Interview met Michèle Matyn

Interview met Michèle Matyn (1978), M HKA, Antwerpen, winter 2016.
(Korte en verschoonde versie in het tijdschrift100%EXPO (prospecta.be)
Foto's kunstwerken en zaalzichten: Artur Erosian

Ademgaten en Orakelsoep bedampen het M HKA

‘Een zoete suikerspin, een Dulce, die voor mij een zalig gevoel van melancholie - of zoals de Spanjaarden zouden zeggen 'Duende' - in zich draagt. De schoonheid van het verdriet, waardoor je voelt dat je leeft en heel dankbaar wordt. Het trompetgeschal met dat hele zoete van die suikerspinnen, evoceert voor mij de deunde.’













Hilde Van Canneyt: Michèle, welke plastische herinneringen heb je aan je kindertijd?

 Michèle Matyn: ‘Ik weet dat sommigen denken dat ik wel een wild en moeilijk kind zal zijn geweest, maar mijn mama zegt altijd: “Nee, jij kon net al tekenend en knutselend heel mooi op je eentje bezig zijn.”
Ik ging ook naar de knutselschool.
Hoewel mijn papa het jammer vond dat ik ging ‘knippen en plakken’, terwijl ik “zo verstandig” was, mocht ik toch mijn twee laatste jaren van het middelbaar op Sint-Lucas startten.’

Waarom koos je op je achttiende voor illustratieve vormgeving en niet voor de ‘vrije kunsten’?

 ‘Dat was een verderzetten van de Toegepaste Beeldende Kunst. Vormgeving was iets concreets. Je kreeg een opdracht die je zo vrij mogelijk invulde. Het was een opleiding met veel tekenen en druktechnieken, maar ook computerprogramma's zoals Flash en photoshop werden aangereikt. Ik twijfelde om na deze opleiding nog een toneelopleiding te volgen, omdat het me fijn leek om affiches voor toneelvoorstellingen te ontwerpen. Als je nu naar mijn werk kijkt, zie je dat er nog wat sporen van dat illustratieve inzitten. Ook het verhalende is nog altijd heel eigen aan hoe ik werk.’

Je bent er afgestudeerd met twee fotoboeken…

 ‘Ik kon goed tekenen, maar in mijn vrij werk kon ik daar geen verschil in maken. Daarom maakte ik al snel foto's van collages van stukjes tekeningen, tot ik bijna bij een horror vacui compositie uitkwam. Ik wilde zoveel mogelijk in dat fotografische beeld persen.
In 1999 schafte ik een Olympus Camedia aan. Zo ben ik op Sint-Lucas begonnen met mijn eerste digitale cameraatje. Alles leek zich fotografisch op één plan af te spelen: er was geen diepte, alles was gelijk en de kleuren overstuur.
Ik ging op reportage door België met een kaartje van één megabyte waar je amper zes foto’s mee kon nemen. Tegenovergesteld van het digitale fotograferen nu. Maar wel heel dicht bij de werkwijze die ik nu nog steeds hanteer; het fotograferen met een polaroid landcamera SX 70, met acht beelden per pakje.’



Op je 22e ging je kunstencarrière al vlotjes van de grond. Je werkte even in de Free Record Shop, daarna besloot op je eentje naar Texas te trekken en voor je het wist had je een opdracht op zak om muzieksteden te gaan fotograferen.

 ‘Ik ben met applaus afgestudeerd, maar eens uit de schoolpoort, besef je dat niemand op je zit te wachten, dus hebben we onszelf georganiseerd onder het collectief Rotkop. Dit met Janus Prutpuss, Dennis Tyfus, Kevin Apetown en later ook met Jelle Crama, Kati Heck en vele anderen. Maandelijks brachten we een gekopieerd magazine uit rond een bepaald thema.

