Interview met John Körmeling

Interview met John Körmeling (NL1951), Eindhoven, winter 18

(Foto’s: Veerle De Smet)
Tussenstukken: mijn geschreven stuk voor ‘Het Atelier’ (Nederlandse tijdschrift Beeldenmagazine)




'Klep klep' staat er op de brievenbus van een groot wit rechthoekig huis te lezen. Körmeling doet open met een geel fluo mutsje op.
Dit was in 1880 café 'Het koffiehuis van de Veghelse schroefstoombootmaatschappij Eindhoven-Amsterdam'. Het lag ook aan de haven. Kolen werden hier aangevoerd. Er stond zelfs een gasfabriek. Hiertegenover was een bierbrouwerij. Dit café was dan om te proeven hoe lekker het was. (lacht) Er was ook een grote houtfabriek; er kwamen grote boomstammen binnen waarvan dan sigarenkistjes werden gemaakt. Sigarenfabriek Van Abbe was er ook gevestigd.
Dit huis is nog één van de laatste dat is overgebleven. Er is nog één fabriek, de rest is gesloopt. In de loop van de tijd was in dit gebouw een heel ruig café gehuisvest en eind jaren '80 was dit echt het wilde westen. Körmeling woont sinds 1975 hiernaast en toen dit in '88 te koop stond, heeft hij het gekocht. Niemand anders wilde het hebben, terwijl hij het net het mooiste gebouw vond. En, er is een grote tuin waar hij het naar zijn zin heeft. 





Na een volgestouwde rommelige gang te zijn doorgekomen, kan je rechts door een uitgehakt gat in de bakstenen. Het is een woning versus atelier gelegen aan het Eindhovens kanaal. Vanaf de eerste blik zien we een bont allegaartje en dat mag wel letterlijk worden genomen. Er is letterlijk geen centimeter onbenut gelaten. Gelukkig vinden we hem door de fluo muts makkelijk terug. 
Dit is hier zo'n intense kleurenparty die slechts door weinig andere ateliers zelfs maar benaderd kan worden ...
'Dit is voor mij de perfecte plek. Ik krijg heel veel zuiderlicht binnen. Ik zet mijn bureautafel hoe het me uitkomt.' En nadat hij het licht in zijn atelier heeft gezien en goedgekeurd, zet hij graag eerst een goed muziekje op alvorens aan te vangen.






Hilde Van Canneyt: Beste John, ik tref je hier in je kleurrijk atelier in Eindhoven.

Laten we met wat Belgenopmerkingen beginnen. In België kennen we je van je imposante werk Artiesteningang dat het begin van het Openluchtmuseum Middelheim in Antwerpen siert. Ook het werk van de Belgen zoals Guillaume Bijl, Bernd Lohaus, Kamagurka, Benjamin Verdonck, Koen Theys en Luc Deleu, bewonder je. Net als je Belgische geestesgenoot Luc Deleu, wordt ook jouw werk omschreven als ‘conceptuele architectuur’. Is die omschrijving te kort door de bocht?

John Körmeling: Om mijn werk te omschrijven: ik maak grote en kleine dingen. De vraag daarvoor komt meestal uit de kunst. Soms is het een beeld, soms een gebouw. Maar evengoed sokken. (lacht)




HVC: Merk je een verschil tussen Nederlandse en Belgische kunst?

JK: Ik ken meer Belgische dan Nederlandse kunstenaars, denk ik. Ik vind ze geweldig! Het verschil? Daar heb ik nog nooit over nagedacht. Het is me ook nog nooit opgevallen. Ik vind iets goed of ik vind het niks. En dat kan over een idee gaan of de vorm. Kamagurka bijvoorbeeld, die vind ik fenomenaal! Onvoorstelbaar wat hij doet! Voor mij is kunst zonder idee niks.
Sowieso wordt in België kunst meer gewaardeerd.

H: Humor ligt je blijkbaar wel. Maar kan een mooi schilderijtje je ook behagen?

