Interview met Isabel Fredeus

Interview met Isabel Fredeus (1991), Antwerpen, lente 2019

Met dank aan www.de-lage-landen.com

De nieuwe lichting Isabel Fredeus komt nog maar een paar jaar piepen als kunstenaar. Haar werk omvat sculpturen, video’s en interventies, liefst in elastische manipuleerbare materialen. Natuurlijke processen en fysische wetten leiden tot boeiende lyrische kunstartefacten. Met het werk Under the weather won ze in het Antwerpse Middelheimmuseum de Young Artist Prize, waarmee het startschot van haar kunstparcours helemaal is gegeven.











Hilde Van Canneyt: Juni is blijkbaar jouw lievelingsmaand: in juni 15 won je de Lucas Award, in juni 18 de Middelheim Promotors Young Artist Prize.

Isabel Fredeus: (lacht) Inderdaad. Ik ben al tweemaal in de prijzen gevallen in de maand Juni. Die eerste prijs was voor mijn eindejaarsexpo in Sint-Lucas Antwerpen. Dat was een belangrijk jaar voor mij, omdat ik tot mijn 3e Bachelor met schilderkunst werkte en pas in mijn masterjaar Vrije Kunsten naar installatie ben overgegaan.

HVC: Kon schilderkunst je niet meer boeien?

IF: Schilderkunst vind ik nog altijd boeiend, maar ik was altijd geïnteresseerd in het proces van het schilderen, eerder dan in het eindresultaat. Het schilderen interesseerde me tot de verf was opgedroogd. Zo heb ik zelfs een hele action painting fase gehad. (lacht) Die overgang is heel organisch gegroeid. Zo maakte ik eerst video’s waarin bijvoorbeeld ballonnen met verf ontploften. Of ik maakte van mijn atelier een installatie waarbij ik al mijn verf rangschikte op kleurcode. Ik probeerde van alles met het medium te doen zónder schilderijen te maken. Het werk La pluie van Marcel Broodthaers, had me toen erg geïnspireerd om met tijd en vergankelijkheid te werken.








HVC: Waren de sculpturen die je toonde een afgeleide van je schilderproces? De hele ruimtelijke installatie presenteerde je onder de noemer To set the course. De spanning tussen het twee- en driedimensionale is daarin ook een belangrijk gegeven.

IF: De sculptuur Letting go was voor mij echt de overgang van schilderkunst naar installatie. Ik boorde gaatjes aan de bovenkant van het dubbel glas van een raam en liet er lakverf in druipen, zodat de verf langs de twee binnenzijden van het raam vloeide. Door de zwaartekracht volgde het beide lijnen evenwijdig langs de twee kanten. Dat was de toegangspoort naar de rest. Daarna ben ik hard beginnen denken aan het schilderij als raam. Zo heb ik verschillende werken gemaakt. 





Voor deze eindejaarsexpo boorde ik gaatjes in de muur van de tentoonstellingswand. Door een nagel in de muur te slaan, ontdekte ik dat daar overdag licht doorkwam. Ik vroeg me af of daar een raam achter zat en dat bleek effectief zo. Ik heb dat raam terug z’n vorm gegeven door die gaatjes in die wand. Dat was interessant voor mij: ik zat met een beeld dat veranderde: overdag gaf het natuurlijk licht en ’s avonds waren het zwarte gaten. Bij mijn werk leidt het ene vaak tot het andere. Ik vind het belangrijk te improviseren binnen een bepaalde structuur.  









In een ander werk op die expo gebruikte ik componenten waarmee ik op mijn overheadprojector schilderde. Zo kon ik dingen tekenen met de projectie die je niet op de lichtbak zag. Ik gebruikte bijvoorbeeld witte acryl om schaduwpartijen te vormen. Het was een soort van performance. De vloeistof reageert tegenover elkaar, omdat ze niet homogeen zijn. Het was een spel van actie en reactie: film ontmoet schilderkunst.









HVC: We zagen verder nog een wit schilderdoek op de vloer. Je toonde er ook een pupiter met een boek op en we zagen een overhead-projectie van vloeistoffen tegen de wand.

IF: Dat schilderdoek is een waterafstotend doek waardoor je de reflectie ziet. Op dat doek heb ik een raster gezet met evenveel vakjes, waar ik met een pipetje druppels in goot waardoor het evenveel waterbollen bevatte, doordat het doek waterafstotend is. Die verdampten dan ook op één dag, waardoor ik dat elke dag opnieuw moest doen. Dat was heel steriel, want het ging heel hard over controle. Ik maak nog altijd zo’n doeken, maar nu met reliëfs. En ik durf alles al wat meer los te laten. (lacht)






Op de pupiter lag een boek waar ik vijf boeken van heb gemaakt. Het is eigenlijk mijn eerste publicatie en het bevat vijftig artist statements die geleidelijk aan groeien, dus de tekst groeit ook. Op het einde heb ik dan het echte moment opgeschreven. Dat artist statement is een duidelijker werk: omdat je een body hebt. In het boek ga ik tegen die machtspositie in.