Maar op een gegeven moment dacht ik: als dit het leven is, geef ik dan geld uit aan een psycholoog of geef ik het geld aan een reis? (lacht) Zo heb ik het onderzoek van mijn eindejaarsopdracht van Sint-Lucas - Weekendcowboys – verdergezet in het échte Wilde Westen. Christoph Ruys, voormalig directeur van het Fotomuseum in Antwerpen, steunde mijn projectvoorstel rond 'idolatrie', de schrijnen en altaren die mensen maken voor hun held of heldin. Dat onderzoek wou ik voeren in de muzieksteden in de zuidelijke staten van de Verenigde Staten, want alles, ook de marge, is daar uitvergroot.
Daarvoor had ik hier eerst een project rond Superfans gedaan, een reeks over de fans van Paul Severs. Dat ben ik als het ware extra large gaan uitwerken in Amerika.

Ik fotografeerde schrijnen voor geadoreerde vrouwen, Elvis Presley en paradijselijke tuinen. Op deze reis ben ik ook naar het huis van mijn eigen held muzikant Daniel Johnston in Waller, Texas gereden. De foto’s die ik daar nam, leken nog niet af, dus heb ik ze in het groot laten afdrukken en in de Mercedes Sprinter van kunstenaar Lieven Segers ben ik hem gevolgd en ben ik zelfs mee op tournee gegaan door Nederland. Voor en na de optredens heeft Daniel Johnston een laag toegevoegd op mijn foto’s. Ik vond een portret van iemand maken pas oké, als de persoon in kwestie ook kon ‘antwoorden'. Hij was vrij om op de foto's te tekenen, ze te verknippen, eender wat. Daniel en ik hebben er met Posca's – verfstiften - op getekend.

Zo is dat project dat eigenlijk het opzet had om fascinaties van anderen te fotograferen, dichter en dichter bij mezelf gekomen, tot beelden van mensen en dingen die me zelf intrigeren en fascineren.’




Laten we aan de hand van je solo-expo’s, je kunstencarrière overlopen …
2006-2007: Love is the answer, and you know it for sure was een expo in de Brakke Grond in Amsterdam dat later naar het Fotomuseum in Antwerpen verhuisde.

 ‘Dit was een selectie van fotografische beelden die ik maakte tijdens de reis door de zuidelijke staten van Amerika.’

Bivak Gloria, een expo in 2007 in het Hessenhuis in Antwerpen, was voor  jou een ‘sleutelexpo’.

 ‘De expo Bivak Gloria en vooral het werk Gloria, is essentieel. Zoals ik dat kantelpunt maakte naar mijn eigen idool, is dat een ander sleutelwerk geweest.
Na die opdracht rond idolatrie van het Fotomuseum, heb ik een zwaar verkeersongeluk gehad. Ik werd aangereden als fietser. Gevolg: negen operaties, leren lopen, heupprothese, enz ... Er volgd een heftige revalidatieperiode van bijna twee jaar. Ik kon niet meer reizen en was fysiek zwaar gelimiteerd. Daarom heb ik gezocht naar speciale momenten dicht bij huis. Ik ging met de auto fotograferen bij zonsopgang en zonsondergang, op een afstand tot waar ik het kon uithouden van de pijn.

Zo kwam ik op een braakliggend terrein achter het justitiepaleis van Antwerpen terecht. Ik stapte uit de auto en wandelde voorbij een hoop afval, maar bij het terugkeren, vanuit een andere hoek, was de geplooide matras, de stukken hout en het andere afval samen, voor mij een menselijk gelaat. Ik dacht: Waw, ik heb hem gevonden! De storthoop 'Gloria' van de Freggels!” (een animatiereeks van Jim Henson, red).
Gloria was de afvalberg in de tuin van de reuzen, die antwoord gaf op de levensvragen van de twee ratten Filo en Soof, die hem om raad kwamen vragen. Deze ontmoeting is hét begin geweest van mijn interesse in een geanimeerde natuurbeleving, zoals ook terugkomt in de werken The green man, Wild man in the woods, enz ... ‘