J: Jawel, hoor. Het rode wolkje van Mondriaan bijvoorbeeld. Of hoe hij de toren van Westkapelle schildert. Dat vind ik ongelooflijk goed. Het is een en al kleur dat je ziet. Of Victory Boogie Woogie, waarvan ze beweren dat het niet af is. Maar hij is ermee gestopt, dus het is af! Of de landschappen van Jan Sluijters. Prachtig!

Hoe komen al die ideeën zomaar binnenvallen? Hoe moet ik me dat creatieproces, het produceren van die spitsvondigheden voorstellen?
'Vaak als ze me iets vragen, gaat de bal snel aan het rollen en denk ik al gauw: 'Dit wordt het!'. 'Maar meestal ben ik met dingen bezig waar niemand om vraagt. Ik ben meestal gewoonweg aan het rommelen en af en toe komt daar een vraag doorheen.' Inderdaad, daar komen dan bijvoorbeeld een reuzenrad voor auto's uit, in Leiden een kassahuisje, in Breda een theehuis en in Tilburg een ronddraaiend huis op een rotonde, alsook de ophaalbrug Den Ophef.
En ja hoor: hij schopte het al tot Shanghai! Zo bezochten ruim 8 miljoen mensen zijn 'Happy Street' op de Chinese World Expo 2010. Al zijn er ook veel plannen níet haalbaar, maar degene die hij verwezenlijkt, wil hij tot en met de uitvoering in de hand houden. 




H: Jij hebt ook een ‘wolkje’ gemaakt: De mooiste plek van Nederland volgens jou, getiteld Gat in de wolk, kortom: een wolk met een gat erin, Het is aangekocht door het M HKA in Antwerpen.

J: Je kan bouwen wat je wilt, maar als het regent, is het wel heel vervelend. (lacht) En het regent heel vaak, dus wat is er nog een mooiere plek? Een plek waar de zon schijnt, dus maakte ik een gat in een wolk. Een permanent gat in een wolk zou voor Nederland een oplossing zijn! Ik had het voor het eerst getoond in Madurodam. Dus had ik een wolk opgehangen, sterke lamp erop en er een mannetje ondergezet dat precies in de zon zat. Destijds hing dat werk op een beurs in Gent en Flor Bex, voormalig directeur van het Antwerpse M HKA, zag het en wilde het meteen hebben.

H: Laten we even rewinden. Kort nadat je je je studie bouwkunde had afgewerkt aan de Technische Universiteit in Eindhoven, zag je het al groots. 
Zo wilde je als het ware mobiele ateliers realiseren zodat kunstenaars bij wijze van spreken hun werkplek op verplaatsing konden meenemen.

J: Ja, dat is het project met laser op de Jan van Eyck academie in 1981/82. De maten van een nieuw gebouw dwars door het bestaande heen geconstrueerd. De gaten zitten er nog steeds in!

H: Je was verder op inventief vlak ook voor geen kleintje vervaardigd. Zo daagde je stedenbouwkundigen van 700 Nederlandse gemeenten uit voor een rechtstreeks ontwerp duel bij jou op de veranda. Of je bedacht een ‘museum-uitgangskaart’, waarmee je gratis naar buiten kunt. Of het sigarettenmerk ‘Verboden te roken’, dat als multipel in het M HKA te koop was.

Buiten is meer te zien dan in een museum. Iemand met een hondje aan de lijn is op zich al een gekke actie. Ik had voor een project een pijl gemaakt waarop ‘Gratis’ stond geschreven, en die pijl had ik tegenover het museum geplaatst richting de straat. Als je toch het museum binnenging, kreeg je een kaartje om er mee naar buiten te kunnen. (lacht)
Dat zijn allemaal tijdelijke dingen. Je bouwt even iets en dan wordt het weer afgebroken.











