworvenheden van het kunstenaarschap.’

Wanneer is een werk goed genoeg om naar buiten te brengen?

 ‘Op het moment dat je iets kunt formuleren, heb je de betekenis van die vorm gevangen. Daar zijn dan letterlijk woorden voor gevonden. Ik weet nooit waarom ik een beeld goed genoeg vind of waarom ik beelden naar buiten zou willen brengen. In principe maak ik ze omdat ik ze maak. En dat doe ik al vijfendertig jaar lang. Telkens blijkt er weer een moment te zijn dat mensen mijn tekeningen en schilderijen in hun omgeving willen hebben. Maar daar worden de kunstwerken an sich niet voor gemaakt. Ik heb nog nooit één penseelstreek op linnen of papier gezet voor een ander.’

Hilde Van Canneyt

Foto's: Veerle De Smet











statcounter