De expotekst van Boterknieën in 2009, in de ruimte 1646 in Den Haag, spreekt tot de verbeelding: Er zijn nog restanten van die performance te zien en te ruiken. Zo zien we gaten in de kelder die kaasgaten voorstellen en waar we nog de resten kaas en verfspatten kunnen ontwaren.’ Je was er gepasseerd met je collectief Bissy Bunder …

 ‘Ik had er een solotentoonstelling Boterknieën, waarvoor ik in de winter op reis was geweest naar Ijsland. Ik liet die kelder uit 1646 leegmaken, een plaats waar een ondergrondse kaasmakerij bleek te zijn geweest.

Op de openingsavond heb ik ons collectief Bissy Bunder uitgenodigd en maakten we de performance When the moon is in the second house. Vermomd met een zeehond masker, haalden we bollen kaas in Gouda, hapten we elkaars gezicht uit gigantische kaasschijven, terwijl er vla - gekleurd met pigment - uit gaten gutste die uit nepstenen rotsen kwamen die we naar elkaar gooiden. Orphan fairytale maakte het geluidsfragment, en steeg op als vulkaan uit het keldergat. Het was een verwerking van allerlei Ijslandse verhalen,

Er is een mythe dat zeehonden eigenlijk verdronken mensen zijn en dat ze één keer per jaar hun zeehondenhuid afdoen, dit wanneer ze als prachtige vrouwen dansen op het strand.
Bissy Bunder was fantastisch: hoe we met zes vrouwen een idee kregen en een week later het al was uitgewerkt. Je kan met zes zoveel gedaan krijgen! Maar op den duur gaat iedereen natuurlijk terug zijn eigen weg.’

In de tweede ruimte van de expo Boterknieën zagen we op het eerste zicht gewone foto’s hangen, maar bij een tweede aanblik konden we menselijke gezichten ontwaren in de desolate landschappen.
Je hebt een fascinatie voor verhalen van ronddolende geesten en versteende mensen. In je werk heb je het ook graag over de synthese van mens en natuur, zoals die voorkomen in sprookjes en legendes.
Maar je foto’s hingen er niet zomaar for granded. We zagen er ook een stapel linnen boodschappentasjes waarin een geboetseerde vogel zich had genesteld, een bezem met een hertengewei, een foto met een marsepeinen omlijsting en een tweede foto waar de blauwe verf van de foto droop.

In 2010 stelde je tentoon in de Beursschouwburg in Brussel, onder de noemer 
I wasn’t born yesterday, deary. Voor die expo maakte je een trip naar het koude Winnipeg, een stadje in Canada omringt door uitgestrekte prairies. Je kwam ervan terug met een rugzak vol poëtische en dromerige beelden, je ontmoette cultregisseur Guy Maddin, slaapwandelaars, occulte sferen in de natuur én net geen beer … En je droeg een masker van berkenschors, om je te camoufleren voor de beren …

In 2010 toonde je de tentoonstelling slash performance Samanta in Secondroom in Antwerpen.

‘In deze expo voerde ik de performance De processie van Lucien Desert op. Met mijn laatste honderd polaroids ondernam ik met de Peugeot partner, omgebouwd tot mobiel atelier, via enkel kleine baantjes een reis naar de Semana Santa, wat uitbundig wordt gevierd in het Spaanse Andalucia.
Onderweg kwam ik Lucien tegen, één van drie broers boomstronken. Hij keek me smekend aan en ik nam hem mee op wereldreis. Als zoenoffer liet ik tomaatjes achter. Ik gaf hem de naam van de wereldkampioen Barbapapa maken: 'Lucien Desert', een man die ik tegenkwam in een bar in de stad Pau.
Ik heb Lucien mee op toer genomen en hij is uiteindelijk mijn heilige geworden: ik heb hem rondgedragen op mijn krukje tijdens de Semana Santa in Sevilla.