H: Eigenlijk ben je een luie kunstenaar, aan je kleine fijne interventies te zien? (knipoogt)

J: Op zich wel. Alhoewel: ik ben altijd met dingen bezig waar niemand om vraagt. En ik heb al helemaal geen idee of ze nuttig zijn. (lacht): platen, muziek, analyse van gebouwen of landschappen – hoeveel land je kan zien, of hoe het met de aardbol, de zon en de maan zit, enzoverder. Ik houd van tellen, wiskunde, ... (Legt vanalles uit, maar is niet voor mijn vrouwelijke hersenen besteed.) Ik ben eigenlijk altijd aan het rommelen en af en toe komt er gewoonweg een vraag doorheen. (lacht)

H: Heb je zo als een soort rechercheur zijnde, onmiddellijk van je kunst kunnen leven?

J: Neen. Toen ik studeerde had ik een baantje als studentenassistent en daarna heb ik tien jaar van een schoolverlatingsuitkering geleefd, alsook van afgekeurde schetsopdrachten. (lacht) Ik had ook niet veel nodig. Ik woonde hiernaast en betaalde 25 gulden in de maand. Ik wilde gewoon doen wat ik wou en dingen maken.






H: Ook het ontwerp van een auto stond al snel op je verlanglijstje, waardoor Vierkante auto  begin de jaren ’90 al snel het licht zag.

J: Die auto heb ik gemaakt toen ik voor het eerst wat geld verdiende. Ik had toen net de neon kroonluchter HIHIHAHA gemaakt voor de terminal in Schiphol.
Die auto was voor het eerst een project dat bleef bestaan. Mijn werk met lasers duurde maar 24 uur, Het allerkortste was een project in de De Appel in Amsterdam, dat maar een paar seconden duurde. (lacht) Het noemde Ontwerpmachine: tempexbolletjes met fosfor werden de lucht ingeblazen en nieuwe maten werden door de ruimte gespannen.




H: Met Pannenkoek, Hollandpan, eind jaren '80, bracht je je 'ode' aan de platheid van je landje.

J: Een maquette van Nederland, dat is toch een platte pannenkoek? De letters HOLLAND zijn in spiegelbeeld in de pan geslagen. Dus als je de pannekoek omdraait en op je bord gooit, lees je ‘Holland’.




H: Ook iets dat van jou is: Cloud: het meetingpoint, een hedendaagse kroonluchter in aluminium met ledlampjes in het centraal station van Rotterdam dat zou-moeten-twinkelen. De eerste van een reeks van 6 stationmeetingpoints.

J: Ja, een wolk die licht geeft en twinkelt … Helaas heeft Prorail het twinkel programma uitgezet: ‘Het is hier geen kermis!’, was hun uitleg.

H: Je hebt nog tál van projecten op je palmares staan waar we niet naast kunnen kijken. (Lezers, ga maar eens op internetzoektocht.)

J: Ik maak een model en een schets, vraag de constructeur hoe het gerealiseerd zou kunnen worden, en teken het uit in potlood. Voor veel projecten ga ik naar Moker in Boom en vraag hem ‘zoiets’ te maken en hij vliegt erin. Inclusief de aandrijving. Alles. Zo heeft hij bijvoorbeeld het draaiend huis gebouwd.

Een computergenie is Körmeling niet. Het liefst van al tekent hij zijn ideeën op in zijn schetsboeken en werkt hij ze met de hand uit. Want ook de berekeningen komen van zijn hand. 'Maar ik maak ook allemaal becijferingen waar niemand om vraagt', lacht hij. Met zijn manuele plannen trekt hij dan naar ingenieurs die verder de snelheid, kracht en vering berekenen, alsook zijn plannen digitaliseren. Of met nog grotere machines zijn ideeën tot werkelijkheid omtoveren. Je zou denken dat zijn esthetische cleane optrekken in een hip white cube atelier worden ontworpen, maar niets is minder waar. Zijn 'ontwerpbureau' spat kleurrijk en vormelijk langs alle kanten uiteen.






