Interview met Joke Devynck



Interview met Joke Devynck (over het DKO), Gent, februari 2014. 


(foto: Rika Vanhove)


Hilde Van Canneyt: We kennen je vooral als actrice in Tv-series, films en theaterproducties…
Je jeugd bracht je door in Knokke-Heist, waar je al gauw in de muziekacademie dictie, voordracht en toneel volgde. Trok je dat méér aan dan muziek, dans, naar de tekenschool gaan of sporten?

Joke Devynck: Ik had daarvoor al redelijk wat gesport. Ik zat drie jaar op ballet en had ook geturnd. Daarnaast ging ik ook naar de scouts. Ik zat eigenlijk in alles waar een jaarlijkse show werd gehouden. (lacht)

HVC: In ’94 trok je de deuren van Studio Herman Teirlinck achter je dicht.
Wat heeft die opleiding je vooral geleerd of wat zou je zonder die opleiding niet hebben gekund?

JD:  Wij hadden tien bewegingsvakken, dus je weet na vier jaar echt wel waar je spieren zitten. Daarnaast leer je ook een neutrale houding aan te nemen, heel belangrijk als actrice. Je leert ook ademen: daar zouden ze op alle scholen elke ochtend mee moeten beginnen trouwens. Je leert er ook je stem beheersen. En héél belangrijk: ik hield ik er vriendschappen voor het leven aan over.

HVC: In welke zin ben je de laatste twintig jaar als actrice geëvolueerd?

JD: Ik leerde mijn energie beheersen en ik zie een grotere innerlijke rust. Ik kan beter vehikel van het verhaal zijn.

HVC: Nooit zin zelf een script of toneelstuk te schrijven of een decor te ontwerpen? Of misschien heb je dat al gedaan?

JD: Ik schreef een stuk voor de BRONKS, een jeugdtheater in Brussel.
We hebben daar net een herneming van achter de rug. Het is absoluut voor herhaling vatbaar!

HVC: En blijkbaar is er ook een Joke die nog via een andere – plastische - weg iets kwijt wil…

JD: Ik volgde tijdens mij studies ook al beeldhouwkunst in Antwerpen.
Met schilderen ben ik begonnen toen mijn dochter zes maanden oud was. Op de academie voor beeldende kunsten in de Offerlaan in Gent. Dus ja, ik zag dat ook als tijd voor mezelf. Het is mijn soort van aarden. Een andere manier om alle indrukken te veruiterlijken. Het is zalig als het acteren en het schilderen naast elkaar kunnen bestaan. Maar dat is de laatste jaren helaas niet meer echt gelukt. Het is mijn droom om eens een jaar fulltime te schilderen.

HVC: Je bent één van onze tien ambassadeurs van het DKO. Welke tips heb je nog om het avond- en weekendonderwijs nog aantrekkelijker te maken?

JD: Als je al ergens van droomt, moet je het doen. Er is geen drempel, geen excuus. Gewoon inschrijven en beginnen!

HVC: Als je er de tijd voor had, welke richting zou je er nog naast willen volgen?

JD: De basis: het tekenen.

HVC: Vanwaar die beeldende kunst-kriebels?

JD: Als kind bleek al dat ik altijd enorm geconcentreerd was bij het tekenen en schilderen. Dat zat er toen blijkbaar al in en dat is zo gebleven. Alleen kan je je, zeker met een gezin, maar focussen op één ding om daarin te groeien. En dat is het woord geworden, met mezelf als instrument .

HVC: Wat kan je in die kunst kwijt dat je niet in je acteren kwijt kan?

JD: Mijn demonen (knipoogt). Het is geen groepsgebeuren, het is enkel je eigen verantwoordelijkheid. Dat is beangstigend, maar ook zalig. Alles van begin tot eind is jouw keuze en alleen die van jou. Als het goed is, krijg je een grote eigenheid te zien. Het is net de link met die andere kunstvormen die het zo interessant maakt.

HVC: Is het feit dat je als je een kunstwerk maakt, je ook iets tastbaar in je handen hebt en mee naar huis kan nemen, ook iets wat je aantrekt?

JD: Zeker, het momentane van theater is magisch, maar een werk dat je na een jaar nog goed vindt, daar blijf je trots op en dat is ook zichtbaar.

HVC: Ik kan me voorstellen dat je als actrice soms diep moet graven. Idem bij ‘kunst maken’? Zonder pijn geen kunst?

JD: Zolang je de pijn niet teveel cultiveert en graaft in functie van je eindproduct.

HVC: Wat is ‘kunst’ trouwens voor jou? Creativiteit? Zelfexpressie? 

JD: Al die dingen samen. En het heeft zeker iets te maken met schoonheid. En troost. Als iets mij uit de tijd haalt, de reële tijd, is het kunst voor mij. Als ik iets heel erg persoonlijks zie, dat ook een universeel verhaal vertelt, is het ook meestal kunst voor mij…

HVC: Spreekt het solitude aspect je er ook in aan? Als actrice heb je altijd tegenspelers. Of onderschat ik het uren voorbereiden van teksten? Iets waar je je toch ook in je eentje moet doorslaan.

JD: Het solitude aspect is zeker belangrijk. Het is makkelijker om alleen in iets op te gaan dan met twee. Je kan zonder onderbreking je gedachten de vrije loop laten, of die gedachten net ordenen.
Het is gemakkelijker om naar je intuïtie te luisteren.

HVC: Denk je trouwens dat kunstenaar of artiest zijn een ‘voorbestemming’ is?

JD: Misschien is er bij de één grotere noodzaak om te delen dan bij de ander.

HVC: Welke film, kunstwerk of muziekstuk kan je het meest ontroeren? Of zijn er andere kunst- of cultuurvormen die je ook nog enorm bekoren?

JD: Ofwel beroert me iets door zijn virtuositeit, ofwel door wat het bij mij losmaakt .
Dat heb ik bijvoorbeeld bij boeken! Ik hou erg van boeken. Als actrice heb ik het natuurlijk ook voor film. ‘Babbettes gaestebud’ is een film waar ik erg van hou, alsook de films van Tony Gatlif.
In de muziek kunnen Scriabin of Chopin mij beroeren. Cello en piano zijn instrumenten waarvan de klanken mij enorm ontroeren.

Er is ook een werk van Berlinde De Bruycker waar ik heel erg door ontroerd ben.
En schilderijen… pfff…Teveel! Ik ben aan het leren, maar hier al enkele namen: Les Nabis (de Franse postimpressionistische kunstschilders), Paul Gaugain , Marc Chagall, Kitaj, Georges Rouault, Francisco Goja, Frida Kahlo, Johannes Vermeer, Caravaggio, Paul Cezanne, Anselm Kiefer…

HVC: Welke andere professionele of artistieke dromen wil je nog verwezenlijken?

JD: Een combinatie van humor en absurdisme: iets om te schrijven en iets om te spelen. Ik zou ook heel erg graag een documentaire maken. Verhalen vertellen met fijne mensen, gelijk in welke vorm.

HVC: Als je leven een film was, wat zou de titel zijn?

JD: Nu? “And now for something completely different”.



Hilde Van Canneyt, met dank aan het tijdschrift d'Academie.

statcounter