Eén keer per jaar, de heilige week voor Pasen, gaan confradias broederschappen - op de tonen van trompetgeschal, heel traag rond door de steegjes van de stad. De bezwerende cadans van die bevreemdende koekoeksclanfiguren en hoe zij met die heiligenbeelden traag in die pas door de straten lopen, heeft me geïnspireerd.

Lucien - een boomstronkje met zeven ogen - staat als poortwachter bij het binnenkomen van mijn huidige tentoonstelling Ademgaten in het M HKA.’

In 2011 zagen we je expo Zwarte voeten in de Base Alpha Gallery in Antwerpen.
Na een brand in de Kalmthoutse weide, verzamelde je verkoolde stukken. Terwijl je ze bijeenraapte, werden je handen en voeten zwart. Dit was de basis voor deze expo. De titel refereert naar de Black Feet prairie Indians van Canada.

Sinds wanneer heb je onderdak bij Base Alpha in Antwerpen? En waarom die galerie en geen andere?

 ‘Ze hebben me al veel kansen gegeven – of ik heb ze genomen (knipoogt) - en we zijn gewoon samen blijven groeien.’

In 2013 won je de Prijs Beeldende Kunst van de provincie Antwerpen. (PBKPA)
Je stelde er drie performatieve installaties voor:

De installatie Carried by sticks, more out of belief then out of danger (2012):
Deze performance gaat over hoe je omgaat met je omgeving, beter verwoord als participative observation. Dit is jouw brug tussen fotografie en performance. Inspiratie haalde je hiervoor bij een Aziatisch ritueel: aanwezigheid markeren door stokjes tegen een steen te zetten.
De foto’s die je op je reizen neemt, zijn sowieso de basis of katalysator voor je objecten, kostuum(s) of acties. Ook alles wat je in deze performance gebruikte, was handgemaakt of zelf verzameld.
En we zagen je zelfs lopen in schoenen gevuld met … boter!

 ‘Wat overbleef waren de props van de performance en een fotografisch beeld waarin je de verwerking zag van een jaar reizen: beelden en verhalen die ik had verzameld ver en dichtbij huis. Uit het land van melk en honing – ‘boterschoenen’ – en een imaginair aards paradijs waar wensen worden vervuld - de verbrande stokjes die tegen de papieren rots geplaatst werden door een gekostumeerde figuur.’

Een tweede installatie ten tonele was All I know is where I started (2013):

Bij de motivering van de performance All I know is where I started, schreef je: ‘I like the word epiphany’. Daarbij verwijs je ook naar een lied van Laurie Andersen (Walking and falling) uit ’82.
De basis van die performatieve installatie was een trip die je met de ‘Peugot Partner’ naar Griekenland ondernam.
En dan zijn er nog: trappen, Tropfsteinhöhle en warme lucht van wortelsoep! Er kwam zelfs een soundscape van ‘Oracle Soup’ tot stand.

 Het idee van een trap, als een overgang van het ene in het andere, was de trigger om naar de trappen van Mykene in Griekenland te rijden. Onderweg passeerde ik onderwatergrotten in Macedonië, het orakel van Delphi enz ...
Het personage Dropstein – afkomstig van het woord Tropfsteinhöhledraagt voor mij het idee in zich dat je wordt wat je meemaakt: laag over laag over laag: you become what you've experienced, net zoals een druipsteengrot zich vormt.
De rammenassen die je in mijn show ziet, worden uitgehold en doen dienst als drinkbeker om wortelsoep uit te drinken, zodanig dat je kan zien in het donker.
Een orakel kwam vroeger uit bij een bron, een breuk in de ondergrond waar geluiden uit opborrelen. Een hogepriester kwam die geluiden toen interpreteren en mensen kwamen naar die toekomstvoorspellingen luisteren. Dropstein leest met ingeademde lucht een passage voor over Tabooed persons uit The Golden Bough, een mythologisch naslagwerk.’