H: Hoe ben je tot Happy Street in Shanghai geraakt?
(Volgens wikipedia: Happy Street was het Nederlandse paviljoen op de wereldtentoonstelling van 2010 in de Chinese stad Shanghai. Het bouwwerk bestond uit een 450 meter lange rode straat in de vorm van het Chinese geluksgetal 8 waarover bezoekers langs een overzicht van de Nederlandse architectuurgeschiedenis konden lopen. Het gebouw werd in 2010 onderscheiden met de Dutch Design Award) 

J: Dit was voor het Nederlandse paviljoen in Shanghai in 2010. Er was een wedstrijd tussen OMA, West 8, UNStudio, Neutelings Riedijk, NL Architects, Marcel Wanders en ik. En ik heb ze met mijn plan verslagen! (lacht) Ik had uiteindelijk een heel simpel ontwerp. Het ging over stedenbouw; hoe je er een beetje leven kon hebben. Simpeler kon niet. Ik heb daar vier jaar aan gewerkt, op al de rest moest ik ‘neen’ zeggen. Moeilijker om het uit te werken dan dat kon niet, dus vanaf nu kunnen ze me werkelijk alles vragen. (lacht) Er zou een tachtig miljoen bezoekers komen en ons paviljoen heeft de meeste bezoekers getrokken. Je kon een vijf meter brede weg op en je kon er gewoon onder lopen. Een landschap met een weg. Het was een open paviljoen, zonder deur, zonder wachtrijen. Beter dan dit kan ik het niet verzinnen.

H: Zo heb je internationaal ook je naam gemaakt ...

J: Tja, ze nemen je wat serieuzer hé! (lacht)

H: Je hebt ook een publicatie gerealiseerd in ‘94, A good book genaamd.

J: De publicatie is uitgekomen naar aanleiding van mijn overzichtsexpo in het centraal museum in Utrecht. Het is een paar keer herdrukt en dan kwam er nog een uitgebreide herziene uitgave uit, A good book 2. Idealiter zou er nog een derde versie moeten bijkomen met de laatste plannen erin. Het is hetzelfde boek, maar het wordt telkens dikker. Er staan ook tal van voorbeelden in van goede of interessante dingen die ik heb gezien.

H: Het Leitmotiv in je werk is 'ruimte', las ik. Zij het wel met kritisch humoristisch commentaar, zoals een comédian die op een podium staat. Al schop je niet tegen schenen; het is geen spiegel die je wil voorhouden.

J: Neen, maar ondertussen heb ik het wel gezegd. (lacht)

H: Wat zijn je huidige plannen? Ik vermoed dat je altijd een paar lopende opdrachten hebt.

J: Nou, er lopen er vijf door elkaar..
Ik doe de inrichting van de ENTREE van het Collectiegebouw van het museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Een gebouw van MVDRV. De inrichting maakt optimaal gebruik van de gebogen ruimte. Het is een open, licht en logistiek plan waarin alles gezien wordt. En ik heb ook een opdracht lopen met Jan De Nul uit Aalst in België.

H: Ben je een stresskip.

J: Ja, zeker! Maar dan ga ik een boom omzagen of een eindje fietsen, ik doe niks liever dan dat.






H: Je vuurtje met pannetje erop om spek met eieren te maken, staat hier ostentatief op een ronde tafel in het midden van je atelier. Ik vermoed dus dat het opstaan en al slaapwandelend naar je atelier trekken is?

K: Als het aan mij lag, zou ik hier nog het liefst ook slapen. Ik heb hier alles: ik kan hier tekenen, meten, rekenen, zagen, lassen, boeken lezen, muziek beluisteren, filmpje kijken ... Ik zit hier gewoon de hele dag te klooien. Dit is hier gewoon mijn hok. Meer heb ik niet nodig. Maar mijn vrouw kan ongelooflijk goed koken, dus 's avonds kom ik zo vanzelf als een hond op de geur van het eten af. (lacht)

H: Weet je tijdens het eten van je eitje, altijd wat erna aan te vangen?
K: Ik zit niet zoals een schilder voor een leeg doek, te denken wat te maken. Ik zit wel wat te tekenen om uit te zoeken hoe ik iets voor elkaar kan krijgen. Je weet nooit op voorhand wat het precies zal worden.