HVC: Wat was op je onderzoek?

IF: Ik was op dat moment eigenlijk al bezig met natuurlijke verschijnselen: zonlicht, water, … Dat zijn zaken die me prikkelen. Die primaire prikkels staan centraal, net als het zintuiglijke. Vooral hoe je een natuurlijk proces kunt representeren in een werk, interesseert me. Dat valt soms ook samen met de aantrekkelijkheid van een voorwerp. Van daaruit probeer ik bepaalde beginselen af te leiden.

HVC: Je vertrekt graag vanuit de aangeboden ruimte en dan bekijk je welke ervaring die je bijbrengt.

IF: Inderdaad. Al is dat heel intuïtief.










HVC: Je werk gaat deels over tactiliteit.

IF: Het zintuigelijke is heel belangrijk. Meten is voor mij esthetiek. Het is niet omdat je iets meet, dat je er controle op hebt. En ik wil enerzijds wel dat de kijker zin heeft om mijn werken aan te raken, maar dat is niet de bedoeling. Het gaat me om de prikkeling tussen mijn werk en de toeschouwer.

HVC: De bewerkbaarheid van materialen is ook een aanvullend werk- en onderzoekmiddel.

IF: Dat kan gaan van papier tot steen. Ik richt me ook op fysische veranderingen van materialen van de zwaartekracht over oppervlaktespanning tot het smeltpunt.

HVC: Iemand die er geen begeleidende tekst bij krijgt, heeft het toch moeilijk te weten waarover het werk gaat, vermoed ik? Wat verwacht je van de kijker?

IF: Voor mij gaat het over de ervaring op zich: je hoeft niet per sé te weten waarover het gaat. Ik hoop dat het werk gewoonweg al iets doet, ronduit door jezelf als kijker vragen te stellen. ‘Wat is hier aan de hand?
Natuurlijk zijn er veel mensen die vragen poneren als ik tentoonstel. Ik besef dat mijn werk niet altijd even leesbaar is maar ik tracht visueel steeds ‘genoeg’ te geven.

HVC: En daar sta je dan: net afgestudeerd en moet je het gaan maken.

IF: Ik had na drie maanden al een atelier boven Kunsthal Extra City in Antwerpen, waardoor ik direct een goede communicatie had met de andere kunstenaars. Dat is een enorme ondersteuning. 














HVC: Hoe voorzie je als jonge kunstenaar in je levensonderhoud?

IF: Ik heb veel in de horeca gewerkt en nu werk ik parttime in een bloemenzaak. Ik ben heel vrij, kan creatief zijn en zit in een atelier met kleuren en composities. En het ruikt er nog lekker ook. (lacht) Ik vind als je te jong al lesgeeft, je nog te weinig kan geven, omdat je zelf nog maar net van school komt. 






HVC: Voor je het wist, dong je mee naar the Promotors Young Artist Prize in het Middelheimmuseum in Antwerpen. Je toonde er een glassculptuur op een sokkel. Under the weather genaamd. De sculptuur is gemaakt in handgeblazen stormglas en is een uitvergroting van een traditioneel meetinstrument om menselijke activiteit mee af te stemmen op de weersomstandigheden. Veelal gebruikt op schepen.

IF: Ik was al langer geïnteresseerd in glas, maar ik kon het lang niet bewerken. Ik werk graag met transparante media. Ook met water werk ik al een tijdje en ook silicone en epoxy – maar dat is niet gezond – passeerden al. Ik wilde ook al lang werken met manipuleerbaar glas. Op zich heeft glas net als water iets vloeibaars. Zo heeft glas bijvoorbeeld geen smeltpunt maar verschillende verschijningsvormen. Het is een amorfe vaste stof. 

Ik ben ook al lang geïnteresseerd in meetinstrumenten: waterpassen, pendules, pendels, zaken waarmee mensen pure fysica trachten te vatten. Op zich is zo’n weerglas een meetinstrument van vroeger. Maar veel kleiner dan wat ik heb gemaakt. Zo keken ze in een kleine hoeveelheid vloeistof naar de kristallisering. Ik heb het prototype, het ontwerp en de mallen gemaakt en in Nederland heb ik samen met mijn docent glas (Luc Debruyne) en Gert Bullée met zijn team het werk geblazen in het Nationaal Glasmuseum, want dat was in België technisch niet haalbaar.