Een derde installatie die je er toonde was Arrows of thought (2014):
Vertrekpunt: polaroids die je maakte tijdens een verblijf in het bos van Verzy in Frankrijk.
Het zijn mysterieuze, droomachtige polaroids van bomen, knieën en stenen, ontstaan tijdens een ritueel proces.
Ik las dat “de velden er ogen hebben en de bossen oren”. Het werk van de Middeleeuwse kunstenaar Hieronymus Bosh is niet ver weg. Je maakte er een poster op A4 van.
Er zit ook een gedicht van Saskia De Coster in. Het gedicht werd op de performance als een soort bezwering gelezen. De poster werd ingezet als schietroos. Er is een papieren sculptuur te zien, alsook een print op de kostuums van de performer.

 ‘Voor Posture Edition nr 7, getiteld Arrows of Thought, had ik het idee van een pijl als een symbool voor een gedachte en heb ik inderdaad een kimono van beelden gemaakt, een selectie van het verblijf in het bos van Verzy. Saskia de Coster kwam in die tijd op mijn atelier en schreef een gedicht als een mantra over mijn verblijf in het bos; over hoe ik het bos als mijn atelier gebruikte. Ik schoot pijlen gedipt in honing met pigment op de affiches van waaruit mijn pak was opgebouwd.’

Moraal van het verhaal: je tast letterlijk en figuurlijk de grenzen van de fotografie af:
soms teken je op foto’s, soms verknip je ze tot collages, soms worden ze sculpturen: het is één groot onderzoek naar medium en verhaal.

Je hebt altijd je digitale camera bij, maar toch prefereer je polaroid.

‘Polaroid is overkop gegaan, Impossible Projects hebben het overgenomen. Het format is hetzelfde, maar de fotografische emulsie die erin zit, is veranderd. Het stond helemaal niet meer op punt, maar daardoor heb ik er net mee gewerkt. In het werk Schmerzhaufchen (2010) dat hier in de expo hangt, zie je de gevolgen van het inwerken van daglicht op de virussen in de emulsie heel erg.

Hoewel ik ook analoog en digitaal fotografeer, weerhoud ik mijn polaroids als expomateriaal, omdat je er 'het moment' kan insteken. Als het heel erg koud is, ontwikkelen ze niet. Ik laat ze daarom  bijvoorbeeld ontwikkelen op verschillende plekken op mijn lijf, of ik kan ze net als in de donkere kamer, 'doordrukken' met mijn hand. Of evengoed belandt een foto in mijn achterzak, val ik bijvoorbeeld in het water en reageert die emulsie op het vocht. Die foto’s maken die tactiele reis mee. Inge Henneman heeft dat eens mooi omschreven: zij vindt dat ik het objectieve fotografische proces omkeer en dat ik het onbekende uitnodig om zichzelf kenbaar te maken in een beeld.’

Wat ik nog las: ‘Matyns omgang met foto’s is ingebed in een experimentele praktijk van quasi rituele acties.’ Verder doe je ook research naar eeuwenoude volksverhalen en gebruiken, antropologische mythen en sagen, maar evengoed naar de populaire strips en films over de grens tussen mens en dier, tussen mens en demon. Dat voedt je ontvankelijkheid voor krachten in de natuur.
Wat meer moois las ik over je werk?
‘Haar werk refereert aan de bron van het occulte in artistieke tradities van het surrealisme tot de geheimzinnige polaroids van de regisseur Andrej Tarkovski, de deunde van GarciaLorca, enz … ‘
Al die bizarre dinges om aan de soms “secce” werkelijkheid te ontsnappen?

 ‘Zoiets.’

Zijn al die fotografieprojecten gewoon geen vrijgeleide om avontuurlijke reizen te maken?