H: Je werkveld is eigenlijk de ruimte en de ruimtelijke ordening. Daar gebeurt het. Iemand geeft je een opdracht in de ruimte en je begint te denken.

J: Ja, bijvoorbeeld tijdens de kermis mag alles kleurrijk zijn met veel lichtjes en is iedereen blij en de week erna zit iedereen weer in z’n hok te wachten tot het weer kermis is of dat ze naar een pretpark kunnen.















Wat zie ik op het eerste zicht? (Kwestie van in het overweldigende atelier, er met mijn woorden, een béétje structuur in aan te brengen ... )
Ik zie: drie tekentafels met bijhorende meetlatten - 'Heb ik allemaal gekregen, vroeger waren die onbetaalbaar, nu kieperen alle architecten ze eruit' - een tekentafel die vol spullen ligt, een werktafel met spuitbussen en tape en co, een lastafel, lasapparaten, een werkbank met bankschroef, waar ook een boormachine op ligt, een lichttafel, een opvallende afzuigmachine die het plafond siert, ... 

Opvallend: een ronde gele tafel met een vuurtje op, een braadpan, een bokaal witte bonen in tomatensaus, een pot pindakaas, een krentenbrood, boter en een pak Hollandse kaas, een rol toiletpapier, een soldeerbout en zoveel meer.
Natuurlijk zijn er ook de boekenschappen die uitpuilen, ijzeren kastjes vol werkmaterialen, een nageltjesbak ... Ook machinerie en onbenoembare 'dinges' en flarden whatevers die zeker en vast hun nut hebben, liggen, staan en hangen overal rond.
Broodnodig! dezer winterdagen: de ijzeren stoofkachel waar af en toe een blok hout moet worden ingesmeten. En er is natuurlijk ook een ouderwetse pompbak voor het reinigen van handen en materialen. 

Begrijpelijk zijn er in een architectenatelier de (niet te missen) grote en kleine rollen met ontwerpen, maquettes in allerlei vormen en maten, stapels paperassen en kartonnen dozen met papieren in. En vanzelfsprekend staat er ook een laptop, al is dat Körmeling's dada niet, eerder een noodzakelijk (hedendaags) kwaad.











Verder, (zet jullie schrap, want er is geen begin of einde aan): aan de muur hangen tekeningen, schilderijtjes - zoals een wit doek met roze haas op of een haas in wit hemd met opstaande oren. Grappige beelden. Ook: stickers, foto's van zijn dochtertje als kind, flarden tekst, gekleurde posters, flarden krantenartikelen die met punaises in de muur zijn geprikt, alsook een kalender met zijn 'Happy Street' project op. 

Tevens hangen er kleine kunstwerkjes en maquettes aan het plafond. Er staat een houten plank met wel 25 gekleurde brandende lampjes -'overal mag het vrolijk zijn, buiten in de kunst', Elders staat een groene neonlamp en wat verder een gele. Aan wat volgt, kan ons speels kunstoog niet voorbij: zijn HIHIHAHA sculptuur artefact, het opvallende kunstwerk: kutzooi, de hel is heet van zijn collega Marius van Workum. Voorts: vlaggetjes ‘Nobody Forever Shop' - van Chantal Rens en Gummbah, een pijl met  'GRATIS' op geschilderd, Op het plafond zijn de woorden 'ZWART' geschilderd, een verwijzing naar een analoog werk.






En 't is nog niet gedaan! Bij deze nóg wat spielereien: een plastic zakje met kleurrijke bolletjes, een ijzeren autootje, een plastieken speelgoed raket, een Micky Mouse hoofd dat ergens de wacht houdt, Chinese prularia, een televisietoestel met ingeslagen scherm van Jimmie Durham dat in de lucht hangt.

Kortom: een bruisend atelier!

H: Ben je nu eigenlijk architect of kunstenaar?

K: Eigenlijk ben ik 100% architect. Maar ik krijg bijna alle opdrachten vanuit de kunst. Ik wordt dus van beide kanten niet serieus genomen. (lacht)

Hilde Van Canneyt





statcounter