HVC: Je moest met alle weersomstandigheden rekening houden. Daarenboven moest het op een sokkel staan, inhoudelijk betekenis hebben én een visuele schoonheid bieden.

IF: Mensen vinden glas heel breekbaar, maar eigenlijk is glas wel geschikt voor geleidelijke temperatuurswisselingen. Wat ik leuk vind aan het werk, is dat het constant verandert. Bij mooi weer is er een andere kristalvorming dan bij slecht weer. Het is geen statisch beeld. In al mijn werk vind ik dat procesmatige heel belangrijk. Daarom probeer ik ze zoveel mogelijk te documenteren. En dat onderzoeksproces deel ik graag. Maar ik wil natuurlijk zoveel mogelijk illusie overhouden voor de kijker. 
Mijn beeld in Middelheim is intussen voor een expo naar The White House gallery in Lovenjoel verplaatst. Het is het eerste werk waar ik met zoveel facetten en mensen rekening moest houden.

HVC: Rond welke elementen werk je op inhoudelijk en vormelijk gebied?

IF: Natuurlijke verschijnselen zoals zonlicht en water prikkelen me en die primaire prikkels staan centraal, net als het zintuigelijke. Vooral hoe je een natuurlijk proces kunt representeren in een werk, interesseert me. Dat valt soms ook samen met de aantrekkelijkheid van een voorwerp. Van daaruit probeer ik bepaalde beginselen af te leiden. 

Met een lichte wetenschappelijke blik werk ik rond fysica en biologische processen waarvan ik de esthetiek ervan probeer eruit te halen. Met die wetenschap probeer ik een geloofwaardigheid in vraag stellen. Daarom link ik mijn werk graag aan meetinstrumenten. Ik ben ook veel bezig met het filteren van de prikkels en sensoren van de omgeving, en zitten we dicht bij de ervaring. 

Dan doe ik onderzoek: ‘Waarom prikkelt mij dat?’ Daarom probeer ik met de connotaties van materialen te spelen. Het interessante aan die fysische wetten is dat alles vastligt. Er is geen keuze, je zal steeds terug op de grond terecht komen, hoe hoog je ook spring. Ook het micro- en macrogegeven is een onderdeel van mijn werk. Ironie en spiritualiteit zorgt voor een weerklank en stelt de wetenschappelijke benaderingen in vraag.
Er zijn zaken die we gewoonweg niet kunnen herleiden tot een mathematisch gegeven.


HVC: Welke reactie krijg je meestal op je werk?

IF: Ik krijg vaak de observatie dat mijn werk niet schreeuwt, of dominant is. Dat vind ik een fijn compliment. Mijn werk is ook veelal minimalistisch. Het is een ervaring die ik aan de toeschouwer wil geven. Heel vaak zijn er kleine dingen die ik opmerk en die ik wil tonen. Dat kan gaan van licht dat ik ergens door zie komen tot de zeepbellen die ik in bad bestudeer. Dat schrijf ik meestal op en daar stel ik me vragen over. In mijn atelier zoek ik naar een vertaling. Ik besef dat mijn werk niet altijd gemakkelijk is, maar ik wil mezelf ook uitdagen. Sommige werken zijn toegankelijker dan andere. Mijn doel is om werk te maken dat slaagt in de vertaling en ook vormelijk zeer sterk is, en daar is Under the weather een goed voorbeeld van.

HVC: Wil je iets aankaarten? Want het zijn veelal klinisch esthetische werken. Het is toch een bepaalde schoonheid die je wil tonen? En ze durven naast een technisch kantje, ook wel een spirituele draagkracht hebben.

IF: Voor mij zijn het allemaal mooie werken.(lacht) Maar ik probeer vooral esthetiek uit kleinere dingen te halen. Op zich is Under the weather een louter esthetisch kunstwerk. Ik heb ook iets met spiritualiteit. Dat is eigenlijk een andere manier van meten. Ik heb mijn yoga-instructeur zelfs geïnterviewd, omdat ik wilde weten wat hij van kunst vond, wat in zijn ogen kunst is. Ik heb hem ook veel vragen gesteld over polariteit, omdat het iets is dat vaak in mijn praktijk voortkomt. Polariteit is voor hem als een dans die continu van plaats verandert: twee mensen die non-stop dansen, aantrekken en afstoten, maar die vooral bewegen en evolueren.

HVC: De cirkel is ook een wederkerig element in je werk.