 ‘Mijn basis is reizen. Die indrukken en beelden neem ik mee naar mijn studio en verwerk ik tot jullie ze zien.’

Wil ons ook een deel wereld laten zien waar wij normaliter niet komen?

 ‘Ik toon dingen waar heel onze maatschappij te snel voor is geworden. Ik denk dat mijn expo Ademgaten wel kan appelleren aan hoe je je voelt als je je in je eentje goed voelt op een plek waar je graag bent. Het is een plaats waar je kan beginnen fantaseren en dromen.
Ik hoop dat mijn expo een intensiteit en puurheid heeft, mede door de materialen die ik gebruik.’

Hoe heb je je expo hier in het M HKA te Antwerpen aangepakt?

 ‘Eerst heb ik de maquette van de ruimte opgevraagd. Ik merkte meteen op dat mijn grootste werk maar een postzegel groot leek in deze grote ruimte. Daarom heb ik hard gezocht naar een museale vertaling van mijn atelier- en galeriewerk.’

Hoe probeerde je je ouder werk met je nog specifiek te creëren werk te combineren voor je expo in het M HKA?

 ‘Curator Nav Haq heeft me in de zomer van 2015 uitgenodigd om mee te doen aan het symposium van Vladikavkaz in Noord-Ossetië. Daar is een paganistische maatschappij waar volksgeloof nog sterk wordt beleefd. Zo wordt Uastyrdzhi, een bebaarde man op een driebenig paard, vereerd. De performance Breadhead, die ik op mijn opening toonde, is daar ontstaan: een brood in de vorm van een vierkant, als metafoor voor ontmoetingen.

Ook Made Mayrem, het vereren van een bepaalde plek door gekleurde linten te knopen in het woud, alsook de titel Ademgaten, is geboren in Vladikavkaz. De titel refereert aan de foto Breathing Mountain, een polaroid van een bergwand met gaten waar ijselijke wind uitkwam als een soort van natuurlijke airconditioning.
Het is een berg in het bezit van mannelijke energie. Vrouwen mochten er niet komen, ze zouden de mannelijke energie verstoren. ‘Le trou qui soufle', het gat dat ademt, is een fenomeen van ondergrondse winden in kalksteengebied.

Voor deze expo ben ik met mijn zoontjes van toen respectievelijk één en twee jaar, met een gigantische kampeerwagen naar Le dent des Crolles in Frankrijk gereisd. Het was tricky, maar er is toch werk uitgekomen. Daarna ben ik naar Guilin in China getrokken. Deze streek is bezaaid met snoepbergen zoals je die tegenkomt in oude Chinese pentekeningen. Het lijkt wel een verzonnen sprookjeswereld!

De twee uitvergrote polaroids Gatekeeper en Gathering toon ik achteraan in de puntzaal van het M HKA. Het zijn twee flappen van 3,20 meter breed en 4 meter hoog, die omhooggehouden worden door zes stammen van de esdoorn en berk. Deze boomstammen bieden genoeg tegengewicht om de foto's tegen de muur te drukken.’




Hoe kwam je erbij naar China te trekken ter inspiratie voor de expo?

 ‘Wat me opviel is dat ik de laatste jaren blijkbaar veel had gereisd naar kalksteengebied. Ik heb dan wat rondgegoogeld en ik kwam uit bij Guilin in China.’






Jouw presentatie is ook niet alledaags ... Geen mooi naast elkaar hangende prentjes voor jou ...

 ‘Ik tracht weer te geven wat ik overweldigend heb meegemaakt of heb gevoeld. Ik probeer dat te doen in een installatie, in een kostuum, in hoe ik mijn foto’s toon ... Sommige foto’s heb ik proberen in 3D te zetten, anderen heb ik zodanig vergroot dat je je erdoor kan laten opslorpen.’

Je hebt wel geluk dat je het laatste stuk van de benedenverdieping in het M HKA hebt gekregen, waardoor je als het ware in een Matyn-cocon terechtkomt. Ik denk ook niet dat het als bezoeker van belang is of je weet waar je welke foto hebt genomen of hoe een object tot stand kwam. Of wel?

 ‘Sommigen vinden het fijn de exacte verhalen en locaties te kennen, alsook mijn verwerkingen ervan, zoals bij Oracle Soup. Het al dan niet 'waar' of niet waar zijn van gebruiken, zoals mijn werk met de bilpannen, intrigeert de mensen. Voor die prijs beeldende kunst had ik terug zes vriendinnen uitgenodigd – ‘de veertien billekens’, naar dat legendarisch danscafé in Ranst – en die performance terug levend gemaakt. Vroeger werden de billen van de vrouw namelijk gebruikt om dakpannen te maken.
Het is een spel om bij mensen hun verbeelding los te weken, zelf verhalen te laten verzinnen en samenhang te zoeken.’






Ik vind het interessant dat je hier kan binnenstappen ‘zonder achtergrond’ over je reeds eerder gemaakt werk. Je komt je kleine universum binnen, en iedereen heeft sowieso iets aangenaam om zien. Het is ook geen cleane kunst, het straalt eerder een soort warmte uit. (Mag dat van de champetters in de hedendaagse kunst?) Het is een fijne gedegen expo om naar te kijken, niet zuiver conceptueel waar je je visueel in de haren van krapt.

 ‘Dat is het fijne aan een solo: je kan mensen uitnodigen in je eigen belevingswereld.’ 





Hoe ver ga je als kunstenaar om je ‘ding’ te tonen en te zorgen dat het niet te decoratief wordt? Dat is toch een wankel evenwicht?

 ‘Ik vind het een belangrijk element dat de tentoonstelling op een of andere manier levendig wordt gehouden, dit door organische elementen toe te voegen zoals de rammenassen, boter, brood of bijenwas. In deze tentoonstelling zijn allerlei spelers aanwezig om terug actief te worden: Lucien Desert, Dropstein de Bilkoekmachien, Breadhead, … Deze kunnen allemaal geactiveerd worden van zodra ik het nodig acht of er zin in heb.’

In welke zin voel je je gedifferentieerd of net verwant met andere kunstenaars? In Antwerpen voel ik een grotere samenhang en onderlinge steun dan in Gent ...

 ‘Ik voel me verwant aan andere kunstenaars door de intensiteit waarmee ze ook heel graag met hun werk bezig zijn. Veel vrienden van mij zijn ook goede kunstenaars. Je steunt elkaar in de drive en de overtuiging dat het zinvol is wat je doet, in die zin dat je het blijft volhouden.
Wat de Antwerpse scene samenhoudt: iedereen is er met een enorme bezieling en authenticiteit mee bezig. Er is een heel grote toewijding. En niet te vergeten: humor!’

Natuurlijk, hoe meer mensen in je geloven, hoe meer je jezelf kunt zijn.

 ‘Mja, maar ik heb ook gemerkt dat ik gewoon enorm gelukkig wordt door daarmee bezig te zijn. En ik merk natuurlijk dat het veel losmaakt bij mensen.’

Wat is je grootste artistieke droom?

 ‘Dit is gewoon mijn artistieke droom! Ik zou gewoon heel blij zijn mocht ik dit blijven verder doen. Ik ben momenteel heel gelukkig. Laat mij maar deze manier van leven – reizen en expo’s maken –blijven verderzetten ... ‘

Hilde Van Canneyt

Michèle Matyn stelt tentoon:


Leuvenstraat 32
2000 Antwerpen


14 oktober 2016 TOT 5 februari 2017
Open op:
       Dinsdag - woensdag VAN 11:00 TOT 18:00
       Donderdag VAN 11:00 TOT 21:00
       Vrijdag - zondag VAN 11:00 TOT 18:00






statcounter