IF: Ja, die oneindigheid die erin zit, vind ik heel interessant. Het is net als het vierkant waar ik ook graag mee werk, een basisvorm. Ik ga graag om met de symboliek van verschillende geometrische verhoudingen.

HVC: Wie zijn je voorbeelden?

IF: Dat is begonnen bij J.M.W. Turner, Cecily Brown,  Cy Twombly, Andy Goldsworthy,. Later leerde ik het werk kennen van Joëlle Tueurlinkx, Francis Alÿs, Edith Dekyndt, Eva Hesse, Martin Creed, Olafur Eliasson, Robert Fillou en Roman Signer.

HVC: Wat is ‘sculptuur’ en bij uitbreiding ‘kunst’ voor een kunstenaar anno ’19?

IF: Ik ben van mening dat een kunstenaar niets ‘moet’.
Maar wat je ook maakt of vanaf je iets toont, is het politiek. Dan geef je een publieke opinie. Tentoonstellen is een beeld geven van wat in jouw hoofd vandaag de dag afspeelt. Of je er nu commentaar op geeft of niet. Geen commentaar geven is ook een gekozen houding (bewust of niet).






HVC: Wat moeten wij als kijker vinden van bijvoorbeeld het werk The box, twee witte handschoenen naast een zwarte kartonnen doos met materiaal in?

IF: Presenteren is voor mij ook een manier van onderzoek doen. Dit is eigenlijk een in scène gezette toolbox die ik wilde laten zien aan de mensen. Zo zit er een pendel in, buisjes met vloeistof, een foto, een brief aan de zogezegde koper met de archivering van mijn gedachten … Het kunstwerk fungeert als kijkdoos in mijn gedachtestroom.

HVC: Laten we enkele werken overlopen.
Het werk Hemelwater stelt een soort waterval voor …

IF: Dat is werk waar water zit in DDR-regenkappen en dat druppelt. Dat is weer een mathematisch iets. De druk van het water boven is veel groter, waardoor het naar beneden druppelt, maar het komt nooit beneden aan. Omdat de druk vermindert. Het is wederom een tijdsgebonden werk. Je hoort ook het geluid van het druppelen. Voor mij is het ook weer een ervaringswerk dat te maken heeft met de zwaartekracht. 

HVC: Het werk Denkpauze kan je zien als x-rays die op een witte plastiek van 2m² liggen.

IF: Ik heb ze uitgeknipt en gerangschikt op lichtdoorlaatbaarheid. Ik denk dat ik meer dan 1200 vierkantjes op transparantie heb georganiseerd. Het leggen van de stukjes gebeurt zonder meetinstrumenten, maar op gevoel. Dat vind ik zeer belangrijk, omdat het hier gaan over een instinctieve organisatie. Het uiteindelijke werk doet denken aan een zwembad waar een spel van licht de hoofdrol speelt.  

HVC: Een rode heliumballon die in evenwicht wordt gehouden door een pendel, zo zouden we Lifetime to reality kunnen omschrijven.

IF: Ik hing pendels altijd aan het plafond, nu wilde ik een spanning tussen de schietlood dat naar beneden trekt en de ballon. Ik heb een ballon gevuld met helium en laten opstijgen in de ruimte en dan hield fluo geel touw het tegen en zo een spanningsveld gecreëerd. Wat wilde ik daarmee aankaarten? Dat er zwaartekracht is, tonen dat er ons iets beneden houdt, al is het niet zichtbaar. Ook tegenwerkende kracht – helium – die de pendel omhoog trekt, wat voor een perfecte balans zorgt. De helium in de ballon ontsnapt beetje per beetje tot de ballon op de grond terecht kwam. Dit was een proces van enkele dagen. Er was iets heel poëtisch aan de evolutie van het kunstwerk. Het startte als een kunstwerk van 12 meter hoog en eindigde op de grond. De titel lifeline to reality is dan ook een verwijzing naar dit proces.


HVC: Hoe verhouden je titels zich tot je werk?

IF: Ik probeer via mijn titels de ironie in mijn werk te krijgen. Soms zijn ze eerder melancholisch van aard. Dit doe ik om de werken terug naar het menselijke te trekken en een relatie te leggen tussen het onmeetbare en het meetbare. Hoe relateert liefde en leven naar zwaartekracht en polarisatie? Waarom is het soms grappig als iets valt?

HVC: Om te eindigen: hoe ziet een ideale atelierdag eruit?

IF: Een atelierdag waarbij ik op ontdekkingstocht kan gaan, mezelf kan verrassen. Wanneer ik tijd heb om over tijd na te denken.  En af en toe een koffiepauze kan permitteren voor een boeiende babbel met mijn ateliergenoten. (Lacht)

Hilde Van Canneyt 


statcounter